Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH9906

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
15/700275-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU4195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen. Inbeslagneming. Doorzoeking.

Verzoek tot heropening afgewezen. Verweer onrechtmatige inbeslagneming verworpen. Verdachte is er niet in geslaagd de legale herkomst van de onder hem aangetroffen en inbeslaggenomen vermogensbestanddelen aannemelijk te maken, zodat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan dan dat deze uit enig misdrijf afkomstig zijn. Witwassen van een geldbedrag en een personenauto bewezen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 28 gram hennep in zijn woning. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, een geldboete van 20.000 euro terzake witwassen en een geldboete van 500 euro terzake het aanwezig hebben van hennep. Artikel 23, 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 62 en 420bis Wetboek van Strafrecht. Artikel 3 en 11 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700275-08

Uitspraakdatum: 25 maart 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Ierland),

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

primair

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] te Hoofddorp) een hoeveelheid van 46 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] te Hoofddorp) een hoeveelheid van 28 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amstelveen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (op 8 april 2008) een geldbedrag van 5.210,00 euro en/of een geldbedrag van 8.500,00 euro, althans (een) geldbedrag(en) en/of (in de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008) een auto (merk: Mercedes, [kenteken]), althans een geldbedrag ter aanschaf van deze auto, heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of de voornoemde personenauto, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging met betrekking tot hetgeen onder 1 subsidiair is tenlastegelegd. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat artikel 11 lid 6 van de Opiumwet (OW), ook al betreft het hier tenlastegelegde feit een overtreding en geen misdrijf, analoog toegepast dient te worden zodat geen vervolging plaats had mogen vinden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 11 lid 6 van de Opiumwet verklaart lid 2 van het artikel, dat ziet op het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D van die wet gegeven verbod (misdrijven, derhalve), niet van toepassing wanneer het feit betrekking heeft op een hoeveelheid hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram. Vooropgesteld wordt dat het zesde lid van artikel 11 OW niet ziet op de overtreding van artikel 11, eerste lid van die wet. Voorts heeft het volgende te gelden. Met dit artikelonderdeel (het zesde lid) heeft de wetgever de overdracht van kleine hoeveelheden van dergelijke stoffen tussen gebruikers onderling onder de lagere strafbedreiging van artikel 11, eerste lid, OW willen brengen. Het is geenszins de bedoeling van de wetgever geweest om de mogelijkheid tot vervolging of de strafbaarheid van het tenlastegelegde uit te sluiten. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie, nu ook overigens geen grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring, ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er ook geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Beslissing omtrent het subsidiair gedane verzoek tot heropening

De raadsman van verdachte heeft primair tot vrijspraak geconcludeerd en subsidiair verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om de zus van verdachte, de vader van verdachte en zakenrelatie [betrokkene 1] te doen horen als getuigen teneinde aanvullende informatie te verkrijgen over hoe verdachte heeft voorzien in zijn levensonderhoud.

De primaire conclusie ziet op het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het subsidiaire verzoek ziet op de vraag of de rechtbank voldoende voorgelicht is om tot een oordeel over het bewijs te kunnen komen. Het subsidiaire verzoek dient derhalve eerst te worden besproken, voordat de rechtbank haar oordeel over het bewijs kan geven.

De ter terechtzitting van 11 maart 2008 door de raadsman van verdachte uitgesproken onderzoekswensen zijn niet eerder ter kennis van de officier van justitie gebracht, zodat ten aanzien van die verzoeken de rechtbank als maatstaf voor de beoordeling daarvan heeft te hanteren of inwilliging van het verzoek de rechtbank noodzakelijk voorkomt.

De rechtbank acht het verzoek tot het horen van getuigen, in het licht van het door de officier van justitie samengestelde dossier, vaag en weinig specifiek en daarmee onvoldoende onderbouwd. Daarenboven acht de rechtbank de eerst ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaringen omtrent de herkomst van het geld weinig concreet, (deels) niet verifieerbaar en ook overigens niet aannemelijk. Aan het vorenstaande verbindt de rechtbank de gevolgtrekking dat in het voorliggende geval er geen noodzaak bestaat tot het alsnog doen horen van de genoemde getuigen. Gelet hierop en nu het onderzoek ook overigens volledig is geweest, bestaat geen aanleiding voor heropening van het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank wijst het verzoek tot heropening teneinde getuigen te horen af.

