Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3623

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
148007 - HA ZA 08-899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer. Binnenvaart. Geen toepasselijkheid algemene vervoerscondities. Geen aansprakelijkheid vervoerder. Navigatiefout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010, 14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148007 / HA ZA 08-899

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OOSTWOUDER TANK- EN SILOBOUW B.V.,

gevestigd te Anna Paulowna,

2. de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's- Gravenhage,

eiseressen,

advocaat mr. M. Middeldorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RODIE WATERTRANSPORT B.V.,

gevestigd te Zaanstad,

gedaagde,

advocaat mr. B.F. Eblé.

Partijen zullen hierna Oostwouder, Aegon en Rodie worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 februari 2009,

- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 20 november 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Omstreeks oktober 2006 hebben Oostwouder als afzender en Rodie als gedaagde een overeenkomst gesloten tot goederenvervoer, te weten zeven tanksilo’s, van ’t Zand naar Rotterdam, over binnenwateren. Drie van de zeven tanksilo’s zijn door Rodie zelf vervoerd. Het vervoer van de vier andere tanksilo’s, waaronder silo 1815 en silo 1819, heeft zij uitbesteed.

2.2. Het vervoer vond plaats op pontons, die werden gesleept door daarvoor gespannen sleepboten en geduwd door daarachter gekoppelde duwboten. Belading vond plaats op 23 oktober 2006.

2.3. Ter zake van het vervoer is op 23 oktober 2006 door Oostwouder een als vrachtnota aangemerkt document opgemaakt met kenmerk SS 407652, waarop – voorgedrukt - staat vermeld:

het vervoer geschiedt op de door de stichting vervoeradres ter griffie van de arrondissementsrechtbank te amsterdam en rotterdam gedeponeerde algemene vervoercondities1983, laatste versie

2.4. Tijdens het vervoer is de druprand van tanksilo 1815 in aanraking gekomen met het geopende brugdeel van de Willemspoortbrug in Amsterdam, waardoor schade is ontstaan aan de tanksilo ad € 468,00.

2.5. Eveneens tijdens het vervoer is tanksilo 1819 in aanraking gekomen met een van de bruggen in of nabij Alphen aan de Rijn, waardoor schade is ontstaan aan de tanksilo ad € 18.511,85.

2.6. Op verzoek van Aegon heeft Toplis Hettema onderzoek gedaan naar de toedracht, aard en omvang van de schade en daarvan verslag gedaan. De kosten van dit onderzoek en verslag bedragen € 1.259,91.

3. Het geschil

3.1. Eiseressen vorderen, na vermindering van eis buiten processueel bezwaar van Rodie, samengevat - veroordeling van Rodie tot betaling van € 20.239,76 vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Eiseressen leggen aan hun vordering ten grondslag dat Rodie toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting als vervoerder om de tanksilo’s in dezelfde goede staat en conditie ter bestemming af te leveren als waarin zij deze heeft ontvangen. Eiseressen stellen daarbij dat op de tussen partijen gesloten vervoerovereenkomst de AVC 1983 van toepassing zijn verklaard, waarmee artikel 8:901 BW door partijen buiten werking is gesteld. Subsidiair stellen eiseressen dat Rodie zal moeten stellen en bij betwisting bewijzen dat de schades het gevolg zijn van navigatiefouten. Ten slotte stellen eiseressen dat

Rodie gehouden is om op te helderen welke personen bij de uitvoering van het vervoer betrokken zijn geweest en of deze personen daartoe geschikt waren en over de noodzakelijke vaarbewijzen beschikten.

3.3. Rodie voert verweer. Zij bestrijdt de toepasselijkheid van de AVC 1983 en beroept zich op artikel 8:901 BW, waarin is bepaald dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor navigatiefouten, waaronder begrepen fouten bij de samenstelling van een sleep of een duweenheid.

4. De beoordeling

algemene vervoerscondities

4.1. De rechtbank zal allereerst ingaan op de toepasselijkheid van de algemene vervoerscondities (avc). Of algemene voorwaarden van toepassing zijn op een tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden vastgesteld aan de hand van de wilsvertrouwensleer van de artikelen 3:33 en 3:35 BW en overeenkomstig de bepalingen van afdeling 6.5.2 BW over de totstandkoming van een overeenkomst.

4.2. Vast staat dat op de op 23 oktober 2006 afgegeven vrachtnota de toepasselijkheid van de avc is vermeld. Zoals blijkt uit de door de advocaat van Oostwouder ter comparitie in het geding gebrachte aantekeningen heeft Oostwouder zich op het standpunt gesteld dat Rodie deze vrachtnota had afgegeven en daarmee de toepasselijkheid van de avc heeft bedongen. Ter comparitie is echter gebleken dat de vrachtnota door Oostwouder is opgemaakt en aan Rodie ter hand is gesteld. Vast staat dat Rodie tegen de eventuele toepasselijkheid van de avc niet heeft geprotesteerd.

4.3. De toepasselijkheid van de avc kan, nu de vrachtnota is opgemaakt en afgegeven door Oostwouder, niet worden gebaseerd op de wil van Rodie om deze voorwaarden van toepassing te verklaren. Hetgeen Oostwouder aanvoert ten betoge dat deze voorwaarden tussen partijen zijn overeengekomen, dient dan ook te worden verworpen. Daar komt bij dat deze avc-verwijzing uitsluitend voorkomt op het stuk dat na belading wordt afgeven aan en ondertekend door de schipper ter bevestiging van de ontvangst van de lading, terwijl partijen eerder per telefoon en per email wilsovereenstemming hebben bereikt over de vervoersovereenkomst en haar inhoud, waarbij geen toepasselijkheid van algemene voorwaarden is bedongen.

