Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH4520

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/3276
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loondoorbetalingsverplichting wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen, art. 5 Beleidsregels verlenging loondoorbetaling Poortwachter.

Nu de werkneemster blijkens de Probleemanalyse van 11 april 2007 benutbare mogelijkheden had en de bedrijfsarts dit oordeel nadien niet heeft gewijzigd, kon van eiseres worden gevraagd een re-integratietraject te starten. Eiseres acht het stopzetten van dit traject niet verwijtbaar omdat de bedrijfsarts (achteraf) heeft verklaard dat op het moment van tenuitvoerlegging van het traject de werkneemster niet in een situatie was een opleiding te volgen. Echter, hieruit volgt niet dat zij (toch) geen benutbare mogelijkheden had. Indien eiseres had gemeend dat de werkneemster minder kon dan de bedrijfsarts meende, had zij een deskundigenoordeel moeten vragen. Onder deze omstandigheden mocht verweerder uit de re-integratieverslagen afleiden dat het voortzetten van een re-integratietraject tweede spoor van eiseres verwacht had kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2009

in de zaak van:

Stichting [eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. L.R.T. Peeters, advocaat te Dordrecht,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (Uwv)

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting jegens [naam] met 52 weken wordt verlengd omdat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 november 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 maart 20008, aangevuld bij brief van 29 april 2008 en 31 juli 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 november 2008. Namens eiseres is verschenen bovengenoemd gemachtigde mr. L.R.T. Peeters, en [naam], werkzaam bij [naam]. Verweerder is vertegenwoordigd door D. Mooser, werkzaam bij het Uwv.

2. Overwegingen

2.1 [naam] (hierna: de werkneemster) was bij eiseres werkzaam in de functie van woonbegeleider. Op 5 januari 2006 is zij uitgevallen wegens psychische klachten. Vanaf augustus 2006 is re-integratie in eigen werk begonnen met 1 dag per week, maar tot december 2006 waren vanwege dagbehandeling geen benutbare mogelijkheden. De re-integratie in eigen werk is in maart 2007 afgebroken vanwege bijkomende andere klachten.

Op 11 april 2007 heeft de bedrijfsarts de Probleemanalyse bijgesteld. Het re-integratie doel is gewijzigd van “eigen werk” in “ander werk” De bedrijfsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en een arbeidsdeskundige is ingeschakeld. Deze heeft op 18 mei 2007 geadviseerd om de werkneemster te (laten) begeleiden naar werk buiten de hulpverlening en zich in eerste instantie te richten op arbeidsmogelijkheden binnen de sportwereld. Op 18 juli 2007 is de werkneemster aangeboden om de opleiding fitnesstrainer te gaan doen. Tevens is afgesproken dat zij wordt ondersteund in het aangaan van sollicitatiegesprekken door deze vooraf te bespreken en te oefenen.

De werkneemster heeft echter in augustus 2007 een terugval gehad en is opnieuw opgenomen geworden. Eiseres heeft op dat moment haar activiteiten opgeschort. De werkneemster heeft op 29 augustus 2007 een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Hierin heeft zij vermeld zwanger te zijn en het geestelijk en lichamelijk niet aan te kunnen haar re-integratie voort te zetten, in- of extern.

In het re-integratieverslag van 13 september 2007, Actueel oordeel bij de Probleemanalyse, heeft de bedrijfsarts het hokje aangekruist “de werknemer werkt niet, maar heeft benutbare mogelijkheden”. De bedrijfsarts heeft vermeld dat het re-integratieplan tweede spoor door een opname nog niet is geëffectueerd, en dat de werkneemster nog steeds in behandeling is. De bedrijfsarts heeft verwezen naar de FML van 11 april 2007.

De werkneemster heeft op 14 september 2007 in de eindevaluatie van het plan van aanpak WIA te kennen gegeven dat de re-integratieactiviteiten niet volgens plan zijn verricht door diverse redenen, oa terugval/recidief van de klachten.