3.2. Vrijspraak

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet is bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 46 gram van een materiaal bevattende hennep kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte enige wetenschap had van de hoeveelheid van 18 gram van een materiaal bevattende hennep die [medeverdachte] bij zich droeg, en evenmin dat de stof zich in de machtssfeer van verdachte bevond. Naar de officier van justitie ter terechtzitting heeft toegelicht moet de tenlastelegging aldus worden begrepen dat bij bewezenverklaring van het bezit van 46 gram het primair tenlastegelegde misdrijf bewezen moet worden verklaard, terwijl bij bewezenverklaring van het bezit van de kleinere hoeveelheid van 28 gram de subsidiair tenlastegelegde overtreding bewezen kan worden. Nu de rechtbank slechts het aanwezig hebben van 28 gram hennep bewezen acht, dient verdachte derhalve van dit primaire feit te worden vrijgesproken.

3.3. Partiële vrijspraak

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde voorwerp ‘een geldbedrag van € 5.210’ aangevoerd dat dit bedrag toebehoort aan de broer van verdachte, [broer verdachte], en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De rechtbank volgt de raadsman in het gevoerde verweer en overweegt hiertoe het volgende. Het genoemde bedrag is volgens verdachte van zijn broer [broer verdachte]. De broer van verdachte heeft zelf ook verklaard dat het geldbedrag van € 5.210 hem toebehoort (dossierpagina 128 e.v.). Er kan ook overigens niet wettig bewezen worden dat verdachte enige feitelijke zeggenschap heeft gehad ter zake van deze € 5.210. De rechtbank zal derhalve verdachte van dit onderdeel van het onder 2 tenlastegelegde feit vrijspreken.

3.4. Bewijsverweer

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde voorwerp ‘een geldbedrag van € 8.500’ geconcludeerd tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering als gevolg van de onrechtmatigheid van de inbeslagneming van voornoemd bedrag. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Blijkens de processen-verbaal van bevindingen en binnentreden (dossierpagina’s 39 e.v. en 47 e.v.) is de politie met een machtiging de woning binnengetreden. De politie mocht de woning betreden ter inbeslagname van een vermoedelijke hennepkwekerij (dossierpagina 53). Dit houdt in dat de politie de woning niet mocht doorzoeken, maar slechts zoekend mocht rondkijken. Een met de politie meegekomen Nuon-medewerker heeft echter op enig moment in de slaapkamer, waar hij in het kader van het aan hem opgedragen onderzoek naar mogelijk illegaal gebruik van elektra niet had hoeven komen, een ladekastje geopend waardoor een geldbedrag in coupures van 50 eurobiljetten zichtbaar is geworden. Daarmee heeft, aldus de raadsman, onder de verantwoordelijkheid van de politie een doorzoeking plaatsgevonden zonder dat hier toestemming voor was verleend. Het aantreffen van het bedrag van € 8.500 tijdens het binnentreden van de woning kan aan de politie worden toegeschreven. Er is hier sprake van een onrechtmatige verkrijging, die niet gedekt wordt door de latere, door de rechter-commissaris uitgevoerde inbeslagneming.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe het volgende.

De machtiging tot binnentreden van de [adres 1] te Hoofddorp hield in dat de politie de woning zonder toestemming van de bewoner mocht betreden zulks ter inbeslagname van een vermoedelijke hennepkwekerij. In dat kader is het toegestaan dat de politie zoekend rondkijkt in alle vertrekken, derhalve ook in de slaapkamers, van de woning. In de onderhavige woning is tijdens het binnentreden daarvan geen hennepkwekerij aangetroffen. Omdat er niettemin een zeer sterke henneplucht in de woning werd waargenomen en er in de woning mogelijk, naast de reeds aangetroffen zakjes met henneptoppen, meer verdovende middelen waren verborgen, heeft de rechter-commissaris vervolgens, op vordering van de officier van justitie, in de woning een doorzoeking ter inbeslagneming gedaan (o.a. dossierpagina’s 49 en 55). Daarbij zijn onder meer in een ladekastje in de slaapkamer 170 biljetten van € 50 inbeslaggenomen. Deze inbeslagname heeft rechtmatig plaatsgevonden en het aangetroffen geldbedrag mag bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Dat de medewerker van Nuon tijdens het binnentreden van de woning eerder op de dag de lade van het bewuste kastje in de slaapkamer heeft opengetrokken, verandert daaraan niets nu dit – ongeoorloofde – spontane handelen van deze medewerker niet kan worden toegerekend aan de politie en het openbaar ministerie en er na dit handelen adequaat is gereageerd door de aanwezige verbalisant.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten onder 1 subsidiair en onder 2 heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

