Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH6370

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/277
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BK9016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex artikel 19-1 WRO voor het bouwrijp maken van de Oostlob van het bedrijventerrein Schiphol Logistics Park.

De rechtbank is van oordeel dat de aanleg van de aorta, gelet op de dubbelfunctie van deze weg, geen deel uitmaakt van de werkzaamheden die onder de werking van het bestreden besluit vallen. Gronden die betrekking hebben op de aanleg van de aorta vallen buiten de omvang van dit geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 277

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2009

in de zaak van:

Chipshol Holding B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk,

eiseres,

gemachtigde: mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Schiphol-Rijk,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam,

derde partij:

Schiphol Logistics Park B.V.,

gevestigd op de Luchthaven Schiphol,

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2007 heeft verweerder aan Schiphol Logistics Park B.V. (hierna: SLP) met toepassing van artikel 19, eerste lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend voor het bouwrijp maken van de Oostlob van het bedrijventerrein Schiphol Logistics Park (hierna: SLP-gebied).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 juni 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 november 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard met aanvulling van de motivering. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 december 2007 aangevuld bij brief van 5 februari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 oktober 2008, alwaar Chipshol Holding B.V. is verschenen bij haar gemachtigde voornoemd, vergezeld van M.E. Poot, bestuurder van Chipshol Holding B.V.. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd, vergezeld van J.H. de Jong en H. Nijenhuis, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Voorts zijn voor SLP verschenen G. Kuper, werkzaam bij SLP en E.H. Voors, deskundige op het gebied van luchtkwaliteit, werkzaam bij Witteveen + Bos.

Het beroep is gelijktijdig ter zitting behandeld met het beroep van Onroerend Goed Maatschappij De Meer B.V., [namen] (zaaknummer AWB 08-275) tegen evengenoemde beslissing op bezwaar van 21 november 2007.

2. Overwegingen

2.1 Het project behelst het bouwrijp maken van de zogeheten Oostlob van het SLP-gebied, gelegen tussen de Kruisweg, Aalsmeerderweg, Geniedijk en de Ringdijk in Haarlemmermeer. Het andere bebouwbare deel van het SLP-gebied, de Westlob, is niet begrepen in het hier bestreden besluit. Voor het gehele SLP-gebied, dat is bedoeld om te voorzien in Schipholgebonden bedrijvigheid, wordt een bestemmingsplan voorbereid. Om in te kunnen spelen op de vraag naar logistieke bedrijfsruimte, is met de hier bestreden vrijstelling reeds begonnen met het bouwrijp maken van de Oostlob. Naar SLP heeft gesteld staat de ontwikkeling van de Oostlob op zichzelf en is deze derhalve niet afhankelijk van ontwikkeling van de Westlob.

2.2 In de onderhavige procedure wordt de omvang van het geding bepaald door het besluit van 21 november 2007 dat ziet op het verlenen van vrijstelling ten behoeve van het bouwrijp maken van de Oostlob. Deze vrijstelling wordt door verweerder ook wel aangeduid als vrijstelling voor “SLP-sec”. Uit de aan de vrijstelling ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing “Ruimtelijke onderbouwing – artikel 19. lid 1 WRO – Schiphol Logistics Park Oostlob (Kruisweg-Zuid)”, blijkt dat deze ziet op de aanleg van infrastructuur waaronder wegen, civieltechnische kunstwerken (duikers), waterpartijen en groen.

In de ontsluiting van de Oostlob is voorzien door de aanleg van de zogeheten aorta. Tijdens de behandeling ter zitting is de rechtbank, uit toelichtingen van verweerder en van SLP, duidelijk geworden dat de aorta, naast de functie van ontsluiting van de Oostlob, tevens bedoeld is als tijdelijke omleiding van de N201, tijdens werkzaamheden waarbij de N201 verbreed wordt van 2 x 2 banen, naar 2 x 3 banen. Deze werkzaamheden vormen een onderdeel van het provinciale Masterplan N201+. Gelet hierop moet aan de aanleg van de aorta een dubbelfunctie worden toegekend die uitstijgt boven de werkzaamheden die moeten worden geacht verband te houden met het bouwrijp maken van het betreffende terrein van de Oostlob. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanleg van de aorta geen deel uitmaakt van de werkzaamheden die onder de werking van het bestreden besluit vallen en derhalve buiten de omvang van dit geding valt.

