Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3416

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
19-02-2009
Zaaknummer
15/800036-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezit van vals paspoort en valse identiteitskaart; verdachte kwam via Griekenland en heeft daar geen asiel aangevraagd; door verdachte is niet aangetoond dat Griekenland voor hem geen veilig land is geweest; ook geen sprake van doorreis, aangezien verdachte langer dan 14 dagen in Griekenland is verbleven; OM ontvankelijk in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Politierechter

Parketnummer: 15/800036-09

Uitspraakdatum: 6 februari 2009

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 januari 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 08 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een of meer reisdocument(en), te weten een nationaal paspoort van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum] en/of een nationale identiteitskaart van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum], waarvan hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de/het reisdocumen(ten) vals of vervalst was/waren;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de politierechter de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte en verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank betreffende paspoortzaken met een asielcomponent. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het eerdere verblijf van verdachte als asielzoeker in Griekenland hem niet kan worden tegengeworpen omdat Griekenland geen veilig land is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat zijn verblijf in Zweden hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij daar slechts op doorreis was.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overweegt de politie¬rechter het volgende.

Verdachte is op 8 januari 2009 op Schiphol aangehouden op verdenking van het in het bezit hebben van valse of vervalste reisdocumenten. Verdachte heeft verklaard dat hij via een reisagent vanuit Irak is gevlucht naar Syrië en, na een verblijf van ongeveer twee weken, vanuit Syrië naar Griekenland is gegaan. Hij heeft in Griekenland geen asiel aangevraagd omdat, aldus verdachte, daar de rechten van asielzoekers niet worden gerespecteerd en is vervolgens, gesmokkeld in vrachtwagens, doorgereisd naar Zweden. Van daaruit wilde hij naar Canada om asiel aan te vragen.

De rechtbank Haarlem heeft in vonnissen van 10 november 2008 (onder meer gepubliceerd onder de nummers BG 4238 en BG 4168) geoordeeld dat artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing kan zijn indien vaststaat dat sprake is van illegale uitreis uit Nederland met het valse paspoort en indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Een van deze voorwaarden houdt in het rechtstreeks komen van een grondgebied waar het leven of de vrijheid van de vluchteling in de zin van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag wordt bedreigd. In het onderhavige geval is de politierechter van oordeel dat hieraan niet wordt voldaan. De politierechter verwijst naar recente jurisprudentie omtrent de situatie van asielzoekers in Griekenland, te weten de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, LJN BG9802. Het Europees Hof heeft daarin bepaald dat Engeland zijn verdragsverplichtingen niet schendt indien het land de betreffende asielzoeker in die zaak in het kader van een Dublinclaim terugstuurt naar Griekenland. Het Hof overweegt daarbij dat afdoende is gebleken dat Griekenland niet uitzet naar Iran, Afghanistan, Irak, Somalie of Soedan en dat, voor het geval in de toekomst wel uitzetting zou dreigen, een asielzoeker vanuit Griekenland een klacht kan indienen bij het EHRM en voorts dat asielzoekers de mogelijkheid hebben in Griekenland in beroep te gaan tegen elke beschikking aangaande uitzetting. Nu verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval anders zou zijn, acht de politierechter het niet aannemelijk dat verdachte, komende uit Griekenland, niet uit een als veilig aangemerkt land komt.

Ook van doorreis in Griekenland is in het onderhavige geval naar het oordeel van de politierechter geen sprake. Verdachte heeft weliswaar bij de politie en de rechter-commissaris aangegeven dat hij dacht eind december 2008 te zijn vertrokken uit Irak, echter ter zitting heeft hij aangegeven half november 2008 te zijn vertrokken en in ieder geval vanaf 5 december 2008 in Griekenland te zijn geweest. Dit laatste strookt ook met een bij verdachte aangetroffen printje van een e-ticket gedateerd 5 december 2008, welk printje verdachte volgens hemzelf in Griekenland heeft gekregen. Verdachte heeft voorts verklaard in drie dagen naar Zweden te zijn gereisd en ruim een week in Zweden te zijn verbleven. Dit betekent dat hij langer dan veertien dagen in Griekenland heeft verbleven en aldus van doorreis niet kan worden gesproken.

De politierechter acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. De vraag of verdachte in Zweden al dan niet op doorreis was hoeft niet meer aan de orde te komen.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 8 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van reisdocumenten, te weten een nationaal paspoort van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum] en een nationale identiteitskaart van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum], waarvan hij wist dat de reisdocumenten vals waren.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijsmiddelen

De politierechter komt tot bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik had op 8 januari 2009 te Schiphol een paspoort en een identiteitskaart in mijn bezit die niet op mijn naam stonden. Ik heb deze documenten via een mensensmokkelaar geregeld.

- een proces-verbaal (dossiernummer PL27RF/09-001563, paragraaf 0.5) van

aanleiding en onderzoek aangeboden documenten van 8 januari 2009. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen dat de documenten die verdachte op 8 januari 2009 te Schiphol in zijn bezit had, te weten een Frans paspoort met nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum] en een nationale identiteitskaart van Frankrijk, voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam] met geboortedatum [geboortedatum] valse exemplaren betroffen.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte was bij zijn uitreis uit Nederland in het bezit van een vals paspoort en een valse identiteitskaart. Daardoor heeft hij getracht de met de grensbewaking belaste autoriteiten te misleiden. Aldus heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de belangen die met een deugdelijke grensbewaking worden gediend en het vertrouwen geschonden dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben in de juistheid van bepaalde geschriften.

Op grond van het vorenoverwogene is de politierechter in beginsel van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. Op grond van omstandigheden van onderhavige zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de politierechter aanleiding een lagere straf op te leggen dan geëist en deze straf geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Hierbij acht de politierechter het volgende van belang. Verdachte heeft direct na aanhouding bij bureau Falsificaten Schiphol Desk aangegeven dat hij is gevlucht uit Irak in verband met de ontploffing van een bom, dat hij daarbij is gewond geraakt en dat hij, nu hij eenmaal is aangehouden, in Nederland asiel wil aanvragen. De politierechter zal, rekening houdend met deze omstandigheden, de straf in geheel voorwaardelijke vorm opleggen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikel 14a, 14b, 14c, 57, 231.

8. Beslissing

De politierechter:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidsstelling van verdachte.

9. Politierechter en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.P.W. van de Ven, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.L.A. van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2009.