Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2871

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/2329
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft de werkgever meegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting jegens haar arbeidsongeschikte werknemer met (ten hoogste) 52 weken wordt verlengd, omdat de werkgever nadat duidelijk was dat terugkeer in het eigen werk niet mogelijk was, binnen redelijke termijn (6 weken) een traject tweede spoor had dienen te starten. Het door de werkgever inschakelen van een arbeidsdeskundige is niet als een start van een traject tweede spoor aan te merken.

De rechtbank: uit het samenstel van wetten en regelingen betreffende re-integratieverplichtingen vloeit voort dat niet het moment dat duidelijk is dat terugkeer in het eigen werk niet meer mogelijk is, bepalend is voor de vraag wanneer een werkgever het tweede spoor moet inzetten, maar dat ook de mogelijkheden binnen het eigen bedrijf moeten zijn onderzocht. Dat laatste heeft de werkgever laten onderzoeken door een arbeidsdeskundige. Nadat dit onderzoek had plaats gehad en was gebleken dat de werknemer zijn eigen functie ook niet met aanpassingen en evenmin andere werkzaamheden (met aanpassingen) kon verrichten, diende de werkgever een traject tweede spoor in te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
XpertHR.nl 2011-366009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 2329 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2009

in de zaak van:

[naam eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. R.J. Wiebosch, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2007 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting van eiseres jegens [naam werknemer van eiseres] (werknemer van eiseres) met (hoogstens) 52 weken wordt verlengd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 december 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 februari 2008, aangevuld bij brief van 2 april 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 november 2008, alwaar eiseres is verschenen bij [naam] en [naam], bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1 [naam werknemer van eiseres] (verder: [naam werknemer eiseres]) was bij eiseres werkzaam in de functie van productiemedewerker. Op 4 januari 2006 overkwam hem een arbeidsongeval, waardoor aan zijn enkel ernstig letsel werd toegebracht. Eiser heeft verschillende operaties aan de enkel ondergaan, maar die hebben niet geleid tot het gewenste resultaat.

2.2 Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres niet binnen een redelijke termijn een traject tweede spoor is opgestart. Verweerder verwijst naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 januari 2008. In deze rapportage wordt aangegeven dat begin juni 2007 duidelijk was dat terugkeer naar eigen werk niet mogelijk was, maar dat er in november 2007 nog geen re-integratietraject was gestart. In zijn rapportage van 10 juli 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige daar nog aan toegevoegd dat er in ieder geval op 14 juni 2007 duidelijkheid was over de zeer beperkte terugkeerkansen bij de eigen werkgever. Het rapport van ArboNed van 1 oktober 2007, waarvoor de werkgever op 7 augustus 2007 de opdracht had verstrekt, bevestigt slechts wat men al wist, heeft geen toegevoegde waarde en kan niet worden aangemerkt als een re-integratietraject tweede spoor.

2.3 Eiseres heeft aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan [naam werknemer eiseres] te re-integreren. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat niet eerder dan medio juni 2007 bij haar bekend werd dat terugkeer naar het eigen werk voor [naam werknemer eiseres] vrijwel uitgesloten was. Vervolgens heeft eiseres op 7 augustus 2007 ArboNed opdracht verstrekt arbeidskundig onderzoek te doen naar de re-integratiemogelijkheden van [naam werknemer eiseres], hetgeen heeft geleid tot de rapportage van 1 oktober 2007. Pas toen deze rapportage beschikbaar was, was duidelijk dat hervatting door [naam werknemer eiseres] in aangepaste werkzaamheden binnen het bedrijf van eiseres niet tot de mogelijkheden behoorde. Ook pas op dat moment hebben de arbeidsdeskundige van Arboned en de bedrijfsarts geadviseerd het tweede spoor in te zetten.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Artikel 25 van de WIA luidt, voor zover hier van belang:

"1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(...)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

6. De verzekerde verleent zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen van het re-integratieverslag.

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

8. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een re-integratieverslag op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een termijn waarbinnen het re-integratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

12. Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.

