Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH6176

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
149175-08-2968
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

draagkracht partijen / kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 149175/08-2968

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 3 maart 2009

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.A. Kanning, kantoorhoudende te Beverwijk,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Rozemeijer, kantoorhoudende te Velserbroek.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 21 augustus 2008, ingekomen op dezelfde datum;

- het verweerschrift , met bijlagen, van de vrouw van 17 oktober 2008;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 20 oktober 2008;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 9 januari 2009

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 15 januari 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 januari 2009 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting heeft de man zijn salarisstroken van januari en februari 2008 overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren de minderjarige [naam minderjarige]. De man heeft de minderjarige erkend.

2.2 Bij beschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2001 is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van ? 500 (€ 226,90) per maand moet voldoen.

2.3 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2008 € 268,24 per maand.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 mei 2008.

4 Verweer

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek dan wel afwijzing daarvan. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat de man niet achterloopt met betalen, dat er geen rechtens relevante wijziging is opgetreden en dat de overgelegde gegevens te summier zijn.

5 Beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

5.2 Ter zitting heeft de man zijn aanvankelijke verzoek gewijzigd in die zin dat hij nihilstelling vraagt voor de maanden waarin hij een ziektewetuitkering ontving van € 382,35 per week bruto (inclusief vakantiegeld), dat wil zeggen van mei tot en met augustus 2008. Vanaf september 2008, het moment waarop de man zijn eigen onderneming begon, verzoekt hij om verlaging van de kinderbijdrage. Ook stelt de man dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat zijn dochter [naam dochter] sinds medio januari 2009 bij hem woont. Tot slot voert de man aan dat de vrouw inmiddels inkomsten uit arbeid heeft en een partner; zij moet in staat worden geacht een (groter) aandeel in de kosten van [naam minderjarige] te voldoen.

Ten tijde van de beschikking van 23 oktober 2001 had de man inkomsten uit onderneming. Het resultaat van deze onderneming bedroeg ? 60.847 per jaar, dat wil zeggen € 2.301 (bruto) per maand. Met ingang van mei 2008 had de man een inkomen van € 1.657 bruto (inclusief vakantiegeld) per maand. In dit geval is dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het moment van de rechterlijke uitspraak. De man is ontvankelijk in zijn verzoek.

behoefte

5.3 De behoefte van de minderjarige aan de gevraagde kinderbijdrage is destijds vastgesteld op ? 1.200 (€ 545 per maand). Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze per 1 januari 2008 € 644 en per 1 januari 2009 € 669.

draagkracht

5.4 Bij het bepalen van de draagkracht van de man zal de rechtbank een onderscheid maken naar het jaar 2008 en het jaar 2009. In 2008 zijn verschillende wijzigingen geweest, wat aanleiding is om de gemiddelde draagkracht over 2008 in aanmerking te nemen. In 2009 zal rekening worden gehouden met de gewijzigde omstandigheid dat de minderjarige dochter [naam dochter] bij de man woont. Verder zal een draagkrachtvergelijking worden gemaakt.

5.5 Voor het jaar 2008 gaat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de man uit van de volgende gegevens:

- in de periode van januari tot en met april 2008: een salaris ([naam werkgever]) van gemiddeld € 2.346 bruto per maand exclusief vakantiegeld (zie de overgelegde loonstroken), te verminderen met de daarop ingehouden premies;

- in de periode van mei tot en met 14 september 2008 (19,27 week) een ZW-uitkering van € 382,35 bruto per week inclusief vakantiegeld, te verminderen met de daarop ingehouden premies;

- in de periode van september tot en met december 2008 een resultaat van € 13.214;

- premie zorgverzekering € 112,35 per maand, waarvan overeenkomstig het standpunt van de werkgroep alimentatienormen € 44 geacht wordt in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd;

- de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

- kosten omgangsregeling € 20 per maand;

- de norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Nu niet is gesteld of gebleken dat de woonlasten van de man ten opzichte van 2001 enige wijziging hebben ondergaan, houdt de rechtbank rekening met de (geïndexeerde) huur die in 2001 in aanmerking is genomen, dat wil zeggen € 284 in 2008.