Op 9 oktober 2007 heeft een arbeidsdeskundige van verweerder geconcludeerd dat het re-integratieresultaat onvoldoende is omdat de werkneemster niet werkt, dan wel er geen tweede spoor is ingezet, terwijl er wel benutbare mogelijkheden zijn. Om de tekortkomingen te herstellen dient eiseres alsnog een traject tweede spoor te starten door het inzetten van een re-integratiebedrijf, waarbij sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat als het gehele traject afgerond is. Hierop heeft verweerder in het besluit van 18 oktober 2007 de loondoorbetalingverplichting tijdens ziekte jegens de werkneemster verlengd met 52 weken in aansluiting op de normale periode van 104 weken. Tevens wordt eiseres toegezegd dat indien eiseres het verzuim herstelt, de loonsanctieperiode tot zes weken na een nieuwe beslissing zal worden verkort. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

De bedrijfsarts heeft op 5 december 2007 de FML bijgesteld. De reden van bijstelling is de zwangerschap en handletsel. Zij kan nu niet met haar handen werken. Wegens zwangerschapsklachten kan zij maximaal halve dagen werken. In de Rapportage verzuimbegeleiding van 10 januari 2008 vermeldt de bedrijfsarts dat er geen beperkingen van de hand meer zijn. De beperking tot halve dagen werken geldt nog steeds.

Voorts heeft eiseres haar bezwaren tegen de verlenging nader toegelicht tijdens een hoorzitting op 25 januari 2008, in aanwezigheid van een bezwaararbeidsdeskundige. Deze heeft op 8 februari 2008 een rapportage opgemaakt waarin hij heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Verweerder heeft vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

2.2 Eiseres is het hiermee niet eens. In beroep is aangevoerd dat zij steeds tijdig die maatregelen heeft getroffen en voorschriften heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de werkneemster in staat te stellen de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. Subsidiair zijn genoemde omstandigheden een deugdelijke grond voor het nalaten. Meer subsidiair is eiseres van mening dat de opgelegde sanctie van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken te zwaar is. Volgens artikel 5 van de Beleidsregels Verlenging Loondoorbetaling Poortwachter wordt deze slechts opgelegd bij uiterste nalatigheid. Naar de mening van eiseres is hier ten hoogste sprake van ernstige nalatigheid, hetgeen ingevolge artikel 5 lid 4 van de Beleidsregels zou kunnen leiden tot een loondoorbetalingperiode van ten hoogste zes maanden.

2.3 In dit geding staat ter beoordeling of verweerder terecht en op goede gronden de termijn waarin eiseres gehouden is om aan de werkneemster loon door te betalen, heeft verlengd met 52 weken. Hieraan gaat vooraf de vraag of eiseres ten aanzien van de werkneemster al dan niet tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen, waarbij het blijkens de stukken met name gaat om de periode van maart/april 2007 tot de onderhavige aanvraag.

2.4 Artikel 25 van de WIA luidt, voor zover van belang:

“1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(…)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

6. De verzekerde verleent zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen van het re-integratieverslag.

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

8. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een re-integratieverslag op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een termijn waarbinnen het re-integratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

12. Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.

14. Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

15. Indien het UWV heeft vastgesteld dat de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is hersteld, geeft het UWV binnen zes weken een beschikking over het ontstaan van het recht op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7.

16. Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het vijftiende lid nadere regels worden gesteld”.

2.5 In de ministeriële Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar is aangegeven welke procesmatige stappen werkgever en werknemer tijdens het eerste en tweede ziektejaar moeten ondernemen.

2.6 Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, kort gezegd, dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De uitgangspunten voor de beoordeling door verweerder van de re-integratie-inspanningen die van de werknemer en werkgever worden verwacht zijn neergelegd in het "Kader voor inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen", de bijlage bij de regeling "Beleidsregels beoordelingskader poortwachter”, hierna de Beleidsregels.

