Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH8647

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
141522 / HA ZA 07-1494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn van december 1973 tot januari 2002 buiten elke gemeenschap van goederen en zonder wederzijdse verrekenplicht met elkaar gehuwd. De huwelijksvoorwaarden bepalen onder meer dat de man de kosten van de gemeenschappelijke huishouding draagt. De vrouw vordert in de eerste plaats verrekening van de overgespaarde inkomsten met een beroep op analoge toepassing van de jurisprudentie met betrekking tot het Amsterdams verrekenbeding. De rechtbank stelt voorop dat in het huwelijksvermogensrecht als uitgangspunt heeft te gelden dat de contractsvrijheid van partijen behoort te worden gerespecteerd. En voorts dat de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven de overeengekomen uitsluiting van vermogens- en inkomensgemeenschap te doorbreken. Ten aanzien van de vordering van de vrouw tot afrekening van haar bijdrage aan de huishoudelijke kosten wordt het beroep van de man op rechtsverwerking gehonoreerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vrouw omdat zij geen eigen vermogen opbouwde telkens door de jaren heen aan de man heeft gevraagd om de woning ook op haar naam te zetten, aan welk verzoek de man niet wenste mee te werken. Nu de vrouw desondanks over een lange periode is doorgegaan met het storten van haar inkomen op de gemeenschappelijke rekening van partijen zonder daarvan afrekening te verlangen, heeft de vrouw haar recht op afrekening van haar bijdragen aan de huishoudelijke kosten verwerkt. Daarbij speelt een rol dat de vrouw niet heeft weersproken dat partijen er als gevolg van haar bijdragen een hogere levensstandaard op na konden houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 141522 / HA ZA 07-1494

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Westzaan, gemeente Zaanstad,

eiseres,

advocaat mr. G. Martin,

tegen

[gedaagde],

wonende te Hobrede,

gedaagde,

advocaat mr. J.B. Biezen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 februari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 6 mei 2008 en de daarin vermelde stukken

- de conclusie van repliek, tevens akte tot vermeerdering van eis

- de conclusie van dupliek, waarbij de man bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van eis

- de akte van de vrouw

- de akte van de man.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn vanaf 31 december 1973 met elkaar gehuwd geweest, welk huwelijk op 22 januari 2002 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Voorafgaand aan hun huwelijk zijn op 28 december 1973 door partijen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Daarin is ondermeer bepaald:

“Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 3.

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zowel de gewone als de buitengewone, alzo met inbegrip van alle kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van de echtgenoten, alsmede alle kosten van verzorging en opvoeding van de tot hun gemeenschappelijke huishouding behorende kinderen, zullen door de man worden gedragen en betaald, zulks voor het geheel. De man is verplicht aan de vrouw ten behoeve van de gewone gang van de huishouding voldoende gelden ter beschikking te stellen.

(…)”

2.3. Partijen hebben in de tussen hen opgemaakte huwelijksvoorwaarden geen bepaling betreffende enige verrekeningsverplichting opgenomen.

2.4. De vrouw heeft tot 7 augustus 1988 fulltime gewerkt en daarna parttime. De inkomsten uit arbeid van de vrouw zijn door haar op de gezamenlijke girorekening van partijen gestort.

2.5. De gelden die op de gezamenlijke rekening van partijen werden gestort zijn aangewend voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

2.6. De woningen waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben gewoond stonden enkel op naam van de man en behoorden slechts hem in eigendom toe.

2.7. Bij einde van het huwelijk heeft de man, ter afwikkeling daarvan, aan de vrouw een bedrag betaald van EUR 60.355,00 en een bedrag van EUR 4.415,00.

