Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0343

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/6377 & 09/808
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een zij- en achteraanbouw. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid nu er tot op de zitting onduidelijkheid bestond over de maatvoering en constructie van het bouwwerk, de tekeningen waarover de welstandscommissie beschikte en de versie van de Nota Erfbebouwing waaraan het bouwplan getoetst is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 6377 en 09-808

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2009

in de zaak van:

eisers,

wonende te [woonplaats]

gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partij,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. D.D. de Heer, advocaat te Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19, derde lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend aan [derde partij] voor het vergroten van de woning aan de [adres], door middel van het bouwen van een zij- en achteraanbouw en twee dakkapellen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 27 juni 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten onder de aanvulling dat ondoorzichtige vensters worden geplaatst in de zijgevel van de aanbouw.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 29 september 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2009, alwaar eisers zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C. Laan en M. Karmiggelt, beiden werkzaam voor de gemeente Zaanstad.

Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van nadere stukken van verweerder.

[derde partij] heeft zich op 15 januari 2009 tot de rechtbank gewend met het verzoek om deel te nemen aan het geding.

Verweerder heeft bij brief van 26 januari 2009 nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 12 februari 2009 hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 26 maart 2009 alwaar eisers in persoon zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C. Laan en S. Kouwenhoven, beiden werkzaam bij de gemeente Zaanstad. Voorts zijn [derde partij] en zijn echtgenote verschenen bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd en vergezeld van [naam], bouwkundige.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Het bouwplan – voor zover hier in geschil – voorziet in de realisatie een aanbouw van één bouwlaag met een plat dak aan de achtergevel en een aanbouw van twee bouwlagen aan de zijgevel. De bezwaren van eisers richten zich in het bijzonder tegen de tweede bouwlaag, omdat die hun uitzicht zal wegnemen.

Na realisatie van de aanbouw aan de zijgevel resteert minder dan 1 meter tot de erfgrens tussen het perceel van vergunninghouder en het perceel van eisers.

2.3 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Centrum II, Dorpsstraat”. De aanbouwen zijn gesitueerd op gronden met de bestemming “eengezinshuizen in half open bebouwing met bijbehorende erven (EHO)”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als EHO aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven met dien verstande dat: indien op de kaart geen andere maat is aangegeven de afstand van ieder vrijstaand huis of blok tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 2 m zal bedragen.

2.4 Niet in geschil is dat met realisering van de aanbouw aan de zijgevel niet wordt voldaan aan deze minimaal aan te houden afstand van 2 meter tot de zijdelingse perceelsgrens. Het bouwplan is op dit punt in strijd met het bestemmingsplan.

2.5 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Op grond van de Invoeringswet Wet op de ruimtelijke ordening blijft op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Aangezien de aanvraag om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de WRO van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

2.6 Nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan kan hiervoor slechts bouwvergunning worden verleend na het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19,derde lid, van de WRO. Verweerder heeft aanleiding gezien die vrijstelling te verlenen.

2.7 De bezwaren van eisers zijn tweeledig. Zij verwijten verweerder onzorgvuldig handelen. Daarnaast hebben kunnen zij zich niet verenigen met een zijaanbouw op de eerste verdieping.

2.8 Met betrekking tot het door eisers gestelde onzorgvuldig handelen door verweerder, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.9 Bij de bestudering van de stukken en de bespreking daarvan ter zitting is de rechtbank en daarna de voorzieningenrechter meermalen gestuit op onzorgvuldigheden en onduidelijkheden. Zo was op de zitting van 13 januari 2009 onduidelijk aan de hand van welke versie van de Nota Erfbebouwing het bouwplan getoetst was. Voorts bestond er onduidelijkheid over de tekeningen op grond waarvan de welstandscommissie tot haar advies is gekomen. Tot slot bestond onduidelijkheid over de maatvoering en constructie van het bouwwerk, alsmede over de berekening van het bebouwde oppervlak op het perceel van vergunninghouder.

