Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH4394

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
AWB 07/7072
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand vanwege de weigering medewerking te verlenen aan het afleggen van een huisbezoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder een redelijke grond had voor een huisbezoek. Bij nemen primaire besluit kon verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Voorts stelt de rechtbank vast dat tijdens de bezwaarprocedure op grond van nader verkregen informatie het recht op bijstand alsnog kon worden vastgesteld. Verweerder heeft gelet hierop de bijstand ten onrechte geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 7072 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2009

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. N. Jansen, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 juli 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 september 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 oktober 2007, aangevuld bij brief van 22 november 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 januari 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. N. Jansen. Verweerder is niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en gelast dat het vooronderzoek wordt hervat.

De behandeling van het beroep is hervat ter zitting van 17 november 2008. Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Uit de stukken blijkt dat eiser zich op 21 mei 2007 heeft gemeld bij het CWI voor het indienen van een nieuwe aanvraag om een WWB-uitkering, met als ingangsdatum 15 februari 2007. Op 11 juni 2007 heeft een eerste intakegesprek plaatsgevonden. Daarbij is aan eiser verzocht om alle opeenvolgende bankafschriften van 15 november 2007 tot meldingsdatum CWI over te leggen. Bij het vervolggesprek op 19 juni 2007 is aan eiser verzocht zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van een huisbezoek. Eiser heeft zijn medewerking geweigerd. Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder daarop deze aanvraag afgewezen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat eiser geen toestemming heeft verleend voor een huisbezoek. Verweerder heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.2 Uit de stukken blijkt verder dat eiser zich op 22 juni 2007 opnieuw heeft gemeld bij het CWI voor het indienen van een aanvraag om een WWB-uitkering, met als ingangsdatum 15 februari 2007. Op 6 juli 2007 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met eiser, die samen met zijn moeder bij dit gesprek is verschenen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder bijstand toegekend met ingang van 22 juni 2007. De aanleiding voor deze toekenning is gelegen in een verklaring van de moeder van eiser dat hij vanaf februari 2007 bij zijn ouders op het [adres] heeft verbleven. In het primaire besluit van 9 augustus 2007 wordt de aanvraag afgewezen wat betreft de periode van 15 februari tot en met 21 juni 2007 en wordt bijstand toegekend vanaf 22 juni 2007.

2.3 Het thans bij de rechtbank voorliggende geschil ziet op de afwijzing van de op 21 mei 2007 (met terugwerkende kracht tot 15 februari 2007) ingediende aanvraag en beperkt zich in de tijd tot 22 juni 2007, zijnde de datum met ingang waarvan eiser na een nieuwe aanvraag weer een uitkering is toegekend. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat eiser geen toestemming heeft verleend voor een huisbezoek.

2.4 Eiser betoogt dat er geen redelijke grond was voor een huisbezoek. Eiser betwist dat op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door hem verstrekte inlichtingen. Ook acht eiser het huisbezoek niet proportioneel en is in zijn visie niet voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Voor zover er terechte twijfel bestond had verweerder op een minder belastende wijze kunnen verifiëren of de door hem verstrekte en de overig aanwezige gegevens juist waren. Ook acht eiser het besluit gebrekkig gemotiveerd. Eiser stelt dat hij was overvallen met de vraag of er een huisbezoek mocht worden afgelegd. Zijn raadsman heeft de dag na het gesprek gebeld met verweerder en heeft uitgelegd dat zijn reactie moet worden verklaard door zijn psychische gesteldheid. Daarop heeft zijn raadsman aangegeven dat eiser alsnog zijn medewerking wil verlenen. Eiser stelt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom niet is ingegaan op dit aanbod om alsnog een huisbezoek af te leggen. Wat betreft zijn psychische gesteldheid heeft eiser een verklaring van P.C.H. Prudon, psycholoog, ingebracht. Ter zitting heeft eiser er nog op gewezen dat zijn brief van 26 februari 2007 als een nieuw feit (namelijk een aanvraag) zou moeten worden aangemerkt en dat verweerder hier in de visie van eiser ten onrechte niet op heeft gereageerd.