2.7 Volgens de Beleidsregels wordt allereerst beoordeeld of een bevredigend resultaat is bereikt. Hiervan is onder meer sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) structurele werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden, of als de werknemer tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode is ingeschakeld in arbeid waarvan de loonwaarde tenminste 65% bedraagt van het loon dat hij verdiende voor het intreden van de ziekte. Als er volgens het Uwv geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeelt het Uwv de re-integratie-inspanningen.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat geen bevredigend resultaat is bereikt in vorenbedoelde zin. Mitsdien dient de vraag te worden beantwoord of eiseres in gebreke is gebleven en of dit zonder deugdelijke grond was .

2.9 Volgens de Beleidsregels is de medische beoordeling door de bedrijfsarts het startpunt in het kader van de verzuimbegeleiding. In dit verband kan de rechtbank eiseres volgen in haar standpunt dat zij als werkgever in beginsel af mag gaan op het deskundig medisch oordeel van haar Arbo-arts omtrent de arbeidsmogelijkheden van een werknemer. Eiseres beschikt immers niet zelf over de benodigde medische expertise. De rechtbank sluit zich in zoverre dus aan bij de uitspraak van 2 januari 2008 van de rechtbank Assen (LJN: BC1753).

2.10 In de Beleidsregels is voorts aangegeven dat indien de werknemer nog arbeidsmogelijkheden heeft, ook al is de omvang daarvan beperkt, de in wet- en regelgeving neergelegde re-integratieverplichtingen gelden. Er zijn dan immers mogelijkheden voor re-integratie. Dat een juiste vaststelling van de arbeidsmogelijkheden ook anderszins relevant is blijkt uit de passage in de Beleidsregels, inhoudende dat van werkgever en werknemer geen re-integratie-inspanningen meer worden verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

2.11 De rechtbank heeft de indruk gekregen dat eiseres heeft gehandeld alsof de bedrijfsarts heeft geschreven dat eiseres geen benutbare mogelijkheden had. Immers, het “tweede spoor traject” heeft slechts bestaan uit het bespreken van een opleiding. Nu de werkneemster blijkens voormelde Probleemanalyse van 11 april 2007 benutbare mogelijkheden had en de bedrijfsarts dit oordeel nadien niet heeft gewijzigd, kon van eiseres worden gevraagd een re-integratietraject te starten. Eiseres acht het stopzetten van dit traject niet verwijtbaar omdat de bedrijfsarts (achteraf) heeft verklaard dat op het moment van tenuitvoerlegging van het traject de werkneemster niet in een situatie was een opleiding te volgen. Aan deze verklaring kan niet die betekenis worden gehecht die eiseres daaraan toekent, omdat ook hieruit niet volgt dat zij (toch) geen benutbare mogelijkheden had. Indien eiseres had gemeend dat de werkneemster minder kon dan de bedrijfsarts meende, had zij een deskundigenoordeel moeten vragen. Onder deze omstandigheden mocht verweerder uit de re-integratieverslagen afleiden dat het voortzetten van een re-integratietraject tweede spoor van eiseres verwacht had kunnen worden.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht en dat daarvoor geen deugdelijke geen deugdelijke grond was. Mitsdien was verweerder bevoegd een sanctie op te leggen.

2.13 In dit verband heeft eiseres gewezen op artikel 5 van de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter van verweerder, Stcrt 19 december 2005 nr 246, p 94 en bepleit dat haar ten hoogste een sanctie van 6 maanden kan worden opgelegd. Dit sanctie systeem is het oude systeem. Het nieuwe loonsanctiesysteem is via de Aanpassings- en Verzamelwet WIA opgenomen in onder meer artikel 25 WIA. Dit nieuwe systeem geldt voor personen die na 15 augustus 2004 ziek zijn geworden. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om de duur van de sanctie te verkorten.

2.14 Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel - Kuneman, rechter, en op 17 februari 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.