Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0370

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
15/664116-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW, dodelijk ongeval; Verdachte is, alvorens in te stappen, om de voorzijde van de vrachtwagen heengelopen, daarbij om zich heen kijkend of er onder andere voetgangers aan komen lopen. Hij zag niemand naderen. Eenmaal in de vrachtwagen heeft verdachte de motor gestart, de verlichting van de vrachtwagen ontstoken en zijn gordel omgedaan. Nadat verdachte deze handelingen heeft uitgevoerd, heeft hij in de spiegels van de vrachtwagen gekeken, alsmede op de in de cabine aanwezige monitor, welke is verbonden met een camera die de situatie direct buiten de vrachtwagen aan de rechterzijde van de vrachtwagen weergeeft. Tenslotte heeft verdachte, alvorens de vrachtwagen daadwerkelijk in beweging te brengen, zich naar voren gebogen om te bekijken of niemand zich voor de vrachtwagen bevond. Gelet op voormeld geheel van gedragingen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte al die handelingen heeft verricht die redelijkerwijs van hem als beroepschauffeur verwacht mochten worden. Hieruit volgt dat niet is gebleken dat verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/43 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/664116-07

Uitspraakdatum: 23 maart 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 09 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 05 maart 2007 te Zaandam, gemeente Zaanstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto/truck met oplegger), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van de Volendamstraat en) de Langeweide, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden immers is hij, verdachte van uit stilstand, vanaf een laad en losplaats, (gelegen op de Langeweide), is weggereden op het moment dat een voetgangster, de Langeweide, althans eerder genoemde kruising overstak in elk geval zich voor hem op de rijbaan van die weg bevond, waarna en/of (mede) waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die voetgangster, waardoor die voetgangster (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

– bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

– oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis;

– een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd voor de duur van twee jaren;

– toewijzing van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] ingediende vordering tot vergoeding van de schade.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Niet is gebleken dat verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven, dat het zekerheidsbeginsel van verdachte vergde dat hij de vrachtwagen niet in beweging had mogen brengen voordat hij met zekerheid wist dat niemand voor zijn vrachtwagen liep. Het gegeven dat het slachtoffer zich in de dode hoek aan de voorzijde van de vrachtwagen heeft begeven, verdisculpeert verdachte niet aangezien de dode hoek binnen zijn invloedssfeer ligt.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of verdachte schuld had aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, LJN AO5322, NJ 2005, 252).

Uit het dossier met dossiernummer PL1100/07-001468 alsmede het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte, een ervaren beroepsvrachtwagenchauffeur, ter hoogte van de kruising Volendamstraat met de Langeweide te Zaandam is weggereden bij het winkelcentrum en daarbij een voetgangster, te weten [slachtoffer], heeft overreden. Verdachte had zijn vrachtwagen - als gevolg van de verkeerssituatie ter plaatse daartoe gedwongen - op een zodanige wijze geparkeerd, dat voetgangers, teneinde het trottoir te volgen, genoodzaakt waren voor de vrachtwagen langs (en derhalve op de weg) te lopen. Verdachte is, alvorens in te stappen, om de voorzijde van de vrachtwagen heengelopen, daarbij om zich heen kijkend of er onder andere voetgangers aan komen lopen. Hij zag niemand naderen. Eenmaal in de vrachtwagen heeft verdachte de motor gestart, de verlichting van de vrachtwagen ontstoken en zijn gordel omgedaan. Nadat verdachte deze handelingen heeft uitgevoerd, heeft hij in de spiegels van de vrachtwagen gekeken, alsmede op de in de cabine aanwezige monitor, welke is verbonden met een camera die de situatie direct buiten de vrachtwagen aan de rechterzijde van de vrachtwagen weergeeft. Tenslotte heeft verdachte, alvorens de vrachtwagen daadwerkelijk in beweging te brengen, zich naar voren gebogen om te bekijken of niemand zich voor de vrachtwagen bevond. Verdachte heeft verklaard het slachtoffer desondanks niet te hebben gezien, hetgeen ook aannemelijk is gelet op hetgeen is gerelateerd omtrent zitpositie 2 in het proces-verbaal verkeersongevalanalyse, reconstructie, pv-nummer Z07-016916. Het vervolgens in beweging zetten van de vrachtwagen heeft tot gevolg gehad het tragische ongeval, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] dodelijk werd verwond.

Gelet op voormeld geheel van gedragingen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte al die handelingen heeft verricht die redelijkerwijs van hem als beroepschauffeur verwacht mochten worden. Hieruit volgt dat niet is gebleken dat verdachte zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Dit leidt ertoe dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

5. Beslissing:

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van de schade.

6. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.A.F. Jansen, voorzitter,

mrs. F.F.W. Brouwer en mr J. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Hobo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2009.