4.4. Subsidiair heeft Oostwouder aangevoerd dat de avc - als gewoonterecht van toepassing verklaard - tussen partijen hebben te gelden. Voor zover Oostwouder met deze stelling betoogt dat de avc bij vervoer over water gewoonterecht zijn in de zin van artikel 6:248 BW, heeft zij dit betoog tegenover de betwisting door Rodie onvoldoende onderbouwd. In de uitspraken waarnaar Oostwouder ter adstructie verwijst, kan een zodanig ongeclausuleerd oordeel immers niet worden gevonden. Voor zover Oostwouder met haar subsidiaire stelling betoogt dat Oostwouder gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de stilzwijgende aanvaarding door Rodie van de toepasselijkheid van de avc, faalt het betoog, omdat gesteld noch gebleken is dat Oostwouder als gebruiker van de avc heeft te gelden.

4.5. De slotsom van het voorgaande is dat op de tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst de avc niet van toepassing zijn.

aansprakelijkheid

4.6. Artikel 8:895 BW bepaalt dat de vervoerder verplicht is om de ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin hij hen heeft ontvangen. Uit dit artikel moet worden afgeleid dat de vervoerder aansprakelijk is voor alle vermogensschade die door de afzender wordt geleden door beschadiging tijdens het vervoer. Vast staat dat de tanksilo’s 1815 en 1819 tijdens het vervoer zijn beschadigd. Rodie is hiervoor in beginsel aansprakelijk.

4.7. Rodie beroept zich op artikel 8:901 BW, dat inhoudt dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor schade ontstaan door – kort gezegd – navigatiefouten. Rodie heeft gesteld dat beide aanvaringen met de brug het gevolg zijn van navigatiefouten en wijst aansprakelijkheid van de hand. Rodie heeft een beschrijving gegeven van de afmetingen van de konvooien en van de brugopeningen, waaruit moet worden geconcludeerd dat in beide gevallen het span door de brugopening heeft moeten kunnen doorvaren. Rodie heeft voorts aangevoerd dat het ponton waarop tanksilo 1815 was geplaatst tijdens de doorvaart in de brugopening stil is komen te liggen, waarna het door de bewegingen van de waterweg iets naar stuurboord wegzakte, waardoor de druprand van de tanksilo in aanraking kwam met het geopende brugdeel. Ten aanzien van de schade aan tanksilo 1819 heeft Rodie aangevoerd dat de achterste helft van de ponton waarop deze tanksilo was geplaatst tijdens de doorvaart naar stuurboord zwenkte, waardoor tanksilo 1819 in aanraking kwam met het geopende brugdeel.

4.8. Oostwouder heeft bestreden dat sprake is van navigatiefouten; zij stelt dat de beschadigingen hun oorzaak vinden in voorbereidingsfouten, bestaande in de samenstelling van het span, in die zin dat het span te breed of te hoog is geweest voor de ongehinderde doorvaart. Oostwouder heeft ter comparitie aangevoerd dat zij onvoldoende informatie heeft gekregen over de wijze van transport en wenst antwoord op een aantal vragen daarover.

4.9. Aangezien de door Rodie gestelde afmetingen door Oostwouder niet zijn bestreden, moet als vaststaand worden aangenomen dat het span ongehinderd door de brugopeningen had kunnen varen. Tegenover de verdere beschrijvingen van de aanvaringen door Rodie heeft Oostwouder niet kunnen volstaan met een blote betwisting van de conclusie dat sprake is van navigatiefouten, maar had zij die betwisting moeten onderbouwen. Het betoog van Oostwouder dat zij onvoldoende informatie heeft over de wijze van transport voor een onderbouwing van haar betwisting baat haar niet, omdat de vragen die zij stelt, met uitzondering van de bemanning, alle betrekking hebben op de navigatie. Immers de samenstelling van de sleep- en duwcombinatie, waaronder begrepen het al dan niet kopaankop varen, worden volgens de laatste volzin van lid 1 van artikel 8:901 geacht navigatiefouten te zijn.

4.10. Gelet op het voorgaande verwerpt en passeert de rechtbank de betwisting door Oostwouder en komt daarmee vast te staan dat de beschadigingen het gevolg zijn van navigatiefouten.

4.11. De aansprakelijkheidsuitsluiting van artikel 8:901 BW mist werking ingeval de navigatiefout niet zou zijn gemaakt, indien Rodie bij de keuze van de opvarenden van de sleep-/duwcombinatie zou hebben gehandeld zoals van een zorgvuldige vervoerder mag worden verwacht. Anders dan Oostwouder betoogt, rust de stelplicht en eventuele bewijslast van de stelling dat Rodie bij de keuze van de opvarenden niet als een zorgvuldig vervoerder heeft gehandeld niet bij Rodie, maar bij Oostwouder. Oostwouder heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, leiden tot het oordeel dat Rodie bij de keuze van de opvarenden niet heeft gehandeld als een zorgvuldig vervoerder. Oostwouder heeft weliswaar gemeend eerst opheldering te moeten verkrijgen omtrent onder meer de identiteit van de opvarenden, maar dat standpunt is onjuist, te meer nu zij met de betrokken sleep- en duwboot en de ondernemingen die deze boten exploiteren bekend was.

4.12. De voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat de vordering moet worden afgewezen. Oostwouder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rodie worden begroot op:

- vast recht 450,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.608,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Oostwouder in de proceskosten, aan de zijde van Rodie tot op heden begroot op EUR 1.608,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.?