2.8. Uit het huwelijk tussen partijen is één kind geboren.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert na vermeerdering van eis, waartegen de man bezwaar heeft gemaakt, – samengevat – veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van de man tot betaling van EUR 279.235,00, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.2. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw heeft, naar de rechtbank begrijpt met instandhouding van het bestaande petitum, bij conclusie van repliek haar eis vermeerderd tot een bedrag van EUR 279.235,00, welk bedrag volgens haar bestaat uit het totaal door de vrouw tijdens het huwelijk gestorte inkomen op de gezamenlijke rekening van partijen en een door haar ingebrachte afkoopsom van pensioenaanspraken die volgens de vrouw is aangewend voor verbetering van de woning van de man.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en aangevoerd dat de wijziging in strijd is met de goede procesorde, nu daarmee de grondslag van de vordering is gewijzigd en de man met een eiswijziging in dit stadium van de procedure twee gelegenheden wordt onthouden om zich tegen de vordering te verweren.

4.2. De rechtbank verklaart het bezwaar van de man ongegrond en staat de wijziging van eis toe, omdat zij deze niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde. De eiswijziging vloeit immers enerzijds voort uit hetgeen ter comparitie van 6 mei 2008 is besproken en door de rechtbank aan de vrouw is opgedragen. Anderzijds is de eiswijziging, anders dan de man betoogt, niet gebaseerd op een andere grondslag waartegen de man zich niet eerder heeft kunnen verweren. De vrouw stoelt haar vordering immers nog steeds op artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden (zie 2.2), terwijl de man ter comparitie daartegen expliciet verweer heeft gevoerd en bovendien ook nadien gelegenheid heeft gehad en genomen om inhoudelijk op de eiswijziging te reageren. De man is daarom door de eiswijziging niet in zijn processuele belangen geschaad.

4.3. Tijdens de schikkingsonderhandelingen van partijen ter comparitie, heeft de vrouw aan de man voorgesteld een bedrag ten goede te laten komen aan het gezamenlijk kind van partijen. In het verlengde hiervan heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen persoonlijk belang (meer) heeft bij de ingestelde vordering, zodat zij niet in haar vordering dient te worden ontvangen.

Dit verweer van de man slaagt niet, nu de vordering betrekking heeft op de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen en de vrouw aldus als gewezen echtgenoot een rechtstreeks belang heeft bij haar vordering. Aan wie de vrouw de gevorderde geldsom (uiteindelijk) wil laten toekomen is daarbij niet van belang.

4.4. De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de vrouw is verjaard. De man heeft daartoe echter in zijn conclusie van antwoord slechts volstaan met de constatering dàt de vordering van de vrouw reeds is verjaard, zonder daarbij een bepaald wetsartikel te noemen of anderszins duidelijk te maken op welke verjaring hij doelt. In de conclusie van dupliek heeft de man vervolgens genoemd dat de verjaringstermijn van vijf jaren met betrekking tot de eventuele vorderingsrechten van de vrouw reeds is aangevangen bij het ontstaan van die vorderingen en niet eerst per datum einde huwelijk. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 december 1995 (NJ 1996, 418), dat in artikel 3:322 lid 1 BW, waarin wordt bepaald dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen mag, ligt besloten dat degene die zich op verjaring beroept met voldoende duidelijkheid dient aan te geven op welke verjaring hij het oog heeft, wil dit beroep kunnen slagen. Of het beroep op verjaring van de man in dit opzicht voldoende duidelijk is, is een kwestie van uitleg. De rechtbank is van oordeel dat uit het niet nader gemotiveerde en in algemene termen vervatte beroep op verjaring niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid welke verjaring voor toepassing in aanmerking komt. Nu het de rechtbank niet vrijstaat om ambtshalve te onderzoeken of een ingestelde rechtsvordering door verjaring is tenietgegaan, dient het verweer van de man als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd te worden afgewezen.

