Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3502

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
19-02-2009
Zaaknummer
396877 / CV EXPL 08-6331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. Recht op loon tijdens ziekte krachtens artikel 7:629 BW. Ook in geval van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht is de werkgever gehouden het loon te betalen als de oproepkracht ziek is. Bepaling van de omvang van de arbeidsovereenkomst op de voet van artikel 7:610b BW (rechtsvermoeden).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 51
JIN 2009/189
USZ 2009/163 met annotatie van Barend Barentsen
AR-Updates.nl 2009-0135
XpertHR.nl 2011-365805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Zaandam

zaak/rolnr.: 396877 / CV EXPL 08-6331

datum uitspraak: 12 februari 2009

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. E.S. van Essen

tegen

de besloten vennootschap KNAP TRANSPORT B.V.

te Wormerveer

gedaagde partij

hierna te noemen Knap

gemachtigde mr. P.M.M. Massuger.

De procedure

[eiser] heeft Knap gedagvaard op 27 augustus 2008. Knap heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiser] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna Knap nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

[eiser], leeftijd 39 jaar, is met ingang van 26 september 1996 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Knap als vrachtwagenchauffeur op oproepbasis. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 11,41 bruto per uur. De arbeidsovereenkomst wordt door partijen aangemerkt als een 0-uren contract voor onbepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO).

Op 14 april 2006 heeft [eiser] een ongeval gehad en heeft hij zich bij Knap ziek gemeld. Na genoemde datum is hij niet meer opgeroepen om te komen werken.

De arbeidsovereenkomst is niet beëindigd.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van Knap tot betaling van

a. € 2.554,61 bruto ter zake van achterstallig salaris over de periode april 2006 tot 27 augustus 2008, vermeerderd met 8 % vakantietoeslag;

b. wettelijke rente over vermeld bedrag vanaf 5 november 2007;

c. € 1.277,31 bruto ter zake wettelijke verhoging over het sub a vermelde bedrag;

d. € 300,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 7: 629 BW is Knap verplicht om tijdens ziekte het loon en vakantietoeslag door te betalen gedurende een periode van tenminste twee jaren. Krachtens het bepaalde in artikel 16 lid 1 sub a en b moet uitgegaan worden van het over 52 weken voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid gemiddeld verdiende loon, verhoogd met toeslagen en overwerkvergoeding (met een nader omschreven maximum). Op grond van artikel 69 van de CAO is Knap ook vakantietoeslag verschuldigd. Ondanks aanmaning en sommatie is Knap niet bereid gebleken aan de vordering van [eiser] te voldoen, reden waarom [eiser] zijn vordering uit handen heeft gegeven aan zijn incassogemachtigde. De daaraan verbonden buitengerechtelijke kosten dienen voor rekening van Knap te komen.

Het verweer

Knap betwist de vordering. Op haar verweer zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil nader in worden gegaan.

De beoordeling van het geschil

1. Als eerste verweer heeft Knap naar voren gebracht dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [eiser] geen verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW heeft overgelegd. Knap bestrijdt dat [eiser] gedurende twee jaren na het ongeval arbeidsongeschikt is geweest.

2. Dit verweer wordt verworpen. Niet betwist door Knap is de stelling van [eiser] dat zijn arbeidsongeschiktheid nimmer een punt van geschil tussen partijen is geweest. [eiser] heeft zich na zijn ongeval ziek gemeld bij Knap en is gewoon nooit meer opgeroepen om te komen werken. Gesteld noch gebleken is dat Knap op enig moment na het ongeval aan [eiser] heeft kenbaar gemaakt (bijvoorbeeld na een oproep om te komen werken) dat zij diens arbeidsongeschiktheid in twijfel trok. Onder die omstandigheden kan in redelijkheid niet van [eiser] gevergd worden dat hij een zodanige verklaring overlegt.

3. Ook heeft Knap aangevoerd dat [eiser] geen aanspraak op loon heeft omdat hij werkzaam was op basis van een 0-uren contract. Op de dag dat hij zich ziek meldde, 14 april 2006, zou hij opgeroepen noch ingeroosterd zijn geweest. Evenmin stond hij op die dag ingeroosterd om arbeid te verrichten op een dag of dagen daarna. Volgens Knap kan [eiser] onder die omstandigheden geen rechten ontlenen aan het bepaalde in artikel 7:629 BW.

4. [eiser] heeft in reactie hierop aangevoerd dat hij wel degelijk ingeroosterd stond om op de zaterdag volgend op het ongeval te werken. [eiser] stelt – onbetwist – dat Knap na het ongeval nooit meer iets van zich heeft laten horen en dat als gevolg daarvan het feit dat de overeengekomen arbeid niet is verricht voor rekening en risico van Knap dient te komen.

