Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0529

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
15/801973-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schiphol; invoer cocaïne; medeplegen van verdachte en zijn medeverdachte is niet gebleken, slechts met elkaar samen gereisd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van medeplegen van de opzettelijke invoer van de door verdachte geslikte cocaïne, namelijk door verdachte met personen van de drugsorganisatie. Verdachte heeft immers van zijn opdrachtgever in Paraguay de bollen met daarin 1200 gram cocaïne in ontvangst genomen en die in zijn lichaam meegenomen naar Nederland, om vervolgens deze drugs in Spanje tegen een beloning van – naar hij heeft verklaard – USD 1000,-- weer aan iemand anders van de organisatie af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801973-08

Uitspraakdatum: 27 februari 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 februari 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg te Doetinchem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 13 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, onder meer - zakelijk weergegeven - inhoudende dat hij op 13 november 2008 met het vliegtuig vanuit Paraguay op Schiphol is aangekomen en op dat moment inwendig 100 bolletjes met daarin iets illegaals vervoerde;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 18 november 2008 (dossierparagraaf 2.3) onder meer - zakelijk weergegeven – inhoudende dat hij de door hem geslikte bollen van [naam] heeft gekregen, dat hij naar Spanje zou gaan en dat daar iemand naar hem toe zou komen en dat hij de bollen in het hotel zou moeten produceren of op een plek waar naar toe hij meegenomen zou worden en dat hij een beloning van 1000 USD zou krijgen;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 15 december 2008 (aanvullend proces-verbaal);

• een deskundigenrapport, te weten het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 18 december 2008, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige drs. M.M. Sarneel.

3.3 Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het medeplegen van de invoer van de cocaïne niet bewezen kan worden verklaard, omdat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] zo bewust en nauw met elkaar hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank (slechts) bewezen dat beide verdachten met elkaar hebben gereisd. Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij het transport heeft verricht in opdracht van ene [naam]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft steeds verklaard dat hij de cocaïne in opdracht van ene [naam] heeft vervoerd. Beide verdachten hebben verklaard dat zij ieder voor zich de bollen met cocaïne en de vliegtickets hebben gekregen. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk door een drugsorganisatie zijn geronseld en dat zij gezamenlijk de totale door hen geslikte hoeveelheid cocaïne hebben ingevoerd, maar (slechts) dat zij samen naar Nederland zijn gereisd. In zoverre is geen sprake van medeplegen van verdachte met zijn medeverdachte.

Echter, naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van medeplegen van de opzettelijke invoer van de door verdachte geslikte cocaïne, namelijk door verdachte met personen van de drugsorganisatie. Verdachte heeft immers van zijn opdrachtgever in Paraguay de bollen met daarin 1200 gram cocaïne in ontvangst genomen en die in zijn lichaam meegenomen naar Nederland, om vervolgens deze drugs in Spanje tegen een beloning van – naar hij heeft verklaard – USD 1000,-- weer aan iemand anders van de organisatie af te geven. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van 1200 gram cocaïne met zijn opdrachtgever en degene voor wie die cocaïne bestemd was.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake van het samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] plegen van de opzettelijke invoer van 2116,4 gram cocaïne zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vier en twintig) maanden met aftrek van de tijd welke verdachte reeds heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat alle voorwerpen vermeld op de beslaglijst verbeurd worden verklaard.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1200 gram van een materiaal bevattende cocaïne, waarbij verdachte ten behoeve van zijn mededaders als koerier heeft gefungeerd. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats. De rechtbank zal echter een vrijheidsstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, met name omdat de rechtbank - anders dan de officier van justitie - uitgaat van de door verdachte zelf ingevoerde hoeveelheid van ongeveer 1200 gram cocaïne. De rechtbank acht - gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het geval - een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden en in overeenstemming met de straffen die door de rechtbank in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. De rechtbank houdt daarbij rekening met de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling zoals deze per 1 juli 2008 geldt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur op haar plaats is.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat alle onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de vliegbescheiden, de formulieren en het geld (1000 USD), dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid met behulp van de vliegbescheiden, formulieren en het geld, waarvan verdachte heeft verklaard dat hij dat geld van [naam] gekregen had om daarmee op elke plek aan te tonen dat hij voldoende geld te besteden had, zodat dat geld mitsdien diende voor het welslagen van het cocaïnetransport. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit geld en die goederen aan verdachte toebehoren.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 33, 33a en 47.

Opiumwet: artikelen 2 en 10.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Vliegticket

- 1.00 STK Instapkaart

- 1.00 STK Instapkaart

- 1.00 STK Formulieren

- 1.00 STK Formulieren

- Geld buitenlands

10 bb van 100 dollar

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.H. Lips, voorzitter,

mr. R.E.A. Toeter en mr. L.M. Kos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.H.E. Laffrée,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2009.