Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH9554

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08/4068
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten bezwaarfase. Voorlopge aanslag opgelegd aan de hand van bekende gegevens uit meest recente belastingjaar. Geen sprake van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/27.9 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0592 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4068

Uitspraakdatum: 5 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.738, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 179.411 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.740 (de voorlopige aanslag).

1.2. Gemachtigde van eiser heeft tegen deze voorlopige aanslag bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om een kostenvergoeding ex artikel 7:15, tweede lid, Awb.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 april 2008 de voorlopige aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.738 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.740. Bij aparte brief van 11 maart 2008 is het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

1.4. Eiser heeft tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 22 april 2008.

1.5. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Namens eiseres is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. (De gemachtigde van) eiser heeft bij brief van 21 november 2007 verweerder verzocht om een voorlopige aanslag ib/pvv 2007 op te leggen in verband met een ontvangen dividenduitkering in dat jaar.

2.2. Aan eiser is voor het jaar 2008 eveneens een voorlopige aanslag ib/pvv opgelegd. Deze aanslag is met behulp van het computersysteem van verweerder automatisch vastgesteld en is gebaseerd op de bij verweerder bekende gegevens uit het meest recente belastingjaar, namelijk de op verzoek van eiser opgelegde voorlopige aanslag ib/pvv 2007.

2.3. De gemachtigde van eiser heeft met dagtekening 18 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag ib/pvv 2008, daar bij het opleggen van de voorlopige aanslag ten onrechte rekening is gehouden met inkomsten uit aanmerkelijk belang in dat jaar.

2.4. De voorlopige aanslag ib/pvv 2008 is met dagtekening 25 april 2008 verminderd conform het ingediende bezwaarschrift. Op het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de bezwaarprocedure is door verweerder bij aparte brief van 11 maart 2008 beslist. Het verzoek is door verweerder afgewezen.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiser recht heeft op een vergoeding van de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met behandeling van zijn bezwaar.

3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige aanslag 2008 ten onrechte tot een onjuist bedrag is opgelegd. In 2007 was sprake van een incidentele bate, welke niet mede als grondslag had mogen dienen voor het opleggen van de voorlopige aanslag 2008.

3.3. Verweerder stelt dat hij bij het opleggen van een voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt waarbinnen hij mag opereren. Verweerder is daarbij van oordeel dat hij in dit concrete geval deze marge in redelijkheid niet heeft overschreden, omdat hij het incidentele karakter van de inkomsten uit aanmerkelijk belang niet had hoeven onderkennen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, tweede volzin, Awb, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase bij de beslissing op het bezwaar. Verweerder heeft op voornoemd verzoek (afwijzend) beslist bij aparte brief van 11 maart 2008. In deze brief staat dat deze beslissing deel uitmaakt van de uitspraak op het bezwaarschrift dat eiser inmiddels heeft ontvangen of binnenkort zal ontvangen. De rechtbank zal deze brief daarom aanmerken als een nadere motivering van de uitspraak op bezwaar van 25 april 2008. Tussen partijen is niet in geschil dat deze verminderingsbeschikking van 25 april 2008 als uitspraak op bezwaar heeft te gelden en de rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Voorts ziet de rechtbank geen reden het premature beroepschrift, dat op 22 april 2008 bij de rechtbank is binnengekomen, niet-ontvankelijk te verklaren nu de (afwijzende) beslissing op het verzoek om proceskosten in de bezwaarfase reeds tot stand was gekomen bij de brief van 11 maart 2008. De rechtbank acht eiser derhalve ontvankelijk in zijn beroep.

Ten gronde

4.2. In geschil is of eiser recht heeft op (forfaitaire) vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten. Tussen partijen is, zo de rechtbank begrijpt, enkel in geschil of sprake is van een “wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” (artikel 7:15, tweede lid, Awb).