subsidiair

hij op 8 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 1] te Hoofddorp een hoeveelheid van 28 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

hij in de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amstelveen, voorwerpen, te weten op 8 april 2008 een geldbedrag van 8.500,00 euro, en in de periode van 24 september 2007 tot en met 8 april 2008 een auto, merk: Mercedes, [kenteken], heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.6. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Het klopt dat ik op 8 april 2008 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in een pand aan de [adres 1] een hoeveelheid van 28 gram hennep aanwezig heb gehad.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal binnentreden d.d. 8 april 2008 (dossierpagina 47 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Naar aanleiding van eerdere meldingen betreffende een hennepgeur werd een onderzoek ingesteld op het adres [adres 1] te Hoofddorp. In de woning werd een aantal sealbags met henneptoppen aangetroffen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte verkort voorgeleidingsproces-verbaal d.d. 10 april 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Er werd op 8 april 2008 in de woning een kleine hoeveelheid henneptoppen (weed) aangetroffen, na weging 28 gram.

Ten aanzien van feit 2:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Het klopt dat ik in de woning aan de [adres 1] te Hoofddorp woonde. Ik had een vriendin, [vriendin verdachte]. Zij verbleef daar met mij. De woning is van haar, daarom is mijn GBA-adres het adres [adres 2] te Diemen.

Het klopt dat ik via [getuige 1] de auto, merk Mercedes met [kenteken], heb gekocht. [getuige 1] heeft de auto op zijn naam laten zetten. Ik rijd in de auto en betaal alle kosten.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal binnentreden d.d. 8 april 2008 met als bijlage het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (dossierpagina 47 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Naar aanleiding van eerdere meldingen betreffende een hennepgeur werd een onderzoek ingesteld op het adres [adres 1] te Hoofddorp. Met een machtiging Binnentreden woning tegen de wil van de bewoner, werd de woning op 8 april 2008 om 8.40 uur betreden. In de woning werden een aantal sealbags henneptoppen en 7 mobiele telefoons aangetroffen. Op 8 april 2008 te 14.20 uur werd na de aankomst van de rechter-commissaris, de zoeking geopend en werd de woning doorzocht. In de woning werd een aantal goederen in beslag genomen waaronder € 8500 alsmede een in de parkeergarage geparkeerde Mercedes personenauto gekentekend [kenteken].

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2008 (dossierpagina 60), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Verbalisanten spraken met [betrokkene 2], verkoopadviseur personenwagens Mercedes-Benz van het bedrijf Stern Auto BV. [betrokkene 2] verklaarde: ‘Op 24 september 2007 heb ik een auto verkocht aan [getuige 1] voor het bedrag van 83.691,39 euro. Dit was een Mercedes-Benz C 320 CDI voorzien van het kenteken [kenteken]. Door [getuige 1] zijn twee auto’s ingeruild, hij heeft een deel van het aankoopbedrag middels een bankoverschrijving betaald en hij heeft een deel contant betaald. [getuige 1] heeft een BMW 730 ingeruild, hier heb ik 27.140,81 euro voor gegeven. De andere auto die [getuige 1] heeft ingeruild is een Mercedes-Benz E 320 DCI, hier heb ik een bedrag van 26.000,58 euro voor gegeven. [getuige 1] heeft een bedrag van 17.000 euro betaald middels een bankoverschrijving. [getuige 1] is de dagen voor de koop een paar keer in ons bedrijf geweest. Een keer was hij in gezelschap van een andere man.’

