Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2634

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
148059 - HA ZA 08-914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde eiser voor zijn werkzaamheden als advocaat zijn reguliere honorarium verschuldigd zal zijn indien de Raad voor Rechtsbijstand de verleende toevoeging na beëindiging van de zaak intrekt. Vordering tot betaling honorarium afgewezen omdat eiser geen opeisbare vordering heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148059 / HA ZA 08-914

Vonnis van 14 januari 2009

in de zaak van

[EISER], h.o.d.n. […],

gevestigd en kantoorhoudende te Beverwijk,

eiser,

advocaat mr. F.D. [eiser],

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 10 augustus 2007 heeft [gedaagde] aan [eiser] opdracht verstrekt tot het verrichten van advies- en proceswerkzaamheden ten behoeve van de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en een verzoek partneralimentatie van zijn voormalig echtgenote, [T]. De opdrachtbevestiging luidt, voor zover in het kader van de onderhavige zaak van belang:

“[…]

Financiële afspraken

1. Met u is nagegaan of u in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Een aanvraag voor een toevoeging zal door mij worden ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam. De Raad stelt de door u te betalen eigen bijdrage vast.

[…]

3. Door ondertekening van deze opdracht verklaart u ermee bekend te zijn dat de verstrekte toevoeging met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken als door de rechtsbijstand een financieel resultaat is behaald dat hoger is dan 50% van het voor u van toepassing heffingvrije vermogen.

[…]

7. Indien de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging niet verleent of deze na beëindiging van uw zaak intrekt, zal ik mijn werkzaamheden op betalende basis voor u uitvoeren c.q. hebben uitgevoerd. Het overeengekomen honorarium bedraagt € 170,00 per uur, exclusief 5% kantoorkosten, belaste en onbelaste verschotten en omzetbelasting.

[…]

9. Uitgezonderd de declaratie voor de eigen bijdrage dienen declaraties binnen 14 dagen na dagtekening door u te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening. Indien u de declaraties niet (tijdig) voldoet, komen alle in redelijkheid gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke (incasso)kosten te uwen laste.

[…]”

2.2. Op 13 augustus 2007 heeft [eiser] namens [gedaagde] een aanvraag voor gefinancierde rechtshulp ingediend bij de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam. Deze aanvraag is bij schrijven van 7 september 2007 gehonoreerd.

2.3. [eiser] heeft op 13 september 2007 een brief aan [gedaagde] gezonden, waarin de volgende passage is opgenomen:

“[…]

Voorts hecht ik eraan u hierdoor te bevestigen dat ik er in ons gesprek van 11 april jl. wederom op heb gewezen dat indien uw vordering deels of geheel wordt toegewezen, de kans bestaat dat u dan de wettelijke vermogensgrenzen overschrijdt. Daardoor zal de aan u (eventueel) te verlenen toevoeging met terugwerkende kracht worden ingetrokken en dient u alsdan op basis van het overeengekomen uurtarief met mij af te rekenen. Ik verwijs in dit verband nog eens naar de door u ondertekende opdrachtbevestiging.

[…]”

2.4. Ter zitting van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2008 hebben [gedaagde] en van der Tas overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, welke is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Overeengekomen is onder andere dat Van der Tas uit hoofde van verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden aan [gedaagde] een bedrag van EUR 52.042,72 zal betalen. Bij beschikking van 17 maart 2008, waarin tevens vorenvermelde vaststellingsovereenkomst is opgenomen, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bepaald dat [gedaagde] met ingang van 1 april 2008 een uitkering tot levensonderhoud aan Van der Tas dient te betalen van EUR 1.288,00. Op 4 november 2008 heeft de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage op verzoek van [eiser] een verklaring afgegeven dat tot op heden in zijn register geen aantekening van enig rechtsmiddel tegen deze beschikking voorkomt.

