Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH4028

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/5341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand wegens legeskosten. Verweerder heeft buitenwettelijk begunstigend beleid opgesteld. Bij een consistente toepassing van het beleid had verweerder in geval van eisers dienen te beoordelen of sprake was van een schrijnende situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 5341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2009

in de zaak van:

[eiser],

eiser, en

[eiseres],

eiseres,

beiden woonachtig te [woonplaats],

tezamen te noemen eisers.

gemachtigde: mr. H.J. Walrave, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2006 heeft verweerder de aanvraag van eisers om bijzondere bijstand voor legeskosten afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 18 augustus 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 6 augustus 2008, aangevuld bij brief van 16 september 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 januari 2008, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Op 17 mei 2006 hebben eisers, mede namens twee minderjarige kinderen en één meerderjarig kind, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor legeskosten in verband met de aanvraag om een (reguliere) verblijfsvergunning op 14 december 2005. Op 5 mei 2006 hebben eisers hiervoor de nota’s in verband met legeskosten van de IND ontvangen. Deze aanvraag heeft verweerder afgewezen, omdat eisers geen rechthebbenden zijn in de zin van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 november 2006 is dit besluit herzien ten aanzien van de twee minderjarige kinderen van eisers, [namen]. Voor hen heeft verweerder wel bijzondere bijstand verleend in verband met legeskosten. Naar aanleiding van het namens eisers ingediende bezwaar heeft op 26 mei 2008 een hoorzitting plaatsgevonden voor een ambtelijke commissie. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen rechthebbenden zijn in de zin van de WWB, omdat eisers ten tijde van het opkomen van deze kosten geen met een Nederlander gelijk te stellen vreemdelingen waren. Verweerder heeft voorts verwezen naar het gevoerde beleid. Niet is gebleken dat vanwege het ontbreken van financiële middelen er geen verblijfsvergunning kon worden verstrekt. De kosten zijn door een derde voorgeschoten. De reden dat eisers (in eerste instantie) geen verblijfsvergunning kregen was gelegen in de omstandigheid dat eisers niet voldeden aan de gestelde criteria. Daarom kunnen eisers geen rechten ontlenen aan het door verweerder gevoerde beleid in deze. Er was geen sprake van een schrijnende situatie. Evenmin is gebleken dat een wethouder op enig moment toezeggingen zou hebben gedaan.

2.3 In beroep hebben eisers – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder dient te handelen overeenkomstig diens (buitenwettelijk) beleid in deze. Verwezen wordt in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 juli 2007 (LJN: BB1159). In het geval van eisers is sprake van een schrijnende situatie. Ten onrechte stelt verweerder dat geen sprake is van schrijnendheid, omdat de kosten voor de leges door de toenmalige advocaat in de asielprocedure waren voorgeschoten. Verweerder gaat voorbij aan het feit dat deze advocaat dat pas heeft gedaan, toen verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand voor legeskosten had afgewezen. Het gevaar bestond op dat moment dat eisers werden uitgezet. Hierbij is tevens van belang dat de jongste dochter van eisers wel rechtmatige verblijf had in Nederland en vanwege medische behandeling Nederland niet kon verlaten. Eisers konden dan ook niet anders dan het geld te laten voorschieten door hun toenmalige advocaat, om zo een scheuring van het gezin te voorkomen. Eisers stellen zich op het standpunt dat op grond van deze schrijnende situatie zij conform het beleid van verweerder inzake bijzondere bijstand voor legeskosten, in aanmerking dienen te komen voor vergoeding van de legeskosten. Voorts refereren eisers aan gesprekken die met wethouder Tuning van de Haarlemmermeer hebben plaatsgevonden over hun schrijnende situatie, terwijl eisers tevens stellen dat het door verweerder gehanteerde beleid mede tot stand is gekomen met het oog op de situatie van juist eisers.

2.4 Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat eisers niet vallen onder het bovenwettelijke begunstigend beleid zoals door verweerder gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 In artikel 11, eerste lid, WWB is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid is bepaald dat met de Nederlander bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. In het derde lid van artikel 11 WWB is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf in Nederland hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

2.6 In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit gelijkstelling vreemdelingen) is bepaald in artikel 1, eerste lid, – voorzover hier van belang – dat voor de toepassing van de WWB met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l van de Vreemdelingenwet 2000.

In het tweede lid is bepaald dat de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist of

b de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

2.7 In artikel 35, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) is bepaald – voor zover van toepassing – dat de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidtoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

2.8 Vast staat dat eisers op het moment dat zij een aanvraag indienden om bijzondere bijstand wegens legeskosten, geen rechthebbenden waren in de zin van de WWB, omdat eisers ten tijde van het opkomen van deze kosten geen met een Nederlander gelijk te stellen vreemdelingen waren. Derhalve kwamen zij op grond van de WWB niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

2.9 Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of eisers op grond van het door verweerder gevoerde (buitenwettelijke) beleid wel in aanmerking kwamen voor bijzondere bijstand.