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 20 april 2008 (dossierpagina 113 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer als verklaring van [getuige 1]:

Het klopt dat ik in september 2007 een auto heb gekocht voor ruim 83.000 euro bij het bedrijf Stern in Amstelveen. Het is de auto van een vriend, [verdachte]. Met [verdachte] ben ik naar Stern in Amstelveen gegaan. [verdachte] vroeg of ik de auto voor hem wilde kopen en op mijn naam wilde zetten. Ik heb toen gezegd dat ik dat wel wilde doen. Het was een Mercedes, een nieuwe C-Klasse. Er is een auto ingeruild en er moest nog een bedrag van 45.000 betaald worden, maar de hoogte van het bedrag weet ik niet helemaal zeker. Dit geld is op mijn rekening gestort. Ik weet niet van wie zijn rekening het geld is gekomen. Ik heb het geld toen overgemaakt naar Stern. Ik heb een bedrag van 17.000 euro overgemaakt. Het klopt dat een deel van het aankoopbedrag contant is betaald. Dat zou best 13.500 euro kunnen zijn. Dat heb ik overigens niet betaald. Dat heeft [verdachte] betaald. Ik heb gezien dat ik een auto heb ingeruild, dat was een BMW. [verdachte] reed in die BMW. Een tweede auto zegt me niets. De auto staat op mijn belastingaangifte, in box 3.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 20 april 2008 (dossierpagina 117 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer als verklaring van [getuige 1]:

De verzekering voor de Mercedes die ik heb gekocht en waar [verdachte] in rijdt staat op mijn naam. Ik krijg de rekening, maar hij betaalt het uiteindelijk. [verdachte] betaalt alles wat direct of indirect betrekking heeft op de Mercedes. De kentekenbewijzen en overschrijvingsbewijs liggen in de auto. [verdachte] is eigenaar. [verdachte] zou op het kentekenbewijs moeten staan. Ik kreeg van [verdachte] wel wat voor die vriendendienst. Als er rekeningen moeten worden betaald geeft hij meestal wat extra. Een paar tientjes of zo, soms honderd euro. Ten opzichte van de belastingdienst heb ik wel verhuld dat iemand anders eigenaar is van de Mercedes en dat geld ook voor het RDW.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2008 met bijlagen (dossierpagina 61 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Middels een vordering verstrekking historische gegevens zijn bij de belastingdienst de financiële gegevens opgevraagd van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en wel vanaf de periode januari 2000 tot 18 april 2008 (zie bijlage I). Volgens de voorlopige gegevens van de belastingdienst had [verdachte] in de eerste helft van 2003 een bruto jaarinkomen van 10.598, - euro. Van de periode 2005 en 2006 zijn bij deze dienst geen loongegevens bekend, waardoor het inkomen door de belastingdienst is vastgesteld op nihil. Winst uit onderneming is niet bij de belastingdienst bekend (bijlage II).

3.7. Bewijsoverweging

De raadsman heeft namens verdachte, in aanvulling op de hiervoor reeds besproken punten, nog het volgende aangevoerd met betrekking tot feit 2. In de rechtspraak is er een ontwikkeling te ontwaren waarin de bewijslast dat voorwerpen niet afkomstig zijn uit enig misdrijf steeds meer op de verdachte komt te liggen. Dit is niet zoals het strafrecht is bedoeld. De raadsman wijst er dan ook op dat het de taak van het openbaar ministerie is om met het bewijs te komen dat dergelijke voorwerpen wél afkomstig zijn uit enig misdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie in onderhavige zaak heeft aangetoond dat verdachte in het bezit was van een aanzienlijk contant geldbedrag van € 8.500, aangetroffen in de luxe ingerichte woning waar verdachte woonde, en een Mercedes-Benz van ruim € 83.000, terwijl verdachte in die periode geen enkele bekende bron van inkomsten had. De auto stond bovendien op naam van een derde die heeft verklaard aldus te hebben verhuld wie de werkelijke eigenaar van de Mercedes was en daarvoor ook een vergoeding te hebben ontvangen van verdachte. Onder die omstandigheden mag naar het oordeel van de rechtbank van verdachte worden verwacht dat hij de legale herkomst van de onder hem aangetroffen vermogensbestanddelen aannemelijk maakt.

Verdachte is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

Over het aangetroffen contante geldbedrag van € 8.500 heeft verdachte niets willen verklaren.

Met betrekking tot de Mercedes is betoogd dat verdachte de aanschaf van die auto heeft kunnen bekostigen met geld dat hij heeft ontvangen van zijn zus, [zus verdachte], en een inruilauto die hij had gekregen van zijn vader. Ter onderbouwing van deze stelling is een tweetal bankafschriften van de zus van verdachte overgelegd, waaruit blijkt dat zij in februari 2002 en in januari 2004 aanzienlijke, legale geldbedragen heeft ontvangen. Tevens is overgelegd een (Engelstalig) briefje d.d. 10 maart 2009 van deze zus van verdachte. De aangeschafte auto is vervolgens op naam van een ander, [getuige 1], gezet omdat verdachte naar hij ter terechtzitting heeft verklaard problemen had bij het afsluiten van een betaalbare autoverzekering, in verband met een eerder aan verdachte opgelegde rijontzegging.