In verband hiermee wordt het volgende overwogen.

5. Tussen partijen staat vast dat de arbeidsovereenkomst tussen hen een “arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht” is en dat deze arbeidsovereenkomst nimmer is beëindigd. Vooropgesteld wordt dat ook in geval van zodanige arbeidsovereenkomst de werkgever gehouden is (70 % van) het loon te betalen als de oproepkracht ziek is. Bij CAO of in de arbeidsovereenkomst mag opgenomen worden dat de werkgever twee wachtdagen in acht mag nemen.

6. Nu de arbeidsomvang niet eenduidig is overeengekomen is artikel 7:610b BW van toepassing. Op grond van het bepaalde in dit artikel is de gemiddelde omvang van de arbeid gedurende de drie maanden voorafgaand aan 14 april 2006 in beginsel als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van de loonaanspraken van [eiser]. Knap heeft gesteld dat [eiser] in de drie maanden voorafgaand aan 14 april 2006 in totaal 15 uur heeft gewerkt en zij heeft ter onderbouwing hiervan een schriftelijk stuk met opschrift “Informatie statistiek gegevens” overgelegd. [eiser] heeft deze stelling van Knap niet uitdrukkelijk en goed gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Daar komt bij dat [eiser] van zijn kant niet consistent heeft onderbouwd hoe hij aan het door hem berekende bedrag is gekomen. Voor de loondoorbetalingverplichting van Knap wordt dus uitgegaan van een arbeidsomvang van 1,15 uur per week tegen een bruto loon van € 11,41 per uur. De berekening die Knap in dit verband – uiterst subsidiair – heeft gemaakt van het aldus over 104 weken verschuldigde is door [eiser] evenmin gemotiveerd bestreden en komt de kantonrechter juist voor, met dien verstande dat Knap daarnaast vakantietoeslag ad 8 % bruto verschuldigd is. Knap heeft immers tegen de verschuldigdheid van vakantietoeslag ad 8 % geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat ervan uit wordt gegaan dat de stellingen van [eiser] dienaangaande juist zijn.

7. Knap is van mening dat de vordering voor zover deze strekt tot betaling van wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente niet moet worden toegewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen grond is de wettelijke verhoging toe te wijzen gezien het tijdsverloop tussen 14 april 2006 en het instellen van de vordering.

Voor het toekennen van buitengerechtelijke incassokosten is volgens Knap geen grond, omdat [eiser] nagelaten heeft aan te tonen waarop dat gedeelte van de vordering betrekking heeft en omdat [eiser] in de brieven die hij voor de procedure aan Knap heeft gestuurd, steeds aanspraak heeft gemaakt op andere bedragen.

8. Knap wordt gedeeltelijk gevolgd in dit verweer. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] eerder dan bij brief van zijn gemachtigde van 5 november 2007 aan Knap heeft laten weten aanspraak te maken op loon. In de periode tussen 14 april 2006 en 5 november 2007 behoefde Knap er naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid geen rekening mee te houden dat zij nog geconfronteerd zou worden met een loonvordering van [eiser]. Knap mocht er, gelet op het feit dat [eiser] als oproepkracht voor haar werkzaam was, als niet juridisch geschoolde werkgever vanuit gaan dat zij aan [eiser] niets meer verschuldigd was. Dat nu wordt beslist dat die veronderstelling onjuist was maakt dit niet anders. De kantonrechter is van oordeel dat het redelijk is om de wettelijke verhoging te matigen tot

10 %.

9. [eiser] heeft een bedrag van € 300,-- aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Uit het dossier blijkt in voldoende mate dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die dit bedrag rechtvaardigen. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden toegewezen.

10. Knap is wettelijke rente verschuldigd over het loon vanaf de datum dat zij in verzuim is. In aanmerking is genomen dat bij brief van 5 november 2007 wettelijke rente is aangezegd vanaf 14 dagen daarna.

11. Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing, waarbij Knap, als de meest in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Knap tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 1.256,92 bruto, zijnde een bedrag van € 1.163,82 bruto aan achterstallig salaris over de periode 14 april 2006 tot 14 april 2008, vermeerderd met 8 % vakantiebijslag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 november 2007 voor wat betreft het opeisbare salaris van vóór die datum en vanaf de dag van opeisbaarheid voor wat betreft het salaris van daarna, tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Knap tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 125,69 ter zake wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

- veroordeelt Knap tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 85,44

vastrecht € 201,00

salaris gemachtigde € 300,00,

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Smits en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.