2.10 De rechtbank heeft om proceseconomische redenen met instemming van eisers het onderzoek ter zitting op 13 januari 2009 geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld op eerdergenoemde punten helderheid te verschaffen. Verweerder heeft vervolgens verklaard dat het bouwplan is getoetst aan de Nota Erfbebouwing van 4 oktober 2007 en heeft toen die versie overgelegd. Voorts heeft verweerder de bouwtekeningen behorend bij het haalbaarheidsonderzoek van het bestreden bouwplan overgelegd en aangegeven dat de welstandscommissie haar advies op deze tekeningen heeft gebaseerd. Tot slot heeft verweerder een berekening van het bebouwde oppervlak op het perceel van vergunninghouder overgelegd alsmede een uiteenzetting over de maatvoering en constructie van het bouwplan.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat zelfs na deze nadere toelichting door verweerder, op de zitting van 26 maart 2009 nog onduidelijkheid bestond over de wijze van constructie van het dak van de zijaanbouw. Verweerder had ter zitting verklaard dat “het detail waardoor het leek alsof de dakconstructie van het bouwwerk niet uitvoerbaar was, aan de bouwtekening is toegevoegd in de vorm van een muurplaat”. [naam] voornoemd heeft daarentegen aan de hand van de door hem gemaakte en ingediende tekeningen 07-965 02a en 03a, – die nog niet van een stempel waren voorzien - getoond dat hij een andere constructie had ingetekend, te weten een kreupele stijl. Duidelijkheid op dit punt is temeer van belang nu eisers specifiek en voldoende gemotiveerd hebben bestreden dat er sprake was van een deugdelijke constructie.

2.12 Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.13 De voorzieningenrechter ziet met oog op mogelijke finale geschilbeslechting aanleiding om nader te bezien of er, mede gezien de verdere toelichting van partijen ter zitting, aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.14 Eisers betogen dat verweerder in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan, althans voor de zijaanbouw met puntdak voor zover dit boven de eerste verdiepingsvloer/denkbeeldig plat dak van de eerste bouwlaag uitkomt. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen van de Nota Erfbebouwing van 4 oktober 2007 (hierna: de Nota). Gezien op de maatvoering op de tekeningen zal de aanbouw in ieder geval 11 cm meer dan de toegestane 3 meter achter de achtergevel worden gerealiseerd.

2.15 In beleidsregel 4, onder b, sub 6 en 7 van de Nota is bepaald dat aanbouwen:

- ten minste 3 meter achter de voorgevel moeten liggen.

- een diepte mogen hebben van maximaal 3 meter achter de achtergevel.

2.16 Aan de hand van tekeningen zoals toegelicht ter zitting houdt de rechtbank het ervoor dat cruciaal is het feit dat de buitenmuur op de hoeken van het pand 11 cm uitsteken ten opzichte van voor- en achtergevel. Uitgaande van de voor- en achtergevel zelf voldoet aan het bouwwerk aan de maatvoering als genoemd in beleidsregel 4, sub b, onder 6 en 7. Nu de maatvoering cruciaal is, lag het niet voor de hand om op de kaart 07-965, 01 aan te geven dat de afstand 3110 bedraagt.

2.17 Ook het betoog van eisers dat de overstek van het dak, te weten de uitstekende dakpannen, betrokken dient te worden bij de meting van de diepte van de aanbouw achter de achtergevel met als gevolg dat de aanbouw meer dan 3 meter achter de achtergevel komt te liggen, treft geen doel. In de Nota zijn geen meetvoorschriften opgenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de 2 overhangende dakpannen met goot in dit geval terecht heeft aangemerkt als elementen van ondergeschikte aard.

2.18 De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat het bebouwde oppervlak op het perceel van vergunninghouder voldoet aan de eisen die ten aanzien daarvan zijn gesteld in de Nota.

2.19 Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het betoog dat het bouwplan op bepaalde punten niet voldoet aan de Nota, niet slaagt .

