Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH9148

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
151846-2008-4094
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwaling / Erkenning

De vrouw voert als grond voor het verzoek aan dat de man niet de biologische vader van het kind is en dat zij door dwaling in de persoon van de man is bewogen toestemming tot de erkenning te geven. De vrouw geeft aan dat zij tijdens het huwelijk nimmer op de hoogte is geweest van de criminele activiteiten van de man.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op dwaling in de persoon van de man faalt. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de vrouw op het moment dat zij toestemming verleende tot erkenning van het kind door de man en op het moment van de feitelijke erkenning heeft gedwaald in de persoon van de man. De vrouw heeft immers, op het moment van de erkenning door de man haar toestemming tot die erkenning verleend, wetende dat de man niet de biologische vader van [naam minderjarige] was. De vrouw had ten tijde van de erkenning het volste vertrouwen in de man en hield van hem.

Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

vernietiging erkenning

zaak-/rekestnr.: 151846/2008-4094

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 3 maart 2009

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M. van Hemert, kantoorhoudende te Zaandam,

--tegen--

[naam man]

wonende te [plaats],

thans verblijvende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man

advocaat mr. E. Lucas, kantoorhoudende te Lelystad.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 12 november 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;

- de beschikking benoeming bijzondere curator afstammingszaken van deze rechtbank van 25 november 2008;

- het op 29 december 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verweerschrift van de man;

- de brief van 5 januari 2009 van mr. M.B. Kanik, bijzondere curator;

- de brief met bijlagen van 26 januari 2009 van de advocaat van de vrouw;

en het verhandelde ter terechtzitting op 29 januari 2009 in aanwezigheid van de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de advocaat van de man en de bijzondere curator.

2 De vaststaande feiten

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.

Het minderjarige kind van de vrouw is [naam minderjarige], geboren op [datum] 1999 te [geboorteplaats]. De man is niet de biologische vader van [naam minderjarige]. De man heeft [naam minderjarige] voor het huwelijk met de vrouw met toestemming van de vrouw op [datum] 2001 erkend. De vrouw en de man zijn op [datum] 2001 te [plaats] met elkaar gehuwd. Door het huwelijk van partijen is de vrouw tezamen met de man belast met het gezag over [naam minderjarige]. Het huwelijk is op 21 december 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingbeschikking van deze rechtbank van 18 december 2007.

De man is op [datum] 2007 in voorlopige hechtenis genomen. Op [datum] 2008 is de man door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar. De man is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 De vrouw verzoekt vernietiging van de erkenning op grond van artikel 1:205 lid 1 aanhef sub c Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat de man niet de biologische vader van het kind is en dat zij door dwaling in de persoon van de man is bewogen toestemming tot de erkenning te geven. De vrouw geeft aan dat zij tijdens het huwelijk nimmer op de hoogte is geweest van de criminele activiteiten van de man. Op 4 februari 2008 is de man veroordeeld voor zijn organiserende rol binnen een criminele organisatie en drugssmokkel. De dwaling in de persoon van de man is voor de vrouw manifest geworden door de veroordeling van de man. Het verzoek is gelet op artikel 1:205 lid 3 BW tijdig ingediend, immers binnen één jaar nadat de dwaling manifest is geworden.

3.2 De vrouw heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij eerst tijdens de strafzitting bekend werd met de strafbare feiten waarvan de man werd verdacht. Zij heeft zich pas na de veroordeling gerealiseerd wat voor een persoon de man was. De vrouw geeft aan dat zij zich heeft vergist in zijn persoon. Als zij dit had geweten, dan had zij nimmer toestemming gegeven om [naam minderjarige] door de man te laten erkennen. Tijdens de huwelijkse periode heeft de vrouw geen vermoeden gehad over de criminele activiteiten van de man. Nu een en ander aan het licht is gekomen en [naam minderjarige] weet wat de man heeft gedaan, heeft hij daar psychisch veel problemen mee. [naam minderjarige] ziet de man niet als zijn vader en draagt op school de naam van de vrouw. [naam minderjarige] heeft veel meegemaakt en naar nu pas is gebleken, heeft de man [naam minderjarige] ook meegenomen tijdens zijn criminele activiteiten. Het gaat nu beter met [naam minderjarige], omdat de vrouw hem niet belast met zaken die de man heeft gedaan.

3.3 De vrouw verzoekt, voor het geval het beroep op dwaling niet zou worden gehonoreerd, de bijzondere curator namens [naam minderjarige] een verzoek tot vernietiging van de erkenning aan de rechtbank te doen.

