Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH9035

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
152681
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. In 1998 gestopte voetballer had moeten begrijpen dat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen ten aanzien van in 2005 aangegane leningen tot een totaal van €100.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2009/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

rekestnummer: 152681

vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 31 maart 2009

afwijzing schuldsanering

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

heeft op 15 december 2008 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 12 maart 2009. Daarbij is verzoeker gehoord. Het proces verbaal van dit verhoor dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Verzoeker was tot 1998 profvoetballer, waarbij hij een zeer hoog inkomen had. In die tijd heeft hij in totaal ongeveer 1,3 miljoen gulden dienen in te leggen in het fonds voor contractspelers van de KNVB, het CFK-fonds. Na zijn actieve voetbalcarrière is hij voetbaltrainer geworden en genoot hij eveneens een goed inkomen. In 2001 is hij, na de geboorte van zijn vijfde kind, gestopt met deze baan om meer tijd met de kinderen door te kunnen brengen. Verzoeker ontving toen vanuit het CFK-fonds een uitkering van € 4.400,- bruto en vanuit een deeltijdbaan een netto-inkomen van ongeveer € 500,-. Verzoeker heeft in 2005 meerdere keren verschillende bedragen van de heer [schuldeiser] geleend, tot in totaal in elk geval € 100.000,-. Ter zitting heeft hij ondermeer verklaard dat hij door de lening van de heer [schuldeiser] geen nieuwe leningen meer hoefde af te sluiten. Verzoeker heeft gesteld dat zijn toenmalige echtgenote en hij op het moment van aangaan van de lening geen helderheid hadden over hun financiële situatie. In 2006 is verzoeker gescheiden; sinds die tijd krijgen hij en zijn ex-echtgenote ieder de helft van de uitkering uit het CFK-fonds.

Blijkens de verklaring ex artikel 285 van de Faillissementswet bedroeg de schuldenlast van verzoeker op 8 december 2008 totaal € 262.410,06, waaronder een schuld aan [schuldeiser] die was opgelopen tot een bedrag van € 161.536,-.

De rechtbank overweegt als volgt.

Reeds in 2001 had verzoeker een aanzienlijke schuldenlast. De rechtbank wil evenwel aannemen dat verzoeker vanwege het hoge inkomen dat hij destijds als profvoetballer had, bij het aangaan van die schulden zijn betalingsverplichtingen kon nakomen.

In 2005 was dat inkomen echter veel lager. Desondanks heeft verzoeker in 2005 bij een privé-persoon in totaal minimaal € 100.000,- geleend om naar eigen zeggen geen andere leningen aan te hoeven gaan. Hieruit blijkt dat toen al duidelijk was dat er sprake was van een uitgavenpatroon dat niet paste bij het inkomen. Verzoeker kan zich ter rechtvaardiging van het ontstaan van deze schuld niet beroepen op het feit dat hij geen inzicht had in zijn financiële situatie.

De rechtbank stelt vast dat genoemde schuld aan [schuldeiser] is ontstaan als gevolg van overbesteding. Het aangaan van deze schuld was niet strikt noodzakelijk en verzoeker had op het moment van aangaan moeten weten of redelijkerwijs moeten begrijpen dat hij niet in staat zou zijn om deze nieuwe last te dragen. Onvoldoende aannemelijk is daarom dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan van genoemde schuld te goeder trouw is geweest. Genoemde schuld maakt een substantieel deel uit van de totale schuldenlast van verzoeker.

Gezien het bovenstaande is ten aanzien van verzoeker niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet.

Omstandigheden die aanleiding kunnen geven toe toepassing van artikel 288 lid 3 Fw. zijn niet aangevoerd of gebleken.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. mr. A.J. Wolfs, rechter, en uitge¬spro¬ken ter open¬bare te¬rechtzit¬ting van 31 maart 2009 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier .