Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH7394

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
awb 06-8871
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit luchtkwaliteit - toepassing 6:18/6:19 Awb - procedure niet geheel zorgvuldig, evenwel geen reden voor vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/8871

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2009

in de zaak van:

Vereniging van eigenaren Wijckermolen II alsmede individuele leden van de Vereniging,

gevestigd respectievelijk wonende te Beverwijk,

eisers,

gemachtigde: mr. W.J. Brakenhoff, advocaat te Schiphol-Rijk,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk,

verweerder,

gemachtigde: P.H. Koese, werkzaam bij de gemeente Beverwijk,

derde partij:

NS Vastgoed Ontwikkeling B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gemachtigde: mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2005, verzonden op 18 juli 2005, heeft verweerder aan NS Vastgoed Ontwikkeling B.V. (hierna: NS Vastgoed B.V.) te Utrecht een kapvergun¬ning verleend voor het kappen van 37 meidoorns, 1 olijfwilg, 4 essen en 4 esdoorns op het perceel Wijckermolen 3 te Beverwijk.

Bij besluit van 19 juli 2005, verzonden 21 juli 2005, heeft verweerder aan NS Vastgoed B.V. vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) alsmede bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een par¬keergarage op het perceel Wijckermolen, sectie A nr. 10808, te Beverwijk.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 25 augustus 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 juli 2006, verzonden 14 augustus 2006, heeft verweerder de bestreden besluiten onder aanvulling en verbetering van de motivering in stand gelaten. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 22 mei 2006 van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften (hierna: de commissie).

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 september 2006, aangevuld bij schrijven van 10 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 oktober, verzonden 12 oktober 2006 heeft verweerder het besluit van 18 juli 2006 wegens een bevoegdheidsgebrek ingetrokken en een nieuw besluit genomen, vrijwel gelijkluidend aan het besluit van 18 juli 2006.

Bij brief van 5 december 2006 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuurs-rechtspraak (StAB) verzocht om inzicht te verschaffen in – onder meer – de mogelijke nadelige gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de StAB bij brief van 4 april 2007 een deskundigenbericht aan de rechtbank toegezonden.

Eisers hebben hierop bij brief van 16 juli 2007 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 9 juli 2007 een reactie gegeven.

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 10 maart 2008 een rapportage van KEMA Nederland B.V. (KEMA) van 5 februari 2008 aan de rechtbank gezonden onder mededeling van het voornemen een gewijzigde beslissing op de bezwaren te nemen met inachtneming van de uitkomsten van het rapport.

Deze beslissing is genomen op 15 mei 2008. Voorts heeft verweerder op die datum op verzoek van de derde partij besloten de kapvergunning in te trekken en de bezwaren tegen de kapvergunning bij gebreke van een procesbelang niet ontvankelijk te verklaren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 mei 2008, alwaar zijn verschenen [namen] leden van de Vereniging van eigenaren, bijgestaan door mr. H.J.M. van Schie. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.H. Koese voor¬noemd. Voorts zijn voor verweerder verschenen E. Visser, werkzaam bij de gemeente Beverwijk en J.B. Vloo, werkzaam bij de Milieudienst IJmond. De derde partij heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht.

Bij tussenbeslissing van 11 juni 2008 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend teneinde de rapportage van KEMA voor een inhoudelijke reactie voor te leggen aan de StAB.

De StAB heeft vervolgens op 21 augustus 2008 een rapportage uitgebracht. Hierop hebben eisers, verweerder alsmede de derde partij gereageerd bij brieven van 2 oktober 2008, 22 september 2008 en 16 oktober 2008.

De rechtbank heeft hierop -nadat gebleken was dat partijen instemden met het afdoen van de zaak zonder het houden van een nadere zitting- het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verweerder bevoegd een besluit hangende het daartegen gerichte beroep te wijzigen dan wel in te trekken. In artikel 6:19, eerste lid, Awb is bepaald dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit geheel tegemoet komt aan het beroep. Ingevolge artikel 6:19, derde lid, Awb staat intrekking niet in de weg aan vernietiging van het besluit indien de indiener van het bezwaar of beroep daarbij belang heeft.

2.2 Met het besluit van 10 oktober 2006, opnieuw gewijzigd bij besluit van 15 mei 2008, is verweerder niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep tegen het besluit van 18 juli 2006. Het beroep wordt dan ook geacht mede te zijn gericht tegen deze besluiten. Voorts is gesteld noch gebleken dat eisers nog belang hebben bij de behandeling van het beroep tegen het besluit van 18 juli 2006, zodat de rechtbank het beroep in zoverre niet ontvankelijk zal verklaren. Nu het beroep mede was gericht tegen enkele elementen die in de twee latere besluiten van verweerder zijn komen te vervallen, is er aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken, gebaseerd op 1 punt voor een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, begroot op € 644,--.

2.3 In geschil is derhalve het besluit van 10 oktober 2006, zoals nadien gewijzigd en aangevuld bij besluit van 15 mei 2008. De parkeergarage, waarop de besluitvorming ziet, bestaat uit vier bouwlagen en zal voorzien in 298 parkeerplaatsen. Het gebouw heeft een lengte van 152,33 meter, een hoogte van 9,42/11,25 meter en een diepte van 15,51 meter. De garage ligt op circa 26 meter van het appartementencomplex van de Vereniging van eigenaren Wijckermolen II. Over een lengte van circa 50 meter ligt de garage recht tegenover het complex.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Eisers hebben ter zitting aangegeven hun grieven tegen de besluitvorming inzake de kapvergun¬ning alsmede een deel van hun grieven betreffende de voorgenomen bouw niet langer te handhaven. De thans resterende grieven betreffen de effecten voor de luchtkwaliteit, de naar de mening van eisers onterechte keuze voor de vrijstellingspro¬cedure van artikel 19, tweede lid, WRO, het niet in aanmerking nemen van een minder bezwaarlijk alternatief alsmede het onzorgvuldig procedureel handelen van ver-weerder.

2.6 Met betrekking tot het eerste onderwerp is in de onderhavige procedure een groot aantal rapporten uitgebracht. De laatste twee betreffen het op initiatief van verweerder vervaardigde rapport van KEMA van 5 februari 2008 en het in reactie hierop na heropening van het onderzoek ter terechtzitting op verzoek van de rechtbank vervaardigde rapport van de StAB van 21 augustus 2008. Het KEMA-rapport is door verweerder ten grondslag gelegd aan het laatste in deze zaak genomen besluit.

2.7 Op basis van beide genoemde rapportages stelt de rechtbank vast dat aan de wettelijke grenswaarden voor fijn stof/zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) ook na de komst van de parkeergarage zal worden voldaan. Het Besluit luchtkwaliteit 2005 stond derhalve niet aan de verlening van de vrijstelling en daarmede van de bouw-vergunning in de weg. Voor zover eisers de hierop betrekking hebbende grief thans nog handhaven, faalt deze derhalve.

2.8 De grief dat verweerder ten onrechte heeft geopteerd voor de procedure van artikel 19, tweede lid, WRO in plaats van de procedure van artikel 19, eerste lid, faalt eveneens. Hetgeen verweerder in dit verband heeft overwogen, - namelijk dat er geen sprake is van een speerpunt van beleid in de zin van de ter zake door gedeputeerde staten van Noord-Holland gehanteerde regels omdat er geen sprake is van een grootschalige voorziening - is juist. Onder een groot¬schalige voorziening wordt immers blijkens de toelichting op deze regels verstaan een voorziening die wordt verondersteld een (boven)regionale invloed te hebben. Een parkeergarage met een omvang als de onderhavige kan daar naar het oordeel van de rechtbank niet onder worden begrepen. Anders dan eisers is de rechtbank bij dit alles van oordeel dat niet alle overige beleidsvoornemens van verweerder in het kader van de plaatselijke parkeervoorzieningen dienen te worden betrokken bij het antwoord op de vraag of sprake is van grootschaligheid in de zin van voormeld beleid.

2.9 Omtrent de stelling van eisers dat de parkeergarage op een andere voor hen minder bezwaarlijke plek zou kunnen worden gebouwd, heeft verweerder terecht overwogen dat hij de aanvraag moet beoordelen zoals deze bij hem is ingediend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking aan een bouwplan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat hiervan sprake zou zijn, is niet aannemelijk geworden.

2.10 Voorts kan evenmin staande worden gehouden dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen - waaronder die van eisers inzake het uitzicht - niet in redelijkheid tot het thans in geding zijnde besluit heeft kunnen komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat op grond van de vigerende bestemming van het perceel (spoorwegdoel¬einden) mede bouwwerken ten behoeve van het spoorwegverkeer en ten behoeve van de opslag van goederen zijn toegestaan en dat slechts gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd.

2.11 De grief met betrekking tot onzorgvuldig procedureel handelen van verweerder ziet met name, zo begrijpt de rechtbank, op het feit dat de besluiten van verweerder enkele malen onverwacht zijn gewijzigd, dat eisers niet tijdig in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op rapportages van de Milieudienst IJmond en KEMA inzake de lucht¬kwaliteit, en dat eisers pas laat op de hoogte zijn gesteld van het verdwijnen van een voor deze procedure van belang zijnd lpg-vulpunt en van de intrekking van de kapver¬gunning. Eisers hebben zich daardoor herhaaldelijk overvallen gevoeld.

2.12 De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder in deze zaak te weinig aandacht heeft geschonken aan een zorgvuldige voorbereiding van de besluiten en dat te weinig recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, dat wil zeggen het op eigen initiatief en tijdig overleggen van informatie waarvan gelet op het belang voor de procedure verondersteld kon worden dat betrokkenen daarop hadden willen reageren. Voorts heeft het de rechtbank in dit verband getroffen dat verweerder in de beroepsfase eisers opnieuw heeft verrast, ditmaal door het presenteren van weer een nieuw onderzoek inzake de luchtkwaliteit, het meervermelde onderzoek van KEMA. Tenslotte mag in dit verband niet onvermeld blijven dat verweerder heeft nagelaten eisers zelf rechtstreeks op de hoogte te brengen van het gegeven dat de derde partij om haar moverende redenen in de beroepsfase een tweede, gelijkluidende, aanvraag om een bouwvergunning voor de garage heeft ingediend, deze keer met het KEMA-rapport als onderliggende deskundigenrapportage.

2.13 Dit alles overziende stelt de rechtbank vast dat verweerder in zijn benadering van eisers tekort is geschoten op het punt van de te betrachten zorgvuldigheid in proce¬dureel en inhoudelijk opzicht. Gelet op de latere besluitvorming waarbij ten slotte voldoende duidelijkheid is verkregen, zijn eisers echter naar het oordeel van de recht¬bank uiteindelijk niet zodanig in hun belang geschaad dat vernietiging van het laatst genomen besluit van verweerder noodzakelijk is.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover het betreft het besluit van 18 juli 2006;

3.2 verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

3.3 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644, te betalen door de gemeente Beverwijk aan eisers;

3.4 gelast dat de gemeente Beverwijk het door eisers betaalde griffierecht van € 281,-- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. L. Beijen, rechters, en op 20 januari 2009 in het openbaar uitge¬sproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.