Verder is genoegzaam gebleken dat de man schulden heeft, waarvoor hij rente verschuldigd is en betaalt. De rechtbank houdt rekening met de maandelijkse rente en aflossing van gemiddeld € 132. De rechtbank ziet gelet op de betwisting door de vrouw geen grond om rekening te houden met de volledige maandelijkse betaling van € 360. Afgezien van het feit dat niet duidelijk is waar de schuld nu precies betrekking op heeft, is gebleken dat de gestorte bedragen ook weer kunnen worden opgenomen, zodat feitelijk niet echt sprake is van aflossing.

Rekening houdend met de omstandigheid dat de man een - gelijkwaardige - bijdrage voor [naam dochter] verschuldigd is, kan de beschikbare draagkrachtruimte van de man worden geacht voldoende te zijn om de vastgestelde kinderbijdrage van € 268 te voldoen.

5.6 Voor het jaar 2009 gaat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de man uit van de volgende gegevens:

- het bedrijfsresultaat van € 13.214 over de maanden september tot en met december 2008, wat na extrapolatie neer komt op een bedrijfsresultaat van € 39.648;

- de zelfstandigenaftrek;

- premie zorgverzekering € 112,35 per maand, waarvan overeenkomstig het standpunt van de werkgroep alimentatienormen € 44 geacht wordt in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd;

- de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

- de kosten omgangsregeling € 20 per maand;

- de norm voor een co-ouder en een draagkrachtpercentage van 52,5.

Nu niet is gesteld of gebleken dat de woonlasten van de man ten opzichte van 2001 enige wijziging hebben ondergaan, houdt de rechtbank rekening met de (geïndexeerde) huur die in 2001 in aanmerking is genomen, dat wil zeggen € 295 in 2009.

Zoals opgemerkt onder 5.5 zal de rechtbank ook hier rekening houden met de verschuldigde en betaalde rente van € 132 per maand.

De man kan op zich worden geacht voldoende draagkracht te hebben om de vastgestelde kinderbijdrage voor [naam minderjarige] ook in 2009 te voldoen. De wijziging van de omstandigheden beïnvloedt de draagkracht van de man dan ook niet zodanig dat op basis daarvan grond voor nihilstelling of aanpassing van de eerder vastgestelde kinderbijdrage bestaat.

5.7 Een verhoging van de draagkracht van de vrouw is echter wel aanleiding om het aandeel van de man in de behoefte van [naam minderjarige] opnieuw te beoordelen. Voor 2008 en 2009 gaat de rechtbank voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw uit van de volgende gegevens:

- een uit de loonstrook december 2008 blijkend cumulatief salaris van € 30.619 bruto (exclusief vakantiegeld) en een bonus van € 4.658, te verminderen met de daarop ingehouden premies;

- premie zorgverzekering van € 110 per maand, waarvan overeenkomstig het standpunt van de werkgroep alimentatienormen € 44 geacht wordt in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd;

- de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

- aftrekbare hypotheekrente van € 680 per maand, een eigen woningforfait van € 933 en de premie voor de aan de eigen woning gekoppelde levensverzekering van € 101;

- de norm voor een co-ouder en een draagkrachtpercentage van 52,5.

De vrouw is op 26 juni 2008 moeder geworden van [naam kind]. Zij woont niet samen met de vader van [naam kind]. In dit verband houdt de rechtbank rekening met een draagkrachtpercentage van 52,5%. De kindertoeslagen, - kortingen en de in rekening gebracht kosten van kinderopvang worden buiten beschouwing gelaten.

5.8 De totale beschikbare draagkracht van de man en de vrouw in 2008 tezamen, is onvoldoende om in de volledige behoefte van [naam minderjarige] te voorzien. Dat betekent dat de draagkrachtvergelijking voor dit jaar geen aanleiding is om het aandeel van de man in de kosten van [naam minderjarige] lager vast te stellen. In 2009 bestaat evenmin grond voor de door de man verzochte aanpassing, nu de man - na vergelijking van de draagkracht van partijen - ten opzichte van de vrouw niet bovenmatig bijdraagt in de kosten van [naam minderjarige].

5.9 Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de man worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de man.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Kuijs, griffier, op 3 maart 2009.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.