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard inkomsten uit de verkoop van horloges te hebben gehad.

Het briefje van de zus van verdachte en het enkele feit dat zij tweemaal grote geldbedragen op haar rekening heeft ontvangen, zijn naar het oordeel van de rechtbank evenwel volstrekt onvoldoende om de legale herkomst van de onder verdachte aangetroffen vermogensbestanddelen te onderbouwen of zelfs maar een begin van aannemelijkheid daarvan te maken. Zo is er geen enkel stuk overgelegd waaruit de geldstroom van de zus van verdachte naar verdachte (en vervolgens naar [getuige 1]) blijkt. Bovendien zijn tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] bankafschriften van verdachte gevonden waaruit blijkt dat er regelmatig grote bedragen contant werden gestort op zijn rekening. Deze stortingen vonden ook al plaats voordat verdachtes zus gelden ontving. Bovendien valt niet in te zien waarom ondersteuning door de zus contant zou moeten plaatsvinden. Daar komt nog bij dat verdachte de Mercedes door een ander, door [getuige 1], heeft laten kopen en vervolgens deze [getuige 1] tevens heeft gevraagd om de auto op zijn naam te laten zetten, terwijl verdachte zelf gebruik maakte van de auto. [getuige 1] ontving geld voor deze ‘vriendendienst’. De door verdachte ter terechtzitting aangevoerde reden voor deze constructie, acht de rechtbank ongeloofwaardig en wordt op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt overigens dat verdachte in de voorafgaande jaren tevens heeft beschikt over een andere (dure) auto, een Lexus, die wel op zijn naam geregistreerd heeft gestaan terwijl ook toen al de rijontzegging aan verdachte was opgelegd.

Voorts is door de verdachte verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode gedeeltelijk heeft voorzien in zijn levensonderhoud door inkomsten uit de verkoop van horloges. Het ter onderbouwing van deze stelling door verdachte overgelegde faxbericht ‘sale or return goods’ d.d. 5 januari 2008 van een bedrijf genaamd A.M. Trading te Antwerpen, betrekking hebbende op een viertal, niet genummerde horloges, biedt op zichzelf geen enkele steun aan de bewering dat verdachte zich bedrijfsmatig met de handel in horloges heeft bezig gehouden. Verdachte heeft verder verklaard in het geheel geen administratie te hebben bijgehouden van de genoemde handel in de tenlastegelegde periode en heeft zich evenmin als ondernemer laten registreren bij de belastingdienst. De rechtbank acht het onaannemelijk dat van een activiteit waarmee iemand gedurende een langere periode in zijn inkomen heeft voorzien geen documentatie beschikbaar is en hecht daarom ook geen geloof aan de verklaring van verdachte op dit punt.

De rechtbank concludeert dat, nu verdachte er niet in is geslaagd de legale herkomst van de onder hem aangetroffen en inbeslaggenomen vermogensbestanddelen aannemelijk te maken, het gegeven de omstandigheden zoals daarvan is gebleken uit het dossier niet anders kan dan dat deze uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht gelet op het voorgaande het onder 2 tenlastegelegde feit met betrekking tot de onderdelen ‘een geldbedrag van 8.500,00 euro’ en ‘een auto merk: Mercedes, [kenteken]’ dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

- ten aanzien van feit 1 subsidiair: handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; en

- ten aanzien van feit 2: witwassen, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van hetgeen onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met een proeftijd van twee (2) jaren;

- oplegging van een geldboete ter hoogte van € 25.000 subsidiair honderd en zestig (160) dagen hechtenis;

- verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten de voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1 t/m 13, 18, 22, 30 en 31;

- onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten de voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 14, 15, 17 en 23;

- teruggave van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten de voorwerpen op de beslaglijst vermeld onder de nummers 16, 21, 24, 25 en 26; en

- teruggave aan de uitgevende instantie van een rijbewijs, welke op de beslaglijst is vermeld onder nummer 19.

