Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3611

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
148126 / HA ZA 08-931
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling declaraties advocaat voor verleende rechtshulp aan onderbewindgestelde in verband met hoger beroep tegen de beschikking tot onderbewindstelling. Uitleg artikel 1:438 BW:

Onder het beheer moet worden verstaan de normale exploitatie van het onder bewind staande vermogen. Kosten in verband met het instellen van hoger beroep vallen bij een redelijke uitleg van artikel 1:438 BW buiten deze definitie. Het gaat hier immers om zeer specifieke kosten, samenhangend met het grondrecht van de rechthebbende om een rechterlijke beslissing tot onderbewindstelling te kunnen aanvechten, op welke situatie 1:441 BW niet van toepassing is. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de rechthebbende kan worden afgehouden van zijn beroepsrecht door de hiermee –noodzakelijkerwijs- gepaard gaande kosten te onderwerpen aan goedkeuring door de bewindvoerder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 438
Burgerlijk Wetboek Boek 1 439
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 61
JPF 2009/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148126 / HA ZA 08-931

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

de maatschap

[X ADVOCATEN],

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

advocaat mr. Y.A.G. Mellema-Zijlstra,

tegen

[DE ERVEN],

laatstelijk wonende te Beinsdorp, gemeente Haarlemmermeer,

voor wie als boedelgemachtigde optreedt mr D. Winters,

kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. D. Winters.

Partijen zullen hierna [X Advocaten] en de [Erven] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 september 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 10 december 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij verzoekschrift van 4 april 2006 hebben [A], [B], [C] en [D] de kantonrechter te Haarlem verzocht een bewind in te stellen over de goederen die (zullen) toebehoren aan [E], hierna te noemen [E].

2.2. [E] heeft zich op 12 april 2006 gewend tot [X Advocaten] met het verzoek om rechtsbijstand in genoemde procedure. Names [E] heeft mr. H. Vosmeijer, werkzaam bij [X Advocaten] verweer gevoerd tegen de onderbewindstelling.

2.3. Bij beschikking van 4 mei 2006 heeft de kantonrechter het verzochte bewind ingesteld, met benoeming van [B] en [C] tot bewindvoerders.

2.4. Mr. Vosmeijer heeft namens [E] hoger beroep tegen de beschikking ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

2.5. Op 13 oktober 2006 is [E] overleden. Zijn erfgenamen krachtens testament zijn de eerdergenoemde echtgenote en drie zoons, die mr. D.Winters volmacht hebben gegeven de nalatenschap af te wikkelen.

2.6. [X Advocaten] heeft wegens door mr. Vosmeijer verrichte werkzaamheden drie declaraties gestuurd aan het adres van [E]:

- d.d. 16 mei 2006 (decl.nr 1000012672) voor een bedrag van EUR 4.705,62,

- d.d. 15 juni 2006 (decl.nr 1000012937) voor een bedrag van EUR 1.501,90,

- d.d. 12 december 2006 (decl nr 100004028) voor een bedrag van EUR 5.352,64.

Op de eerste declaratie is een bedrag van EUR 3.000,- voldaan, zodat resteert EUR 1.705,62.

2.7. Op 12 maart 2008 heeft [X Advocaten] een sommatie aan C.G.M. [E] gezonden terzake van het nog openstaande bedrag.

2.8. Mr. Winters heeft bij brief van 25 maart 2008 medegedeeld het nog openstaande bedrag op de eerste declaratie, EUR 1.705,62, te erkennen als verplichting van de nalatenschap en aan [X Advocaten] uit te betalen. De overige twee declaraties, daterend van na de onderbewindstelling, zijn onbetaald gebleven.

3. Het geschil

3.1. [X Advocaten] vordert samengevat - veroordeling van de [Erven] tot betaling van EUR 9.854,54 , vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De [Erven] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De [Erven] betwisten de verschuldigdheid van de declaraties primair op principieel juridische gronden. Volgens de [Erven] kon [E] de hoger beroepsprocedure tegen zijn onderbewindstelling weliswaar zelfstandig voeren, maar valt de overeenkomst die hij met [X Advocaten] heeft gesloten vanwege de financiële consequenties daarvan onder de handelingen die krachtens artikel 1:438 BW slechts met medewerking van de bewindvoerder -dan wel met machtiging van de kantonrechter zoals bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel- kunnen worden verricht. Gedurende het beschermingsbewind kan de rechthebbende immers niet langer beschikken over de onder bewind staande goederen, maar komt het beheer daarover toe aan de bewindvoerder.