13. Het UWV geeft de beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is hersteld binnen drie weken na de ontvangst van de melding, bedoeld in het twaalfde lid.

14. Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

15. Indien het UWV heeft vastgesteld dat de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is hersteld, geeft het UWV binnen zes weken een beschikking over het ontstaan van het recht op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7.

16. Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het vijftiende lid nadere regels worden gesteld".

2.6 In de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 6 december 2006, Stcrt. 2006, 252) is aangegeven welke procesmatige stappen werkgever en werknemer tijdens het eerste en tweede ziektejaar moeten ondernemen.

2.7 In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) is bepaald dat het UWV bij de beoordeling van de Re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de WIA, het beoordelingskader hanteert, zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

2.8 Als juridische grondslag voor het beoordelingskader wordt onder meer vermeld artikelen 7:658a Burgerlijk wetboek (BW).

Artikel 7:658a, eerste lid, BW luidt:

"De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever."

2.9 Uit het hiervoor weergegeven samenstel van wetten en regelingen vloeit voort dat een werkgever verplicht is re-integratie bij een andere werkgever te bevorderen (het 'tweede spoor' in te zetten), indien vaststaat dat de werknemer de eigen arbeid niet meer kan verrichten en er geen andere passende arbeid in het bedrijf van de werkgever voorhanden is.

2.10 De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij eiseres tegenwerpt dat zij heeft nagelaten vanaf in ieder geval 14 juni 2007 het tweede spoor (de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever) in te zetten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het op, of kort na, 14 juni 2007 eiseres duidelijk moet zijn geweest dat terugkeer van [naam werknemer eiseres] in het eigen werk onwaarschijnlijk was. De Arbodienst heeft eiseres immers, naar aanleiding van telefonisch contact met [naam werknemer eiseres] op 13 juni 2007, meegedeeld dat volledig herstel in het eigen werk vrijwel uitgesloten is. De Arbodienst heeft eiseres voorts geadviseerd te zoeken naar zittend werk. Daarmee staat echter nog niet vast dat [naam werknemer eiseres] op geen enkele wijze meer in het bedrijf van eiseres (aangepast) werk zou kunnen verrichten. De omstandigheid dat in het bedrijf geen zittend werk voorhanden was, betekent immers nog niet dat de wel aanwezige werkzaamheden niet zouden kunnen worden aangepast aan de beperkingen van [naam werknemer eiseres]. Mede om die vraag te beantwoorden heeft eiseres op 7 augustus 2007 ArboNed opdracht verstrekt onderzoek te verrichten naar de re-integratiemogelijkheden van [naam werknemer eiseres]. ArboNed heeft op 1 oktober 2007 gerapporteerd dat het eigen werk niet passend is te maken en ook geen ander werk bij eiseres geschikt is voor [naam werknemer eiseres]. Eerst op dat moment stond vast dat re-integratie bij eiseres niet mogelijk was en - dus - een traject tweede spoor moest worden ingezet.

2.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het standpunt van verweerder - dat eiseres het tweede spoor had moeten inzetten binnen redelijke termijn na 14 juni 2007 - gebaseerd is op een onjuiste aanname. Het besluit berust derhalve niet op goede gronden. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb.

2.12 De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 6 december 2007 te herroepen. Nu het verwijt van verweerder uitsluitend betrekking heeft op de te lange duur van het inzetten van het traject tweede spoor na 14 juni 2007 en verweerder eiseres geen andere verwijten heeft gemaakt met betrekking tot de re-integratie van [naam werknemer eiseres], is er rechtens geen andere beslissing mogelijk dan het herroepen van het besluit waarbij de loondoorbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van [naam werknemer eiseres] is verlengd.

2.13 De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als hierna bepaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 18 januari 2008;

3.3 herroept het besluit van 6 december 2007;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, welk bedrag het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan haar dient te betalen;

3.6 gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 285,-- aan haar vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, en op 29 januari 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.