Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3797

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
15/700788-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dagvaarding partieel nietig. Tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig. Het onder 2 primair ten laste gelegde feit behelst een poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep, welke van feitelijke grondslag is voorzien door uitvoeringshandelingen, die op grond van artikel 1, lid 5 van de Opiumwet begrepen zijn onder het voltooide delict, namelijk het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep zoals bedoeld in artikel 3 onder A OW.

Vrijspraak voor opzettelijk uitvoeren van hennep (feit 1).

Veroordeling voor opzettelijk vervoeren van 524 kilogram hennep (feit 2 subsidiair). Gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Artikel 14a, 14b, 14c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 3, 11 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700788-08

Uitspraakdatum: 10 februari 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

volgens eigen opgave wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Midden Holland, HvB Haarlem, te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2008 tot en met 15 oktober 2008 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 oktober 2008 tot en met 17 oktober 2008 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 524 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk pallets met dozen, waarin hennep was verpakt, in zijn vrachtwagen heeft geladen en/of vervolgens heeft vervoerd naar internationaal transportbedrijf [bedrijf] en/of als bestemming aangegeven dat die dozen naar Engeland moesten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

2.1. Partiële nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank zal de dagvaarding wat betreft het onder 2 primair tenlastegelegde feit ambtshalve nietig verklaren, nu de opgave van dat feit niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (OW) houdt in dat onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 OW onder meer is begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren. Aan de verdachte is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd ongeveer 524 kilogram hennep buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Als uitvoeringshandelingen van deze poging tot uitvoer houdt de tenlastelegging in dat de verdachte de hennep in zijn vrachtwagen heeft vervoerd naar een internationaal transportbedrijf en als bestemming had aangegeven dat die dozen naar Engeland moesten. Het onder 2 primair ten laste gelegde feit behelst aldus een poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep, welke van feitelijke grondslag is voorzien door uitvoeringshandelingen, die op grond van artikel 1, lid 5 van de Opiumwet begrepen zijn onder het voltooide delict, namelijk het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep zoals bedoeld in artikel 3 onder A OW.

De tenlastelegging voldoet hiermee niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de opgave van het onder 2 primair ten laste gelegde feit innerlijk tegenstrijdig is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

2. subsidiair

hij op tijdstippen in de periode van 16 oktober 2008 tot en met 17 oktober 2008 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of vervoerd ongeveer 524 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2. subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 41) d.d. 19 oktober 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

Op vrijdag 17 oktober 2008 is een onderzoek ingesteld naar de inhoud van inbeslaggenomen pallets. Deze pallets werden op 16 oktober 2008 in Nieuw Vennep, bij [transportbedrijf], inbeslaggenomen. Op de pallets werden dozen aangetroffen, wit van kleur, zonder opschrift. De dozen stonden op pallets met doorzichtige kunststoffolie omwikkeld. Na verwijdering van de kunststoffolie werd iedere doos, voornamelijk inhoudende snijbloemen, onderzocht op de aanwezigheid van verpakkingen verdovende middelen, vermoedelijk hennepproducten. Het proces-verbaal bevat een overzicht van de per pallet aangetroffen verdovende middelen met een totaal gewicht van 255989 gram.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 56) d.d. 19 oktober 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

Op vrijdag 17 oktober 2008 is een onderzoek ingesteld naar de inhoud van inbeslaggenomen pallets. Deze pallets werden op vrijdag 17 oktober 2008 aangetroffen in een vrachtauto, voorzien van het opschrift [autoverhuurbedrijf]. Op de pallets werden dozen aangetroffen, wit van kleur, zonder opschrift. De dozen stonden op pallets met doorzichtige kunststoffolie omwikkeld. Na verwijdering van de kunststoffolie werd iedere doos, voornamelijk inhoudende snijbloemen, onderzocht op de aanwezigheid van verpakkingen verdovende middelen, vermoedelijk hennepproducten. Het proces-verbaal bevat een overzicht van de per pallet aangetroffen verdovende middelen met een totaal gewicht van 268566 gram.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte (loop)proces-verbaal (dossierpagina 1) d.d. 6 januari 2009, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

In de loods van de firma [transportbedrijf] (een groot internationaal transportbedrijf) te Nieuw Vennep werden door een medewerker genaamd [getuige 1] 7 houten pallets met daarop een groot aantal dozen aangewezen. Deze dozen waren omwikkeld met folie en daarop waren gele stickers geplaatst met als opschrift: [bloemengroothandel]. Op deze 7 pallets zat tussen de folie een A4 formulier bevestigd met daarop een adres in Engeland waar de pallets kennelijk naartoe verzonden moesten worden. Als afzender stond op het formulier genoemd: [bloemengroothandel] in Hoofddorp. Door medewerker [getuige 1] werden een aantal dozen geopend. In deze dozen zaten transparante zakken die kennelijk gevuld waren met hennep.