2.5 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank bestond er in dit geval, gelet op de inmiddels ontwikkelde jurisprudentie (gewezen wordt op de uitspraken van de CRvB van 11 april 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder (onder andere) nummer LJN: BA2410), een voldoende redelijke grond voor een huisbezoek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij het bestuderen van de desgevraagd overgelegde bankafschriften bleek van onder meer lage energielasten, adressering van bankafschriften op het adres van de ouders, en verschillende pintransacties bij benzinestations (in Leiden, Lisse en Sassenheim). Daar komt bij dat eiser in februari 2007 tot tweemaal toe niet (tijdig) heeft gereageerd op een schriftelijke uitnodiging voor een gesprek en het in het verleden ook al vaker is voorgekomen dat eiser niet (adequaat) reageerde op post van verweerder. Ook blijkt uit de stukken dat medewerkers in 2006 tweemaal tevergeefs hebben getracht een huisbezoek af te leggen en daarbij de gordijnen dicht aantroffen. Tijdens het vervolggesprek op 19 juni 2007 zijn aan eiser hierover vragen gesteld en hebben de betreffende medewerkers aan het einde van dat gesprek aangegeven dat er twijfel is gerezen over het daadwerkelijke hoofdverblijf, waarop hem is verzocht medewerking te verlenen aan een huisbezoek.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat, gelet hierop, redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van de door eiser, voor het vaststellen van het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens over zijn feitelijke woonadres. Het betreft hier immers een concrete aanwijzing voor twijfel. Het binnentreden van de woning was daarom noodzakelijk en proportioneel. Aan het vereiste van subsidiariteit is, anders dan eiser betoogt eveneens voldaan.

2.8 Op grond van artikel 17, tweede lid, WWB geldt voor eiser de verplichting om medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Gegevens over de woonsituatie zijn mede bepalend voor de vraag of en in welke mate bijstand moet worden verleend. Door op 19 juni 2007 medewerking te weigeren aan het afleggen van een huisbezoek heeft eiser niet die informatie verstrekt die nodig is voor een goede beoordeling. Gelet hierop kon verweerder als gevolg van de weigering van eiser op dat moment niet vaststellen of en zo ja, in welke mate eiser recht had op bijstand. Van een dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek in de weg stond, is niet kunnen blijken.

2.9 Als gevolg daarvan kon ten tijde van het besluit van 21 juni 2007 het recht op bijstand met ingang van de aanvraagdatum 21 mei 2007 door verweerder niet worden vastgesteld.

2.10 Volgens vaste rechtspraak kan evenwel aan een weigering van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet kan worden vastgesteld, niet worden vastgehouden indien in de lopende procedure op grond van nader verkregen informatie het recht alsnog blijkt te kunnen worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Uit het dossier blijkt immers dat naar aanleiding van de op 22 juni 2007 ingediende aanvraag is overgegaan tot toekenning van de bijstand met ingang van die aanvraagdatum. Het besluit daartoe dateert van 9 augustus 2007. Die toekenning is gestoeld op een verklaring van de moeder van eiser dat hij vanaf februari 2007 bij zijn ouders in [adres] heeft verbleven. Uit deze informatie die hangende de onderhavige bezwaarprocedure voorhanden is gekomen kan derhalve wel worden vastgesteld dat eiser (ook) ten tijde van zijn aanvraag van 21 mei 2007 verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden en recht had op bijstand naar de in die situatie geldende norm. Voor het alsnog met terugwerkende kracht (tot 15 februari 2007) verlenen van bijstand bestaat geen aanleiding. De hoofdregel is dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van bijzondere omstandigheden die een afwijking van die hoofdregel rechtvaardigen is geen sprake.

2.11 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het besluit van 7 september 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen. De rechtbank ziet voorts aanleiding onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid Awb zelf in de zaak te voorzien door de bezwaren tegen het primaire besluit van 21 juni 2007 gegrond te verklaren, het primaire besluit van 21 juni 2007 te herroepen en te bepalen dat aan eiser met ingang van 21 mei 2007 een uitkering op grond van de WWB toekomt naar de in zijn situatie geldende norm.

2.12 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen voor de in beroep gemaakte proceskosten (forfaitaire vergoeding: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt is geen aanleiding. Eerst hangende bezwaar kon verweerder beschikken over nadere informatie. Het is dan ook aan eiser zelf te wijten dat hij de procedure in bezwaar heeft moeten voeren.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 7 september 2007;

3.3 verklaart de bezwaren tegen het primaire besluit van 21 juni 2007 gegrond, herroept dit besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 7 september 2007.

3.4 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Haarlemmermeer aan de griffier;

3.5 bepaalt dat de gemeente Haarlemmermeer het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 24 februari 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.