2.5. Bij brief van 2 mei 2008 heeft [eiser] [gedaagde] als volgt bericht:

“[…]

Heden ontving ik bericht van mr. J.P. van Ginkel dat hij de zaak van u over zal nemen. Het moet mij van het hart dat u het kennelijk niet nodig heeft geacht om dit even vooraf met mij te overleggen. Ik respecteer uw besluit echter. Gelet op het behaalde financiële resultaat in deze zaak, zal de resultaatsbeoordeling door de Raad voor Rechtsbijstand, die zoals ik u reeds vertelde, altijd achteraf plaatsvindt, er toe leiden dat de aan u verleende toevoeging alsnog wordt ingetrokken en u met mij op betalende basis zult moeten afrekenen. Ik verwijs in dit verband eveneens naar het hieromtrent bepaalde in de opdrachtbevestiging.

Derhalve zend ik u de einddeclaratie voor de door mij in deze zaak verrichte werkzaamheden. Zoals u kunt zien is het door u betaalde Eigen Bijdrage op deze declaratie in mindering gebracht. Een urenspecificatie is eveneens bijgesloten.

Graag verzoek ik u om tijdige betaling, d.w.z. binnen 7 dagen na dagtekening dezes op rekeningnummer 61.22.80.195 t.n.v. F.D. [eiser] zorg te dragen o.v.v. ons kenmerk en het declaratienummer.

[…]”

In verband met het uitblijven van betaling heeft [eiser] op 8 mei, 15 mei en 3 juni 2008 gerappeleerd.

2.6. De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam heeft met dagtekening 26 mei 2008 als volgt aan [gedaagde] bericht:

“[…]

Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt ingevolge art. 34 g lid 1 sub b Wet op de rechtsbijstand de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken indien op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom heeft ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen.

Op grond van vorenstaande heeft de raad het voornemen de toevoeging met terugwerkende kracht in te trekken. Het gevolg van de mogelijke intrekking is dat u met terugwerkende kracht geen aanspraak hebt op gesubsidieerde rechtsbijstand.

De raad geeft u veertien dagen de mogelijkheid schriftelijk te reageren op dit voornemen. Als de raad binnen veertien dagen geen reactie van u heeft ontvangen, volgt een beslissing op grond van de in het dossier aanwezige gegevens. Die beslissing zal te zijner tijd aan u worden toegestuurd.

[…]”

Mr. Boonen heeft bij brief van 16 juni 2008 zijn zienswijze naar voren gebracht en verzocht om wegens zwaarwegende omstandigheden van intrekking van de toevoeging af te zien.

2.7. De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam heeft met dagtekening 6 juni 2008 als volgt aan [eiser] bericht:

“[…]

Mutatie

Civiel

Intrekking toevoeging

[…]

De Raad voor Rechtsbijstand trekt met deze beslissing de toevoeging in.

Nu uit de bijgevoegde stukken blijkt dat het financiële resultaat meer dan 50% van het heffingvrije vermogen bedraagt en er geen beroep/HB/cassatie is ingesteld, is de Raad voornemens om de toevoeging in te trekken.

Hiervan ontvangt u (en uw cliënt) afzonderlijk bericht.

Uw aanvraag vergoeding wordt, op grond van het bovenstaande, vooralsnog afgewezen. Als ons voornemen uiteindelijk niet tot intrekking leidt, zal er alsnog een vergoeding worden vastgesteld. In het geval van een intrekking kunt u deze beslissing als definitief beschouwen.

(zie ook artikel 34 g Wet op de rechtsbijstand)

[…]”

2.8. Op 16 juni 2008 heeft [eiser] beslag laten leggen onder notaris Farina. Dit beslag heeft geen doel getroffen omdat de gelden die de notaris voor [gedaagde] onder zich hield, op grond van een eerder tussen [gedaagde] en [T] getroffen regeling op dat moment door hem voor Van der Tas onder zich werden gehouden.