Op vrijdag 17 oktober 2008 omstreeks 09.00 uur werd door de politie gepost bij de firma [transportbedrijf] te Nieuw Vennep. Omstreeks 10.40 uur meldde medewerker [getuige 1] dat door [bloemengroothandel] een nieuwe lading was aangemeld en dat deze onderweg was naar de firma [transportbedrijf]. [getuige 1] vertelde de politie dat de ladingen van [bloemengroothandel] altijd gebracht werden met een oranje wagen van [autoverhuurbedrijf] door een chauffeur die op Bassie zou lijken. Omstreeks 10.50 uur kwam een oranje wagen van [autoverhuurbedrijf] het terrein van [transportbedrijf] opgereden. De chauffeur werd door de politie aangesproken nadat hij de laadklep van de vrachtwagen had laten zakken. Door de politie werd gezien dat achter in de vrachtwagen soortgelijke pallets stonden als die op 16 oktober 2008 in de loods van [transportbedrijf] waren aangetroffen en inbeslaggenomen.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik ben chauffeur en doe allerlei klusjes, zoals verhuizingen. Voor een kleine verhuizing krijg ik EUR 50,- en voor een grotere EUR 150,-. Ik huur dan zelf een auto en dat kost EUR 60,-. Het klopt als u zegt dat ik er dan soms op moest toeleggen. Ik heb een aantal maanden voor het bedrijf [bloemengroothandel] bloemen vervoerd. Ik haalde dan pallets op bij een loods aan [adres] en leverde de pallets af bij [transportbedrijf] in Nieuw-Vennep. Het klopt dat in de huurauto geen koelruimte zit. Ik vond het wel vreemd dat ik nooit facturen kreeg, maar ik dacht dat het met fiscusproblemen te maken had. Bij [transportbedrijf] kreeg ik van iemand een envelop met geld en sprak dan voor een volgende keer weer af. Ik had nooit telefonisch contact en heb nooit iemand gezien van [bloemengroothandel]. Ik heb twee keer aan de heer [getuige 2] huur voor de loods betaald.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 20 oktober 2008, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik heb op donderdag 16 oktober 2008 en vrijdag 17 oktober 2008 pallets geleverd. Ik heb niet gevraagd wat er in die dozen zat. Ik ben ingehuurd voor het vervoer van pallets. Ik heb een tot drie keer in de week vrachten voor het bedrijf [bloemengroothandel] vervoerd. Van de loods naar [transportbedrijf] was maar 10 minuten rijden. Het klopt dat ik het op een gegeven moment raar vond worden.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 269) d.d. 23 oktober 2008, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Tijdens een verhuizing in Amsterdam werd ik aangesproken door mensen die daar ook aan het werk waren bij die verhuizing. Of ik ook wel eens ander werk deed. Ik zei toen koerierswerk en ze zeiden dat ze mogelijk ander werk voor me hadden. Ik heb ze mijn adres gegeven. Later zijn ze bij me langs geweest op mijn adres [adres] te Amsterdam. Ze kwamen namens [bloemengroothandel] en of ik transportwerkzaamheden wilde doen. Later hebben ze een briefje in de bus gegooid met [adres] te Nieuw-Vennep en dat ik daar twee pallets moest ophalen. Dit was ongeveer twee maanden geleden. Ik ben nooit door [bloemengroothandel] gebeld, het ging altijd mondeling. Ik kwam daar aanrijden, flikkerde de pallets in de auto en reed naar [transportbedrijf]. Ik had geen vrachtbrieven en [transportbedrijf] heeft er nooit naar gevraagd. Ik wil niet antwoorden wat ik op 17 oktober 2008 tussen 07.45 en 10.40 uur heb gedaan.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 277) d.d. 21 november 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

U vraagt mij over het tijdstip op 17 oktober 2008 tussen 07.45 – 10.40 uur. Ik zeg u dat ik wel vaker moest wachten en dan sliep ik in de auto. Ik heb niets te maken met inpakken. De eigenaar van de loods op [adres] heb ik een paar keer geld in een envelop gegeven. Dat was niet elke maand.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (dossierpagina 231) d.d. 22 oktober 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

Ik vertrouwde het niet omdat de dozen te licht waren voor bloemen en het was een onbekend adres in Engeland waar het heen moest. Die zendingen vinden plaats sinds 6 mei 2008. De contactpersoon heet [naam]. [bloemengroothandel] brengt de zendingen altijd naar [transportbedrijf] te Nieuw-Vennep. Er wordt gebruik gemaakt van een huurbakwagen van [autoverhuurbedrijf]. De chauffeur van de auto is de man die jullie hebben aangehouden. Zover ik weet, reed er geen andere chauffeur zendingen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte procesverbaal van verhoor van [getuige 2] (dossierpagina 224) d.d. 23 oktober 2008, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