2.10 Verweerder heeft in het kader van het recht op bijzondere bijstand beleid opgesteld in verband met legeskosten voor het verkrijgen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning (Richtlijn B012). Dit beleid houdt – voor zover hier van toepassing – het volgende in:

Voor een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning kan in beginsel geen bijstand worden verleend. Indien het ontbreken van middelen tot gevolg heeft dat geen verblijfsvergunning kan worden verstrekt en dit tot gevolg heeft dat er schrijnende situaties ontstaan, kan bij wijze van uitzondering voor de eerste aanvraag bijstand worden verleend. Alle middelen van belanghebbende dienen te worden aangesproken, ook het vrij te laten bescheiden vermogen. Van belang is dat het beleid in ieder geval zo wordt uitgevoerd dat mensen nimmer door het niet kunnen betalen van de legeskosten uit hun reeds bestaande gezinsverband kunnen worden gehaald.

2.11 Zoals de CRvB in zijn bovengenoemde uitspraak van 31 juli 2007 ten aanzien van verweerders gehanteerde beleid heeft geoordeeld, dient dit beleid te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

2.12 De rechtbank begrijpt verweerders standpunt in het bestreden besluit aldus, dat verweerder het eigen beleid zo uitlegt dat alleen bijzondere bijstand kan worden verleend in geval de voorwaarde van legeskosten de enige voorwaarde is die eraan in de weg staat een verblijfsvergunning te verlenen en dit tot gevolg heeft dat er schrijnende situaties ontstaan. Vanuit die redenering is verweerder dan ook niet toegekomen aan de afweging of in concreto sprake was van een schrijnende situatie als bedoeld in zijn beleid zoals hierboven weergegeven.

2.13 De rechtbank volgt verweerder niet in deze uitleg van het beleid. Immers, in het beleid is bepaald dat indien het ontbreken van middelen tot gevolg heeft dat geen verblijfsvergunning kan worden verstrekt en dit tot gevolg heeft dat er schrijnende situaties ontstaan, bij wijze van uitzondering voor de eerste aanvraag bijstand kan worden verleend. In het beleid is dus niet opgenomen zoals verweerder heeft gesteld dat aan alle overige voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning (met uitzondering van het legesvereiste) moet zijn voldaan, wil bijzondere bijstand worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, bij een consistente toepassing van het beleid, in geval van eisers had dienen te beoordelen of sprake was van een schrijnende situatie. In geval van eisers had verweerder in het bijzonder aandacht dienen te schenken aan de omstandigheid dat aan eisers jongste minderjarige dochter wegens medische redenen wel een verblijfsvergunning was verleend, terwijl de overige gezinsleden een verblijfsvergunning werd onthouden. Deze beoordeling van de schrijnendheid heeft niet plaatsgevonden. Dit klemt des te meer, nu in verweerders beleid expliciet is opgenomen dat van belang is dat het beleid in ieder geval zo wordt uitgevoerd dat mensen nimmer door het niet kunnen betalen van de legeskosten uit hun reeds bestaande gezinsverband kunnen worden gehaald. Daarbij komt dat tevens is gebleken dat ten behoeve van de twee andere minderjarige kinderen uiteindelijk wel bijzondere bijstand is verstrekt voor legeskosten. De toekenning tegenover de weigering aan eisers zou ertoe leiden dat het bestaande gezinsverband zou worden verbroken, hetgeen evenmin in overeenstemming is met verweerders beleid dat in ieder geval zo dient te worden uitgevoerd dat mensen nimmer door het niet kunnen betalen van de legeskosten uit hun reeds bestaande gezinsverband kunnen worden gehaald.

2.14 De rechtbank merkt voorts op dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat door wethouder Tuning toezeggingen zijn gedaan aan eisers, maar dat blijkbaar wel een debat is gevoerd over schrijnende situaties en de onwenselijkheid om een gezin uit elkaar te halen. Dit had naar het oordeel van de rechtbank in de overwegingen van verweerder een rol moeten spelen, nu verweerder naar aanleiding van dit debat buitenwettelijk beleid heeft gecreëerd, mede met het oog op de omstandigheden van juist eisers.

2.15 Ten aanzien van verweerders verwijzing in de bestreden beslissing naar het feit dat een derde de leges voor eisers hebben betaald, overweegt de rechtbank dat deze opmerking van verweerder geen recht doet aan de situatie dat eisers (asiel)advocaat de legeskosten heeft voorgeschoten, terwijl deze kosten door de advocaat direct bij eisers werd gedeclareerd. Door het betalen van de legeskosten kon de aanvraag van eisers om een verblijfsvergunning in behandeling worden genomen en kon in ieder geval (tijdelijk) worden voorkomen dat eisers (zonder hun minderjarige jongste dochter) werden uitgezet. Op het moment dat verweerder besliste op de aanvraag van eisers om bijzondere bijstand wegens legeskosten, was de betalingstermijn van de IND reeds verlopen en zou, wanneer een derde de legeskosten niet zou hebben voorgeschoten, de aanvraag van eisers om een verblijfsvergunning buiten behandeling zijn gesteld.

2.16 Gelet op het vorenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 4:84 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.17 Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 2008;

3.3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644, te betalen door de gemeente Haarlemmermeer aan eisers;

3.5 gelast dat de gemeente Haarlemmermeer het door eisers betaalde griffierecht van

€ 39,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, rechter en op 24 februari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.