4 Het verweer

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De man is van mening dat er geen wettelijke grondslag is die zou nopen tot een vernietiging van de erkenning. De vrouw heeft, wetende dat de man niet de biologische vader van [naam minderjarige] is, toestemming verleend om [naam minderjarige] te erkennen. De man stelt dat hij tezamen met de vrouw en [naam minderjarige] de gehele huwelijkse periode als een hecht gezin heeft samengeleefd. Het lijkt erop dat de vrouw van mening is dat de man het in morele zin niet verdient de vader van [naam minderjarige] te zijn. De man benadrukt dat de veroordeling niet onherroepelijk is. De stelling van de vrouw dat het verzoek tijdig is ingediend bewijst niets. De man heeft bezwaar tegen inwilliging van het verzoek.

5 Standpunt bijzondere curator

Naar de bepaling van art 1:205 aanhef en lid 1 sub c kan de moeder een verzoek tot vernietiging van erkenning indienen, indien zij door onder meer dwaling bewogen is toestemming tot erkenning te geven. De bijzondere curator geeft in zijn verslag weer dat uit het gestelde in het verzoekschrift en de gesprekken die hij met de vrouw en de man heeft gehad onvoldoende is gebleken dat bij de vrouw sprake is geweest van dwaling in de persoon van de man op het moment dat zij toestemming gaf aan de man tot erkenning van [naam minderjarige]. De vrouw geeft wel aan dat de man zich vermoedelijk al tijdens het huwelijk bezig hield met drugshandel maar deze stelling, die niet relevant is voor de onderhavige zaak, staat niet vast. De bijzondere curator geeft in zijn verslag aan dat de veroordeling van de man nu hij in hoger beroep is gekomen nog niet onherroepelijk is geworden. Aangezien de vrouw destijds wist dat de man niet de biologische vader was, kan haar beroep op dwaling geen stand houden. De vrouw, de man en [naam minderjarige] hebben jaren samengewoond en er is sprake van family life tussen de man en het kind. [naam minderjarige] ziet de man als zijn vader. Hij was boos op hem omdat hij stoute dingen zou hebben gedaan en zou hebben gelogen. Hij heeft ook leuke herinneringen aan hem. Verder staat niet vast dat de problemen die [naam minderjarige] heeft, zijn veroorzaakt door de man. De bijzondere curator concludeert dat het verzoek van de vrouw juridische grond mist en dat in het belang van de minderjarige de erkenning in stand dient te blijven. Het is eventueel aan [naam minderjarige] zelf om later als hij meerderjarig is de erkenning te doen vernietigen.

6 Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op dwaling in de persoon van de man faalt. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de vrouw op het moment dat zij toestemming verleende tot erkenning van het kind door de man en op het moment van de feitelijke erkenning heeft gedwaald in de persoon van de man. De vrouw heeft immers, op het moment van de erkenning door de man haar toestemming tot die erkenning verleend, wetende dat de man niet de biologische vader van [naam minderjarige] was. De vrouw had ten tijde van de erkenning het volste vertrouwen in de man en hield van hem. Zij was op dat moment kennelijk gelukkig en content met de persoon van de man. De vrouw heeft samen met de man besloten dat hij door de erkenning de juridische vader van [naam minderjarige] zou worden en zij zijn zelfs drie maanden na de erkenning gehuwd, waardoor de vrouw tezamen met de man is belast met het gezag. De vrouw, de man en [naam minderjarige] hebben tot de arrestatie van de man in gezinsverband samengeleefd.

De rechtbank begrijpt het standpunt van de vrouw aldus dat zij destijds de man ten onrechte het vertrouwen heeft geschonken om door erkenning de juridische vader van haar kind te worden. Eerst tijdens de behandeling van de strafzaak van de man gevolgd door de veroordeling werd het de vrouw duidelijk dat de man niet diegene was die zij voor ogen had. De rechtbank begrijpt dat de vrouw achteraf teleurgesteld is in de persoon van de man. Dit is echter onvoldoende om de erkenning op grond van dwaling in de persoon van de man te vernietigen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek afwijzen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de bijzondere curator het niet in het belang van [naam minderjarige] acht om namens het kind een verzoek in te dienen tot vernietiging van de erkenning.

7 Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 3 maart 2009, in tegenwoordigheid van J.B. Stevens als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.