4.2. Partijen zijn het er over eens dat [X Advocaten] geen beroep kan doen op de derdenbescherming van artikel 1:439 BW. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de betaling van kosten gepaard gaand met het instellen van hoger beroep tegen de beschikking tot onderbewindstelling valt onder “het beheer van de onder bewind staande goederen”.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Uitgangspunt van de regeling van het bewind is dat de rechthebbende bescherming wordt geboden tegen het verrichten van vermogensrechtelijke handelingen tot schade van zichzelf en zijn vermogen. Daartoe wordt het vermogen onder bewind gesteld en wordt de bewindvoerder belast met het beheer daarover. Onder het beheer moet worden verstaan de normale exploitatie van het onder bewind staande vermogen. Kosten in verband met het instellen van hoger beroep vallen bij een redelijke uitleg van artikel 1:438 BW buiten deze definitie. Het gaat hier immers om zeer specifieke kosten, samenhangend met het grondrecht van de rechthebbende om een rechterlijke beslissing tot onderbewindstelling te kunnen aanvechten, op welke situatie artikel 1:441 BW niet van toepassing is.

4.4. De bevoegdheid van de onderbewindgestelde om zelfstandig in rechte te kunnen opkomen tegen de onderbewindstelling brengt tevens mee dat hij recht heeft op de daartoe noodzakelijke rechtshulp. Dit recht zou op onaanvaardbare wijze worden gefrustreerd indien voor het aangaan van een overeenkomst tot rechtsbijstand vanwege de financiële aspecten de medewerking van de bewindvoerder nodig zou zijn. In dit verband is illustratief dat, zoals door de [Erven] tijdens de comparitie is verklaard, de bewindvoerders van [E] “mordicus tegen het hoger beroep waren”, aangezien zij het bewind in het belang van [E] achtten. Wanneer, zoals in dit geval, de bewindvoerders ook de aanvragers van het bewind zijn, spelen tegenstrijdige belangen. Ook inmenging van de kantonrechter bij een geschil hierover tussen de onderbewindgestelde en de bewindvoerder zou, nu het gaat om een uitspraak van de kantonrechter, problematisch zijn.

Het beroepsrecht brengt mee dat het een persoonlijke afweging van de onderbewindgestelde behoort te zijn om al dan niet in hoger beroep te gaan. De financiële verplichtingen bij inschakeling van rechtshulp, wanneer van dit recht gebruik wordt gemaakt, dragen het karakter van noodzakelijke kosten gepaard gaand met de uitoefening van dat recht. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de rechthebbende om financiële redenen kan worden afgehouden van zijn beroepsrecht door de hiermee gepaard gaande kosten te onderwerpen aan goedkeuring door de bewindvoerder.

4.5. De [Erven] hebben nog betoogd dat het beroepsrecht van een onderbewindgestelde op zichzelf niet wordt belemmerd door de regeling in artikel 1:438 BW, maar dat bij het niet vragen of verkrijgen van de vereiste toestemming de kosten niet ten laste van het vermogen kunnen komen. De rechtbank is echter van oordeel dat het beroepsrecht in praktische zin in veel gevallen illusoir zou worden wanneer de onderbewindgestelde, ondanks het feit dat zijn vermogen toereikend is, in genoemde situatie aangewezen zou zijn op derden voor de betaling van de kosten van juridische bijstand.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat voor het aangaan van de onderhavige overeenkomst de medewerking van de bewindvoerder ex artikel 1:438 BW niet is vereist en dat in redelijkheid gemaakte kosten voor het inschakelen van juridische bijstand in dit geval op het onder bewind gestelde vermogen verhaalbaar zijn.

4.7. De [Erven] hebben voorts slechts bij gebrek aan wetenschap betwist dat de werkzaamheden, waarvoor de declaraties zijn ingediend, daadwerkelijk zijn verricht. De rechtbank is van oordeel dat de [Erven] op deze wijze niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Nu [X Advocaten] specificaties van de declaraties heeft toegezonden was een meer specifieke betwisting mogelijk geweest. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij.

4.8. Voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten ziet de rechtbank geen aanleiding nu in dit verband slechts is gesteld dat [X Advocaten] extra kosten heeft moeten maken, maar deze kosten niet zijn gespecificeerd en ook uit dossier niet blijkt dat deze kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [X Advocaten] vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten

4.9. De [Erven] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X Advocaten] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,80

- vast recht 303,00

- salaris advocaat 768,- (2 punt × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.142,80

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de [Erven] om aan [X Advocaten] te betalen een bedrag van EUR 9.854,54 (negenduizendachthonderdvierenvijftig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over:

-het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 4.705,62 vanaf 30 mei 2006;

- het bedrag van EUR 1.501,90 vanaf 29 juni 2006;

- het bedrag van EUR 5.352,64 vanaf 27 december 2006,

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt de [Erven] in de proceskosten, aan de zijde van [X Advocaten] tot op heden begroot op EUR 1.142,80,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.C. Hofman, mr. A.J. Wolfs en mr. C.S. Naarden en openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.?