2.20 Eisers betogen in hun beroepschrift voorts dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, althans dat voor hen niet kenbaar was op welke tekeningen de welstandscommissie haar advies heeft gebaseerd.

Verweerder verwijst ter onderbouwing van het positieve welstandsadvies naar een preadvies van de welstandscommissie van 25 september 2007 dat is gegeven in het kader van het aan de daadwerkelijke vergunningverlening voorafgaande haalbaarheidsonderzoek. Nu nadien het bouwplan ongewijzigd is ingediend, ziet verweerder geen aanleiding zijn besluit niet op eerdergenoemd advies te baseren.

2.21 Eisers hebben, na kennis te hebben genomen van de tekeningen behorend bij het haalbaarheidsonderzoek, geconcludeerd - en ook ter zitting aldus aangegeven - dat het vergunde bouwplan qua uiterlijke kenmerken niet wezenlijk verschilt van de tekeningen van het haalbaarheidsonderzoek. De stelling dat niet kenbaar is op welke tekeningen de welstandscommissie haar advies heeft gebaseerd, althans dat de commissie zich bij haar advies heeft gebaseerd op afwijkende tekeningen, laten zij gelet hierop rusten. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding hier nader op in te gaan.

2.22 Eisers betogen evenwel dat verweerder, gelet op de bijzondere verkaveling - nu de voortuin van eisers grenst aan de achtertuin van vergunninghouder - en de belangen van eisers, in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij voeren daartoe aan dat de uitbouw te dicht bij de erfgrens komt en te massaal is met als gevolg verlies van uitzicht, doorzicht en privacy voor eisers die de woning op het naastgelegen perceel bewonen. Zij hebben ter onderbouwing hiervan tevens foto’s overlegd waarin het (uit)zicht vanuit hun woonkamer te zien is.

Het feit dat ondoorzichtige vensters geplaatst zullen worden in de zijgevel van de aanbouw maakt dit niet anders, met name gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2007 (zaaknummer 200607007/1,BA7091,) waarbij het veranderen van ondoorzichtige vensters in doorzichtige vensters als vergunningvrij bouwen is aangemerkt, aldus eisers.

2.23 Uit de ter zitting getoonde en in bezwaar reeds overgelegde foto’s komt naar voren dat realisering van het bouwplan gevolgen heeft voor het uitzicht vanuit een kamer waarin eisers naar hun zeggen veel vertoeven. De voorzieningenrechter betrekt in de afweging van de belangen echter dat de uitbouw circa 2 meter breed is en dat slechts voor 1 meter daarvan vrijstelling is vereist. Het overige deel had ook zonder vrijstelling gerealiseerd kunnen worden. Voorts maakt de Nota bebouwing tot op de erfgrens in beginsel mogelijk evenals het nieuwe bestemmingsplan “Centrum [naam]”, vastgesteld op 26 juni 2008, dat op dit moment ter goedkeuring ligt bij gedeputeerde staten. Ook voorziet het bouwplan in ondoorzichtige vensters in de zijgevel, zodat er voorlopig geen sprake is van zicht op het perceel van eisers.

2.24 De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.25 Gelet op het beleid van verweerder dat is neergelegd in de Nota, alsmede op de belangen van partijen, ziet de voorzieningenrechter in de situering van het perceel van eisers geen dringende reden om van dit beleid af te wijken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen komen tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen.

2.26 De conclusie is dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond.

Nu het beroep gegrond is verklaard, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.27 Gelet op hetgeen in 2.24 is overwogen bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.28 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1949,84 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0.5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting c.q. zitting van de voorzieningenrechter met een wegingsfactor 1.5 ad € 322,- per punt en voorts € 34,-- en € 17,09 aan kosten voor fotokopie bouwtekening en € 208,25 aan kosten bouwkundige).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2008;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1949,84, te betalen door de gemeente Zaanstad aan eisers;

3.6 gelast dat de gemeente Zaanstad het door eisers betaalde griffierecht van € 290,-- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, en op 2 april 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.