4.5. De man heeft voorts ter verweer het standpunt ingenomen dat de vrouw geen vorderingsrecht toekomt vanwege de tussen partijen gemaakte afspraak dat met het – door de man aan de vrouw – onverplicht betalen van het bedrag van in totaal EUR 64.770,- alle discussie met betrekking tot verrekening bij uiteengaan zou zijn afgerond. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij ook na de betaling van voormeld bedrag bij de man heeft aangedrongen op de financiële afwikkeling van het huwelijk en de man niet heeft aangevoerd dat hij daarop steeds heeft gereageerd met een beroep op de nu aangevoerde afspraak, heeft hij zijn stelling dat met de betaling van dat bedrag alle discussie met betrekking tot verrekening bij uiteengaan zou zijn afgerond onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

4.6. Onder verwijzing naar ondermeer de arresten van de Hoge Raad van 25 november 1988 (NJ 1989, 529) en 29 april 1994 (NJ 1995, 561) stelt de rechtbank vervolgens voorop dat in het huwelijksvermogensrecht als uitgangspunt heeft te gelden dat de contractvrijheid van echtgenoten op het terrein van de huwelijksvoorwaarden behoort te worden gerespecteerd en dat de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid met zich brengt dat een overeengekomen uitsluiting van elke vermogens- en inkomensgemeenschap niet na echtscheiding mag worden doorbroken. Een en ander is slechts anders indien de omstandigheden van het geval meebrengen dat de factoren redelijkheid en billijkheid tot een correctie van het overeengekomene dienen te leiden.

4.7. De rechtbank stelt vast dat de vrouw bij de inleidende dagvaarding – met een beroep op analoge toepassing van de jurisprudentie met betrekking tot het Amsterdams verrekenbeding – verrekening aan het einde van het huwelijk heeft gevorderd van de gespaarde netto-inkomsten. Aan deze vordering heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat zij naast de door haar tijdens het huwelijk onverplicht gedane stortingen op de gezamenlijke bankrekening, de huishoudelijke taken op zich heeft genomen en de opvoeding van hun gezamenlijk kind heeft verzorgd en dat de afkoopsom van haar pensioenaanspraken is aangewend voor verbetering van de woning van de man. De man was daardoor vrij en in de gelegenheid om inkomsten uit arbeid te verwerven, pensioen op te bouwen, maandelijks besparingen op de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding te realiseren en daarmee vermogen op te bouwen. De man heeft het vermeende recht op verrekening betwist.

Voor zover de vrouw deze grondslag voor haar vordering na eiswijziging nog heeft willen handhaven, is de rechtbank van oordeel dat de vordering op deze grondslag, gelet op het hiervoor besproken rechtszekerheidsbeginsel, moet worden afgewezen. In de tussen partijen opgemaakte huwelijksvoorwaarden is immers koude uitsluiting overeengekomen, zonder enige regeling met betrekking tot verrekening van vermogensopbouw. Anders dan de vrouw heeft gesteld vloeit uit het feit dat zij onverplicht heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding geen verrekeningsplicht voort. Voorts is onvoldoende gesteld of gebleken dat onverkorte toepassing van de huwelijksvoorwaarden in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.8. De vrouw heeft voorts haar vordering gegrond op artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden. Daartoe heeft zij gesteld dat zij gedurende het huwelijk jarenlang haar inkomsten uit arbeid heeft gestort op de gezamenlijke rekening van partijen, waarvan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding werden voldaan. Gelet op artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden was de man echter draagplichtig voor die kosten . De vrouw vordert daarom nu terugbetaling van de door haar gestorte bijdragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

4.9. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en zich – voor zover hier van belang – onder meer op het standpunt gesteld dat partijen de huwelijksvoorwaarden tijdens het huwelijk steeds hebben nageleefd. De man heeft immers aan zijn verplichting op grond van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden voldaan door telkens voldoende gelden op de gezamenlijke rekening te storten om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van te voldoen. Dat de vrouw tijdens het huwelijk onverplicht ook haar inkomsten uit arbeid op de gezamenlijke rekening van partijen heeft gestort, doet daar niet aan af. De kosten zijn immers voor rekening van de man gekomen, evenals de rentebedragen en aflossingen ten behoeve van de woningen van de man, die tijdens het huwelijk door partijen gezamenlijk werden bewoond, aldus nog altijd de man. Voorts heeft de man betwist dat het volledige inkomen van de vrouw ten gunste van de gezamenlijke rekening is gebracht en is aangewend voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat de vrouw ook zelf vermogen heeft opgebouwd tijdens het huwelijk, hetgeen ook door de vrouw tot uitdrukking is gebracht in de post privé rekening in de in de dagvaarding opgenomen balansstaat.