Sinds 16 mei 2008 wordt mijn loods aan [adres] verhuurd aan de heer [betrokkene] voor opslag en verwerking van bloemen. Meestal vanaf een uur of acht s ochtends komen er mensen. Gemiddeld 1 a 2, soms 6. De chauffeur is ook wel eens alleen. Ze komen met vrachtautootjes en luxe auto s. Ze rijden steeds met een oranje vrachtauto van [autoverhuurbedrijf]. Ik spreek de chauffeur van de vrachtauto van [autoverhuurbedrijf] regelmatig. Ik kreeg van hem namelijk elke maand geld. In het begin van [betrokkene] en later van de chauffeur. Het bedrag was contant en volgens het huurcontract 1130,50 euro per maand. (p. 227) Ik weet niet precies hoeveel keren de chauffeur mij heeft betaald.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal testen verdovende middelen (dossierpagina 84) d.d. 13 december 2008, zakelijk samengevat onder meer inhoudende dat het totale gewicht van de inbeslaggenomen plastic pakken hennep 524555 gram was. Van de partij van 16 oktober 2008 is 597 gram (bruto) meegenomen voor de test en van de partij van 17 oktober 2008 is 1126 gram (bruto) en 1092 gram (bruto) meegenomen voor de test. De op 13 december 2008 uitgevoerde test gaf binnen enkele seconden een kleuromslag van kleurloos naar helder rood. Deze kleurontwikkeling heeft als indicatie dat de stof/materiaal vermoedelijk de aanwezigheid van cannabis betreft.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (ter terechtzitting overgelegd door de officier van justitie) d.d. 27 januari 2009, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer:

In aanvulling op het proces-verbaal van testen verdovende middelen d.d. 13 december 2008 verklaart verbalisant dat zodra hij de dichtgesealde doorzichtige plastic zakken opende, hij onmiddellijk de hem kenmerkende geur van hennep rook. Hij zag ook dat de door hem geopende plastic zakken gevuld waren met gedroogde henneptoppen. Hij zag eveneens dat de op 16 en 17 oktober 2008 dichtgesealde doorzichtige plastic zakken die inbeslaggenomen waren, gevuld waren met gedroogde henneptoppen.

- een schriftelijk stuk (dossierpagina 76), te weten een kopie verhuurcontract van [autoverhuurbedrijf] op naam van [bloemengroothandel] en op het rijbewijs van verdachte afgegeven voor 13 tot en met 18 oktober 2008.

3.4 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft betoogd dat de verslaglegging in het dossier met betrekking tot het aantreffen van de hennep op 16 en 17 oktober 2008 niet eenduidig is en ruimte laat voor de mogelijkheid dat een burger, de heer [getuige 1], is aangestuurd door de politie. Nu dit gevolgen kan hebben voor het oordeel van de rechtmatigheid van het aldus verkregen bewijsmateriaal, wordt verzocht om een open terugwijzing naar de rechter-commissaris om [getuige 1] te horen en verder al het onderzoek te doen dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht.

Ten aanzien van dit verzoek overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [getuige 1] het vermoeden had dat de vracht niet klopte omdat de dozen waarin de bloemen zaten, te licht waren. Dat vermoeden heeft hij aan de bij het bedrijf aanwezige verbalisanten gemeld. Vervolgens is hij naar de lading gaan kijken en heeft daarna gemeld dat er hennep in de lading zat. Het proces-verbaal d.d. 6 januari 2009 stemt voor wat deze gang van zaken betreft overeen met hetgeen [getuige 1] in zijn verklaring d.d. 22 oktober 2008 heeft verklaard. Een en ander geeft geen enkele aanleiding te vermoeden dat onregelmatigheden in de opsporing hebben plaatsgevonden. Het verzoek om terugwijzing naar de rechter-commissaris wijst de rechtbank dan ook af.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu hij geen opzet heeft gehad op hetgeen hem ten laste is gelegd. Verdachte heeft steeds ontkend iets met de hennep te maken te hebben gehad en uitsluitend als hulp bloemen te hebben vervoerd voor [bloemengroothandel]. Er is geen enkel bewijsmiddel dat verdachte op de hoogte was van de in de bloemen verpakte hennep.

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij de gang van zaken wel raar vond, omdat hij nooit facturen of vrachtbrieven heeft gezien. Hij heeft ook verklaard dat hij nimmer iemand van het bedrijf [bloemengroothandel] heeft gesproken en dat hij slechts contact had met wisselende personen die hem vertelde wanneer hij weer een vracht moest ophalen en vervoeren. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het adres waar hij de vracht op moest halen, heeft vernomen via een briefje dat bij hem in de brievenbus was gestopt door mensen die hij bij een verhuisklus was tegengekomen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij het vreemd vond dat ze het steeds drukker kregen, terwijl het met de economie slechter ging.

Door onder deze omstandigheden een vracht te vervoeren zonder de inhoud ervan te controleren, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij iets strafbaars vervoerde, hetgeen ook het geval bleek te zijn. De rechtbank acht derhalve het bestanddeel opzet bewezen.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder 2. primair tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 524 kilogram hennep.

Hennep kan de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC bevatten en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Voorts is de hoeveelheid hennep, zoals verdachte die heeft vervoerd, aan te merken als een illegale economische activiteit waarmee op gemakkelijke wijze aanzienlijke zwarte winsten kunnen worden behaald. De grote omvang van die winsten vindt met name zijn oorzaak in het illegale van die activiteiten. Het op die manier vergaren van winsten is maatschappelijk ongewenst.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

3, 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1. tenlastegelegde feit.

Verklaart de dagvaardig nietig voor zover het betreft het onder 2. primair ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2. subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mr. E.J. Hofstee en D.H. Steenmetser-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2009.