Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0326

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
AWB 09-1013 & 09-1015 & 09-1034 & 09-1035
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres. Hij heeft geconcludeerd dat zij een gezamenlijke huishouding voert met A. Verweerder heeft dit standpunt herhaald in het besluit over de tweede aanvraag. In bezwaar heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende feitelijke grondslag heeft aangevoerd voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Beide beroepen worden dan ook gegrond verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 1013 , 09-1015, 09-1034 en 09-1035 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2009

in de zaken van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2008 heeft verweerder de op 18 augustus 2008 gedateerde aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat eiseres geen recht heeft op een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande, aangezien zij samen met de heer [naam] wordt beschouwd als een gezin.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 november 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 november 2008 heeft verweerder de op 21 november 2008 gedateerde aanvraag van eiseres om toekenning van een WWB-uitkering afgewezen, omdat de situatie van eiseres niet is gewijzigd ten opzichte van de eerdere aanvraag van 18 augustus 2008.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 december 2008 bezwaar gemaakt.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 20 februari 2009, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze afzonderlijke besluiten heeft eiseres bij brief van 24 februari 2009 beroep ingesteld. Daarbij heeft zij de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Er is sprake van twee beroepszaken en twee verzoeken om voorlopige voorziening.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 23 maart 2009, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door C. Kreukniet, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Tevens was ter zitting aanwezig S. Azouagh, werkzaam ten kantore van de gemachtigde van eiseres.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Eiseres ontving over de periode tussen 8 september 2005 tot en met 19 juli 2008 van verweerder een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 15%. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft verweerder het recht van eiseres op een WWB-uitkering per 20 juli 2008 ingetrokken, omdat eiseres zonder toestemming te lang in het buitenland had verbleven. Eiseres heeft vervolgens op 18 augustus 2008 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Op 9 september 2008 heeft de intake plaatsgevonden. Verweerder heeft eiseres vervolgens bij brief van 9 september 2008 verzocht om een aantal nadere gegevens. Eiseres heeft op 19 september 2008 opnieuw een gesprek bij verweerder gevoerd. Dit gesprek is voortijdig beëindigd, waarna eiseres op 14 oktober 2008 nogmaals bij verweerder een gesprek heeft gevoerd. Hierna heeft op diezelfde datum bij eiseres een huisbezoek plaatsgevonden. Verweerder heeft vervolgens op grond van zijn bevindingen het besluit van 19 november 2008 genomen. Over de periode 8 tot en met 31 oktober 2008 heeft eiseres van verweerder een voorschot ontvangen van € 800,--. Verweerder heeft laatstgenoemd besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.3 Op 21 november 2008 heeft eiseres zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor een WWB-uitkering. Vervolgens heeft op 25 november 2008 bij verweerder het intakegesprek plaatsgevonden. Op grond hiervan heeft verweerder het besluit van 27 november 2008 genomen. Verweerder heeft ook dit besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.4 Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij wijst op het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat eiseres vanaf 15 augustus 2008 zonder inkomsten zit. Eiseres ontkent dat sprake is of was van een gezamenlijke huishouding met [naam]. Ook stelt eiseres dat verweerder eenzijdig gebruik maakt van oude gegevens uit 2005, 2006 en 2007. Hierbij betrekt verweerder ten onrechte de ontlastende gegevens niet. In dit verband wijst eiseres op een gegrond bezwaar uit 2006, toen dezelfde problematiek speelde als in augustus 2008. Daarnaast wijst zij erop dat zij met [naam] een zakelijke huurovereenkomst heeft gesloten en dat zij maandelijks € 250,-- aan huur betaalt voor een geschikte ruimte. Volgens eiseres kan uit de bevindingen van het huisbezoek niet worden afgeleid dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dat kan volgens eiseres evenmin worden afgeleid uit de verklaringen van getuigen of uit de waarnemingen. Ook stelt eiseres dat geen sprake is van wederzijdse verzorging. De reis naar Somalië is gefinancierd door een kennis, die hierover een verklaring heeft afgelegd. Tot slot stelt eiseres dat verweerder handelt in strijd met artikel 3 van het Internationale verdrag voor de rechten van het kind (IVRK). Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de echtgenote van [naam] inmiddels bij hem woont, wat de situatie van eiseres bemoeilijkt. Voorts heeft zij ter zitting benadrukt dat zij niet gezamenlijk met [naam] eet. Ook heeft zij verklaard dat zij voor haar en haar kind eten koopt van het geld van de zorgtoeslag en de kinderbijslag. Zij heeft voorts vanaf februari 2008 steeds de huur betaald, tot het moment waarop zij dat niet meer kon vanwege het ontbreken van een uitkering.

2.5 Verweerder stelt zich, zoals blijkt uit de verklaring van zijn gemachtigde ter zitting, op het standpunt dat geen sprake is van een commerciële kamerhuur, maar van een gezamenlijke huishouding gelet op de hoogte van de huurprijs, het ontbreken van een periodieke verhoging van de huurprijs, het niet betalen van de huur gedurende een langere periode en het feit dat [naam] voor het eten van eiseres en haar kind betaalt. Ook heeft de gemachtigde desgevraagd ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat eiseres eten koopt van het geld van de zorgtoeslag en de kinderbijslag.