4.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vuistregel is dat een belastingplichtige recht heeft op een proceskostenvergoeding wanneer hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Uit de nota van toelichting bij het besluit van 25 februari 2002 (Stb. 2002, 113) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) De bezwaarschriften gericht tegen een voorlopige aanslag op grond van artikel 13 van de Algemene wet rijksbelastingen behoren daar in beginsel niet toe. Voorlopige aanslagen voldoen niet aan het hiervoor genoemde vergoedingscriterium, zoals dat is vastgelegd in artikel 7:15, tweede lid, Awb. Voorlopige aanslagen zijn namelijk gebaseerd op schattingen omdat de grootte van de belastingschuld pas kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Indien een voorlopige aanslag wordt herroepen, na indiening van een bezwaarschrift, is er in beginsel geen sprake van onrechtmatigheid.”

4.4. Daarbij is voorts het karakter van de voorlopige aanslag van belang. Artikel 13, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt voor zover hier van belang:

“1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. (…)”

4.5. Aan deze bepaling is nader uitvoering gegeven in artikel 23 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (URAWR). Het eerste en tweede lid luiden – voor zover hier van belang als volgt:

“1. De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

2. De bepaling van het bedrag waarop een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, kan geschieden:

a. voor de inkomstenbelasting: op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar;

b. (...) met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.”

4.6. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen betreffende de voorlopige aanslag, volgt dat verweerder bij het opleggen van de voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt. Een voorlopige aanslag ‘kan’ immers worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag ‘vermoedelijk’ zal worden opgelegd. Verweerder mag hierbij, gelet op het tweede lid van artikel 23 URAWR, gebruik maken van de gegevens bekend uit het meest recente (belasting)jaar, hetgeen verweerder in de onderhavige situatie ook heeft gedaan.

4.7. Deze hiervoor bedoelde marge komt verweerder echter niet onbeperkt toe. Ook bij het vaststellen van de hoogte van een vermoedelijke belastingschuld zal verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te nemen. Meer in het bijzonder zal de vaststelling van de hoogte van de ‘vermoedelijke’ belastingschuld in alle redelijkheid dienen te geschieden.

4.8. Verweerder heeft de litigieuze voorlopige aanslag opgelegd aan de hand van de voor hem bekende gegevens uit het meest recente belastingjaar. In dat jaar werd door eiser een dividenduitkering genoten die zich, naar later blijkt, in het onderhavige jaar niet heeft voorgedaan. Bij de vraag of de in geschil zijnde voorlopige aanslag is opgelegd binnen de hiervoor genoemde marge is naar het oordeel van de rechtbank van belang of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn waardoor verweerder redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze dividenduitkering zich in het onderhavige belastingjaar vermoedelijk niet, althans naar een lager bedrag, zou voordoen.

4.9. Eiser stelt in dit verband dat in de onderhavige situatie de dividenduitkering als incidentele inkomsten moeten worden beschouwd en dat verweerder bij het opleggen van een voorlopige aanslag voor een volgend jaar geen rekening had mogen houden met deze (incidentele) inkomsten. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling. Immers uit de eerdergenoemde brief van 21 november 2007, waarin eiser verzoekt om oplegging van een voorlopige aanslag ib/pvv 2007, heeft verweerder niet kunnen afleiden dat de dividenduitkering eenmalig was. Van verweerder kan daarom in redelijkheid niet worden verlangd dat hij bij het opleggen van de voorlopige aanslag 2008 rekening houdt met het mogelijk incidentele karakter van de dividenduitkering in 2007, te meer nu het ook niet ongebruikelijk is dat aanmerkelijkbelanghouders dividenduitkeringen ontvangen van de vennootschap(pen) waarin zij een aanmerkelijk belang hebben, ook al was daarvan in het onderhavige geval tot en met 2006 geen sprake. De omstandigheid dat in 2007 het tarief voor inkomsten uit aanmerkelijk belang eenmalig lager was, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T.A. de Hek, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.