Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH9046

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/895 & 09/1339
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres waar hij zegt te verblijven. Op grond hiervan heeft verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 895 en 09-1339 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2009

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2009 heeft verweerder eisers op 30 december 2008 gedane aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 februari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van eveneens 19 februari 2009 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 12 maart 2009 beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het hangende de bezwaarfase ingediende verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het verzoek en het beroep zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 maart 2009, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Singh, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.C.W. Kieviet, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Op 11 november 2008 heeft eiser zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor het aanvragen van een WWB-uitkering. Het CWI heeft deze aanvraag op 20 november 2008 doorgezonden naar verweerder. Op 30 december 2008 heeft vervolgens de uitkeringsintake bij verweerder plaatsgevonden. Hierna heeft een huisbezoek plaatsgevonden in de woning waar eiser stelt zijn hoofdverblijf te hebben. Verweerder heeft vervolgens de uitkeringsaanvraag van eiser afgewezen, omdat eisers recht op uitkering niet is vast te stellen. Bij beslissing op bezwaar heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd.

2.3 Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorzienig, omdat hij niet over enig inkomen beschikt. Voorts is eiser van mening dat verweerders bevindingen bij het huisbezoek niet kunnen leiden tot de conclusie dat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij het huisbezoek zijn immers kledingstukken van eiser aangetroffen en hij heeft bovendien zijn pyjama getoond. Daarnaast is onjuist dat eiser geen sleutel van de woning zou hebben. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat op de hoorzitting met verweerder is afgesproken dat eiser binnen twee weken nadere stukken zou indienen, die verweerder in zijn heroverweging zou betrekken alvorens een besluit te nemen. Verweerder heeft deze stukken niet afgewacht. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus eiser. Hij heeft er voorts op gewezen dat zijn bank- en giroafschriften vanaf medio december 2008 naar zijn huidige verblijfsadres worden gezonden en dat hij daar vanaf begin september 2008 staat ingeschreven. Ook heeft eiser erop gewezen dat zijn echtscheiding pas medio december 2008 door inschrijving definitief is geworden. Voor die tijd heeft eiser nog geruime tijd getracht met zijn (ex-) echtgenote tot een verzoening te komen. Eiser heeft na zijn scheiding weinig spullen meegenomen. Ook stelt eiser dat hij ten tijde van het huisbezoek was vergeten de huissleutel van de verhuurder terug te vragen na terugkomst van vakantie. Eiser is verder van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem pas op de hoorzitting met een nieuwe afwijzingsgrond te confronteren. Tot slot stelt eiser dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert, nu zijn (ex-) echtgenote hem niet meer onderhoudt.

2.4 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eisers recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning waar hij zegt te verblijven. Subsidiair stelt verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij op de hoorzitting niet met eiser heeft afgesproken dat deze twee weken de tijd zou krijgen om nadere stukken over te leggen en dat verweerder hierop zou wachten voordat hij op het bezwaar zou beslissen.

2.5 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Op grond van artikel 17, eerste lid, WWB moet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien de belanghebbende deze verplichting(en) niet of in onvoldoende mate nakomt en in gebreke blijft dit verzuim te herstellen, is dat, in samenhang bezien met artikel 11, eerste lid WWB, een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

2.7 Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij tijdens de hoorzitting niet met eiser heeft afgesproken dat deze nog veertien dagen de tijd zou krijgen om aanvullende stukken bij verweerder in te dienen en dat verweerder pas daarna een beslissing op bezwaar zou nemen. Dit standpunt van verweerder vindt steun in het bestreden besluit waarin wordt geconstateerd dat vanwege het vooralsnog ontbreken van bepaalde stukken het recht op bijstand niet valt vast te stellen. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de door eiser gestelde afspraak is gemaakt. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

2.8 Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of verweerder zich, gelet op zijn bevindingen tijdens het huisbezoek op 30 december 2008, terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser woonachtig is op het adres waar hij zegt te verblijven, zodat eisers recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.9 Uit de rapportage die verweerder van het huisbezoek heeft opgemaakt, blijkt dat op het adres waar eiser zegt zijn hoofdverblijf te hebben, de volgende persoonlijke bezittingen van eiser zijn aangetroffen: een reiskoffer met daarin twee onderbroeken, een trui, een T-shirt en een tandenborstel. Bovendien zijn in deze woning tandpasta en een scheermesje van eiser aangetroffen. De aanwezigheid van deze persoonlijke bezittingen maakt echter niet aannemelijk dat eiser zijn woonplaats heeft op dit adres. Daarvoor is de hoeveelheid persoonlijke bezittingen die bij het huisbezoek zijn aangetroffen, te gering. In feite zijn er van eiser niet meer bezittingen aangetroffen dan men gewoonlijk op reis pleegt mee te nemen. Het volledig ontbreken van andere zaken dan kleding en toiletspullen, wijst niet op het hebben van een bestendig verblijf ter plekke. Dat eiser, zoals hij naar voren heeft gebracht, na zijn echtscheiding nog maar weinig spullen vanuit zijn eerdere woning in Amsterdam heeft meegenomen, duidt er op dat eiser zijn verblijf kennelijk nog niet had overgebracht naar het adres in [woonplaats]. Voorts is niet aannemelijk geworden dat eiser vrijwel al zijn kleding naar de wasserette of de stomerij had gebracht. Voor deze stelling heeft eiser immers geen begin van bewijs aangedragen, bijvoorbeeld een bonnetje. Het enkele feit dat eiser vanaf ongeveer medio december 2008 al zijn bank- en giroafschriften heeft laten sturen naar het adres waar hij zegt te verblijven, brengt niet met zich dat eiser daar dan ook feitelijk woonachtig is. Hetzelfde geldt voor het feit dat eiser op dat adres staat ingeschreven. De zich bij de stukken bevindende verklaring van de hoofdbewoner [naam] van 22 december 2008 levert een aanwijzing op dat eiser op het bewuste adres een kamer huurt. Vast staat echter dat eiser de huur van € 200,-- per maand vanaf september 2008 niet heeft voldaan en dat hij op het moment van het huisbezoek niet beschikte over een sleutel. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, is de conclusie dat tijdens het huisbezoek niet is komen vast te staan dat eiser op dit adres woonachtig is.

2.10 Daar komt nog bij dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanaf begin september 2008 langdurig heeft verbleven op het adres waar hij, naar hij zegt, zijn hoofdverblijf heeft. Immers, ter zitting is namens eiser verklaard dat hij in de periode voor zijn vertrek naar Egypte tot op het laatste moment heeft getracht zich met zijn vrouw te verzoenen. Hierdoor verbleef eiser veelal in Amsterdam. Verder staat vast dat eiser tussen 23 november 2008 en 28 december 2008 in Egypte met vakantie was.

2.11 Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van eiser niet kan worden vastgesteld, omdat onduidelijkheid bestaat over de verblijfplaats van eiser. Gelet hierop behoeft eisers stelling dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert, geen bespreking.

2.12 Het beroep is ongegrond. Hierdoor bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op

24 maart 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.