6.2. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overtreding, hij heeft in zijn woning een hoeveelheid van 28 gram van een materiaal bevattende hennep aanwezig gehad. Hennepproducten als hasjiesj en wiet zijn slecht voor de gezondheid van de gebruikers.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een misdrijf, te weten het witwassen van een geldbedrag en een personenauto. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken, hetgeen een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent. Verdachte heeft hiermee ook indirect het plegen van misdrijven zelf bevorderd, want zonder personen als verdachte die aan criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat voor het misdrijf een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze vooralsnog niet ten uitvoer gelegd zal worden en zal daaraan een proeftijd van twee (2) jaren verbinden opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te plegen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat voor de bewezen verklaarde overtreding (feit 1 subsidiair) een aparte geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd.

De op te leggen straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

6.3. Beslag

6.3.1. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de personenauto vermeld op de beslaglijst onder nummer 9, dient te worden verbeurd verklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte dit aangetroffen voorwerp heeft witgewassen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld, te weten een bedrag van € 8.500, vermeld op de beslaglijst onder nummer 5, dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte dit aangetroffen geldbedrag heeft witgewassen.

6.3.2. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de voorwerpen vermeld op de beslaglijst onder nummers 14, 15, 17 en 23, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 62 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

3 en 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde misdrijf (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee (2) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde misdrijf (feit 2) tot een geldboete van € 20.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door honderd en vijfendertig (135) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde overtreding (feit 1 subsidiair) tot een geldboete van € 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien (10) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd:

5) Geld Euro in brief.50,00 aangetrof.nachtkas.gr.slaapk. nr. 1; en

9) 1.00 STK Personenauto [kenteken] MERCEDES-BENZ C320 CDI Kl:zwart in garage ond.app.comp.aangetrof.[getuige 1] eig.Afs..

Onttrekt aan het verkeer:

14) 16.00 STK Papier Kl:meerkleur vloeipapier en jointtips, aangetr in mandje op eet;

15) 1.00 STK Diverse vermaler en zakje hennepgruis aangetr in mandje op;

17) 7.00 STK Hennep Kl:groen 7 hennepsealbags met op sommige verpakk "sweet Too; en

23) 1.00 STK Hennep Kl:groen zakje met kleine hoeveelheid+vloeitjes aangetr in.

Gelast de teruggave aan rechthebbende van:

2) Geld Euro aangetrof. in mandje op de eettafel;

3) Geld Euro in brief.van 50,00 aangetrof. op salontafel woonk.; en

4) Geld Euro in brief.van 50,00 aangetrof op eettaf.in woonk..

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1) Geld Euro geld zat in portemennee, in tas;

6) 1.00 STK Horloge Kl:zilver HARRY WINSTON automatiq. gr.slaapk.in dressor;

7) 1.00 STK Horloge Kl:zwart BULGARI automaat aangetrof.in kluis slaapk.;

8) 1.00 STK Halsketting Kl:goud aangetrof.in kluis slaapk.;

11) 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart SONY ERICSSON mobiel;

12) 1.00 STK Telefoontoestel Kl:beige NOKIA mobiel;

13) 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver NOKIA mobiel;

16) 1.00 STK Agenda Kl:blauw aangetr op eettafel id woonkamer;

18) 13.00 STK Telefoonkaart Kl:meerkleur ORTEL 2 kaarten van ortel van 20 euro per stuk, 11 krt v;

21) 1.00 STK Tas Kl:zwart ELBA aktetas vakken met daarin administratie en bankafschriften;

22) 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver NOKIA mobiel aangetroffen in kledingkast in slaapkamer (numm 1);

24) 1.00 STK Diverse Kl:wit tekst: rojo makalaars, [verdachte] sales advi;

25) 1.00 STK Diverse 0084027432 verschilldende saldo weergaven, aangetr in tas op;

26) 2.00 STK Diverse 2 dozen met administratie, aangetr in kledingkast;

30) 4.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs NOKIA 1600 imei [nummer] nolia 1600,tas van [verdachte], [nummer]; en

31) 5.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver NOKIA aangetr op eettafel in woonkamer,4xnokia 1600IE.

Gelast de teruggave aan de uitkerende instantie van:

19) 1.00 STK Rijbewijs B en W onv [naam], [geboortedatum];aangetr op dressoir.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Snitker, voorzitter,

mr. E.C.M. van Mierlo en mr. T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Zoethout,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2009.

mr. J. Snitker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.