2.6 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.7 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit dat betrekking heeft op het primaire besluit van 19 november 2008, verschillende feiten en omstandigheden heeft opgenomen, maar dat uit dat besluit onvoldoende duidelijk blijkt welke consequenties verweerder aan bedoelde feiten en omstandigheden verbindt. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd zijn standpunt toegelicht. Dit standpunt, dat ten grondslag ligt aan beide bestreden besluiten, is hiervoor opgenomen onder 2.5.

2.8 Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 3 WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.9 In het geval van eiseres staat vast dat zij en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiseres en [naam] sprake is van ‘zorg dragen voor elkaar’.

2.10 Ingevolge vaste jurisprudentie kan de wederzijdse verzorging blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Als van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

2.11 Voor het huren van een zolderkamer betaalt eiseres maandelijks een bedrag van € 250,--. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres geen reële huurprijs betaalt, zodat om die reden geen sprake zou zijn van commerciële huur. Voorts kan het enkele feit dat de huurprijs in de loop van de tijd niet is verhoogd, evenmin leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een commerciële huur. Verder heeft eiseres door middel van bankafschriften aangetoond, dat zij in ieder geval over de periode mei 2008 tot en met augustus 2008 haar huur steeds heeft betaald. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij ook de huur over februari tot en met april 2008 heeft voldaan. Verweerder heeft dit niet bestreden. Wel heeft verweerder erop gewezen dat eiseres na augustus 2008 geen huur meer heeft betaald. Hierover heeft eiseres verklaard dat zij de huur niet meer kon betalen als gevolg van het feit dat zij geen bijstandsuitkering meer ontving. De voorzieningenrechter acht dit een plausibele verklaring. De hoogte van de huurprijs die eiseres aan [naam] betaalt alsmede het gedurende een periode niet betalen van deze huurprijs zijn in dit geval niet voldoende om te kunnen concluderen dat tussen eiseres en [naam] sprake is van ‘zorg dragen voor elkaar’.

2.12 Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [naam] voor het eten van eiseres en haar kind betaalt. De gedingstukken bevatten geen aanknopingspunten voor de juistheid van voormelde stelling van verweerder. Bovendien heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij voor zichzelf en voor haar kind eten koopt van het geld van de zorgtoeslag en de kinderbijslag. De gemachtigde van verweerder heeft dit niet betwist. Niet aannemelijk is dan ook geworden dat [naam] betaalt voor het eten van eiseres en haar kind.

2.13 De door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden zijn ofwel niet aannemelijk geworden of vormen onvoldoende grondslag voor verweerders standpunt dat in het geval van eiseres en [naam] sprake is van wederzijdse zorg. Deze is dan ook niet aannemelijk geworden. Dit brengt met zich dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij eiseres en [naam] sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het beroep dat ziet op het bezwaar tegen het primaire besluit van 19 november 2008 is dan ook gegrond en het bestreden besluit met kenmerk MS/JZ/2008/202290 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3, derde lid, WWB. Het beroep dat ziet op het bezwaar tegen het primaire besluit van 27 november 2008 is eveneens gegrond, omdat verweerder in het bestreden besluit met kenmerk MS/JZ/2008/225292 overweegt dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het primaire besluit van 19 november 2008. Ook dit bestreden besluit moet dus worden vernietigd. Gelet hierop behoeft hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, geen bespreking.

2.14 Aangezien beide beroepen gegrond zullen worden verklaard, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal beide verzoeken daartoe dan ook afwijzen.

2.15 De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding op grond van artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. De besluiten van 19 en 27 november 2008 zullen worden herroepen en de voorzieningenrechter zal verweerder opdragen aan eiseres met ingang van 18 augustus 2008 een WWB-uitkering te verlenen gebaseerd op de voor haar geldende bijstandsnorm.

2.16 Voorts bestaat, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 Awb, aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Die kosten (voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand) dienen krachtens het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld te worden op € 966,00 (een punt voor het indienen van twee samenhangende beroepschriften, een punt voor het indienen van twee samenhangende verzoeken om voorlopige voorziening en een punt voor het verschijnen ter zitting). De zaken zijn gemiddeld qua zwaarte. Nu ten behoeve van eiseres een toevoeging is afgegeven ingevolge de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart beide beroepen gegrond;

3.2 vernietigt beide besluiten van 20 februari 2009;

3.3 herroept de primaire besluiten van respectievelijk 19 en 27 november 2008;

3.4 bepaalt dat met ingang van 18 augustus 2008 aan eiseres een WWB-uitkering wordt verleend, gebaseerd op de voor haar geldende bijstandsnorm;

3.5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

3.6 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,--, welk bedrag de gemeente Haarlem dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.7 gelast dat de gemeente Haarlem het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 82,-- aan haar vergoedt;

3.8 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op

30 maart 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaken betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.