4.10. De rechtbank overweegt als volgt. Nu artikel 3 van de tussen partijen opgemaakte huwelijksvoorwaarden ondubbelzinnig bepaalt dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel voor rekening van de man zullen komen, heeft de vrouw in beginsel recht op vergoeding van haar aandeel in die kosten. Haar aanspraak strekt in dit verband echter ook niet verder dan dat deel van haar bijdragen dat is aangewend voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

4.11. De huwelijksvoorwaarden bevatten geen regeling met betrekking tot het tijdstip van afrekenen van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Er is daarom sprake van een leemte die tussen partijen op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden opgevuld. Afrekening zal in het algemeen niet plaatsvinden na iedere uitgave afzonderlijk. Tegen afrekening bij het einde van het huwelijk bestaat echter het praktische bezwaar dat de voor de berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn. Het ligt daarom voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek plaats dient te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar (vergelijk: Hoge Raad van 29 april 1994, NJ 1995, 561).

4.12. Het voorgaande heeft niet zonder meer tot gevolg dat het recht op afrekenen steeds enige tijd na de periodieke afrekendatum vervalt en dat het dus niet tot een afrekening aan het einde van het huwelijk kan komen. Van een vervalbeding is geen sprake. Wel kan het recht verwerkt worden en als zodanig begrijpt de rechtbank het verweer dat de man ter comparitie tegen de afrekening heeft opgeworpen.

4.13. De vraag of de vrouw haar recht op afrekening heeft verwerkt zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld. Daarbij is van belang de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken.

De vrouw heeft aangegeven dat zij bij het sluiten van de huwelijksvoorwaarden slechts de leeftijd van 19 jaren had en geen idee had wat die voorwaarden feitelijk betekenden. Gelet op de verklaring van de vrouw, afgelegd ter comparitie, dat zij reeds vanaf het eerste jaar van het huwelijk en telkens door de jaren heen aan de man heeft gevraagd om de woning ook op haar naam te zetten, moet het er evenwel voor worden gehouden dat zij wist en begreep dat zij met de man koude uitsluiting was overeengekomen en derhalve geen vermogen opbouwde. Nu de man kennelijk telkenmale niet wenste mee te werken aan gedeeltelijke overdracht van de woning aan de vrouw en zij desondanks over een lange periode is doorgegaan met het storten van haar inkomen op de gemeenschappelijke rekening van partijen, heeft de vrouw haar recht op afrekening van haar bijdragen in de kosten van de huishouding verwerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de man onweersproken heeft aangevoerd dat partijen er als gevolg van de bijdragen van de vrouw een hogere levensstandaard op na konden houden.

4.14. De vrouw heeft voorts nog gesteld dat de afkoopsom van door haar opgebouwde pensioenaanspraken is aangewend voor verbetering van de woning van de man, hetgeen verdeling van de waardevermeerdering van zijn woning rechtvaardigt. De man heeft dit weersproken. Nu de vrouw haar vordering op dit punt op geen enkele wijze heeft onderbouwd de enkele verklaring van afkoop van de pensioenaanspraken is daarvoor onvoldoende - heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vrouw de afkoopsom bij repliek voor het eerst aan de orde heeft gesteld.

4.15. In het verlengde van het hiervoor overwogene wordt het beroep van de vrouw op ongerechtvaardigde verrijking van de man verworpen. Voor zover de man al zou zijn verrijkt, is deze verrijking niet ongerechtvaardigd.

4.16. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.17. De rechter ten overstaan van wie de comparitie van 6 mei 2008 is gehouden heeft het vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.?