Verweerder heeft dit standpunt van de rechtbank ter zitting bestreden door er op te wijzen dat de aorta in de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling wordt genoemd. Het feit dat de aorta in de ruimtelijke onderbouwing wordt genoemd is juist, maar hieraan kan in deze geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De ruimtelijke onderbouwing schetst de ontwikkeling van het gehele SLP-gebied alsmede van aanverwante ontwikkelingen, zoals het N201+ project en geeft daarmee een doorkijk naar de toekomst. Het had op de weg van verweerder gelegen in het bestreden besluit duidelijk te omschrijven dat, naast de werkzaamheden ten behoeve van het bouwrijp maken van het terrein, tevens was bedoeld vrijstelling te verlenen voor de aanleg van de aorta met evengenoemde dubbelfunctie.

2.3 Gelet op het vorenstaande vallen de gronden die betrekking hebben op de aanleg van de aorta buiten de omvang van dit geding.

2.4 Niet in geschil is dat het bouwrijp maken in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied”, ingevolge hetwelk op de betreffende gronden een agrarische bestemming rust.

2.5 Om het project niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.6 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.7 Eiseres betoogt dat verweerder door vrijstelling te verlenen, heeft gehandeld in strijd met privaatrechtelijke afspraken. Zij wijst hierbij op afspraken die in 1990 zijn gemaakt met de regionale overheden verenigd binnen de Schiphol Area Development Company (hierna: SADC), waarbij de SADC heeft toegezegd zich te zullen inzetten voor de snelle ontwikkeling van onder meer het Groenenberg-terrein van eiseres. Door nu eerst de onderhavige locatie tot ontwikkeling te brengen handelt verweerder in strijd met deze afspraak, aldus eiseres.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat door verweerder toezeggingen zijn gedaan waaraan eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat de onderhavige vrijstelling niet zou worden verleend alvorens het Groenenbergterrein in ontwikkeling zou zijn genomen.

2.9 Eiseres betoogt voorts dat de gekozen wegenstructuur onvoldoende is om een goede verkeersafwikkeling terzake van het nieuw aan te leggen bedrijventerrein te garanderen. De huidige opzet zal tot gevolg hebben dat de doorstroming op het kruispunt Fokkerweg- Kruisweg nog verder onder druk zal komen te staan, hetgeen consequenties zal hebben voor de bereikbaarheid van de reeds bestaande bedrijven in Schiphol-Rijk.

2.10 Zoals onder overwegingen 2.2 en 2.3 is overwogen valt de aorta en daarmee ook de overige samenhangende infrastructurele maatregelen ter ontsluiting van de Oostlob, dan wel ter afwikkeling van verkeer in de directe omgeving, buiten de omvang van dit geding. Deze grond van eiseres treft in deze procedure dan ook geen doel.

2.11 Eiseres betoogt tot slot dat, gelet op het feit dat al andere bedrijventerreinen, zoals de A4-zone West, in ontwikkeling worden gebracht, er een overaanbod is en er dus geen behoefte is aan het te ontwikkelen bedrijventerrein op het SLP-gebied. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de reden waarom dit project wordt voortgezet is gelegen in het feit dat getracht wordt een grondwaardestijging te creëren om een door de overheden gewenste omlegging van de N201 te financieren. Eiseres leidt hieruit af dat de ontwikkeling van evengenoemd bedrijventerrein derhalve niet ruimtelijk geïndiceerd is.

2.12 Eiseres heeft het onder 2.11 weergegeven standpunt niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de in de ruimtelijke onderbouwing omschreven aanleiding voor ontwikkeling van de Oostlob, namelijk de geconstateerde behoefte aan bedrijventerreinlocaties voor luchthavengebonden logistieke bedrijven, niet aannemelijk te achten. Deze grond treft derhalve evenmin doel.

2.13 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. C.E. Heyning-Huydecoper en mr. G.D. de Jong, rechters, en op 5 maart 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.