2.9. De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam heeft met dagtekening 3 juli 2008 als volgt aan [eiser] bericht:

“[…]

De Raad voor Rechtsbijstand trekt met deze beslissing de toevoeging in.

De toevoeging wordt door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken aangezien gebleken is dat de zaak is overgenomen door mr. P.G.J.M. Boonen van het kantoor Rauh en Kikken te Hoensbroek.

Door de Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch is hiervoor een toevoeging verstrekt op 9 mei 2008 onder nummer 1EF6197.

Dit houdt in dat alle gegevens zullen worden doorgestuurd en de beoordeling van het resultaat uiteindelijk door laatstgenoemde Raad zal worden gedaan.

[…]”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 12.066,69, vermeerderd met de wettelijke rente, beslagkosten en buitengerechtelijke incassokosten, en in de proceskosten.

3.2. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Raad voor Rechtsbijstand de verleende toevoeging heeft ingetrokken, als gevolg waarvan [gedaagde] zijn honorarium overeenkomstig de overeenkomst van opdracht dient te betalen.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn – kort gezegd, en voor zover in het kader van het onderhavige geschil van belang – overeengekomen dat [gedaagde] [eiser] voor zijn werkzaamheden zijn reguliere honorarium verschuldigd zal zijn, indien de Raad voor Rechtbijstand de verleende toevoeging na beëindiging van de zaak intrekt. Uit de tekst van de overeenkomst, mede gelet op de in 2.5 genoemde brief van [eiser] aan [gedaagde], leidt de rechtbank af dat partijen hierbij het oog hebben gehad op de situatie dat de Raad voor Rechtsbijstand daartoe op basis van een resultaatbeoordeling een besluit met die strekking heeft genomen.

4.2. De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam heeft bij brief van 26 mei 2008 aan [gedaagde] bericht het voornemen tot intrekking van de toevoeging te hebben, en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. [gedaagde] heeft bij brief van 16 juni 2008 van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. [gedaagde] heeft – door [eiser] onweersproken – gesteld dat de Raad voor Rechtsbijstand hierop nog niet heeft beslist. De enkele omstandigheid dat de in 2.7 genoemde brief van de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam van 6 juni 2008 aan [eiser] de passage bevat dat de Raad ‘met deze beslissing de toevoeging in[trekt]’, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot de conclusie dat de Raad daartoe een besluit genomen heeft, temeer niet nu deze passage niet los kan worden gezien van de rest van de inhoud van de brief, waaruit naar voren komt dat de Raad slechts een voornemen tot intrekking heeft.

4.3. [eiser] heeft zich ter comparitie beroepen op de in 2.9 aangehaalde brief van de Raad voor Rechtbijstand Amsterdam van 3 juli 2008. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de toevoeging die door de Raad voor Rechtsbijstand ’s–Hertogenbosch is verstrekt, geen opvolgingstoevoeging betreft, maar een nieuwe toevoeging. Aangezien door de Raad voor Rechtsbijstand een afrekening zal worden opgemaakt, is de vordering op [gedaagde] opeisbaar, aldus [eiser]. In reactie hierop heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat deze intrekking betrekking heeft op de overgang naar een ander ressort, en dat nog geen resultaatbeoordeling heeft plaatsgevonden. Uit voornoemde brief leidt de rechtbank af dat de intrekking heeft plaatsgevonden vanwege de overgang van de zaak naar mr. Boonen en dat de beoordeling van het resultaat uiteindelijk door de Raad voor Rechtsbijstand ’s–Hertogenbosch zal worden gedaan. Gesteld noch gebleken is dat een resultaatbeoordeling heeft plaatsgevonden. Het standpunt van [gedaagde] is derhalve juist.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen opeisbare vordering heeft, slaagt.

4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- betaald vast recht EUR 77,50

- in debet gesteld vast recht 232,50

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.214,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.214,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.833 ten name van MvJ arrondissement Haarlem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.?