Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2378

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
08-2643
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BP3296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Uit een schikkingsovereenkomst voortvloeiende betaling van 24 termijnen als lumpsum vloeit voort uit dienstbetrekking. Bedrag is betaald als beëindigingsvergoeding voor gederfd of te derven loon en terecht aangemerkt als loon van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2009/6.9
V-N 2009/21.2.2
FutD 2009-0384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2643

Uitspraakdatum: 20 januari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Y, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 met dagtekening 8 december 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 214.060 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 780.640. Bij beschikking is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 13.656.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2008 de navorderingsaanslag gehandhaafd. Daarbij is het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang nader vastgesteld op een bedrag van negatief € 749.965.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 6 maart 2008, ontvangen bij de rechtbank op 7 maart 2008, beroep ingesteld. Bij brief van 9 april 2008 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008.

1.6. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Namens verweerder is verschenen mr. B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser was tot en met 2000 als statutair directeur werkzaam in dienstbetrekking bij Q BV. Eiser hield een aanmerkelijk belang in Q BV, welke vennootschap een deelneming had in R BV. Eiser verrichtte tot eind december 2000 eveneens werkzaamheden voor R BV.

2.2. De arbeidsverhouding tussen eiser en Q BV en R BV is per eind december 2000 beëindigd. Ook feitelijk is eiser toen opgehouden met het verrichten van arbeid ten behoeve van beide hiervoor genoemde vennootschappen. Daarna bleven er diverse geschillen bestaan tussen onder meer Q BV en eiser. Ter finale oplossing van die geschillen is op 15 november 2002 een schikkingsovereenkomst (‘deed of settlement’; hierna: de overeenkomst) gesloten tussen eiser, Q BV en de mede-aandeelhouder van Q BV, S Ltd., ‘to come to an amicable settlement regarding aforementioned disputes (…)’.

2.3. In de overeenkomst is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

‘1. Employment Agreement

1.1 Parties confirm that Mr. X has resigned as statutory director of Q and all it’s subsidiaries (in as far as he was statutory director) and his employment agreement terminated as per 31st December 2000. All salary and fringe benefits and or other entitlement due under the employment agreement (including it’s termination) have been fully paid, save as explicitly provided for in this agreement’.

(...)

‘3. Consultancy fee

3.1. Parties agreed that Mr. X or a company so designated by Mr. X will receive from R B.V. a consultancy fee for work as an external consultant as from 1st January 2001 for a period of three years therefore until 31st December 2003 for a gross remuneration of euro 7487.37 (NLG 16,500.00) per month.

Mr. X will indemnify and hold harmless Q and it’s subsidiaries from any and all tax and social security premiums including any penalty payments in the widest sense, due on such consultancy payment. Q and R B.V. will not reasonably withhold it’s cooperation in redressing any consultancy payment already made to Mr. X as to qualify as payments made to a company so designated by Mr. X, provided such redress shall not bring Q and it’s susidiaries in a more unfavourable position.

The consultancy fee has been set off in the current account of Q up to and including 31st December 2001 (…).

3.2. In the framework of this settlement parties agree that the remainder of this consultancy fee will be payable in a lump sum as of 1st January 2002 being an amount of euro 179.697.00 (being the agreed total value of the consultancy fee for the remaining period of 24 months. This amount shall be payable to T B.V.

Payment of this remainder of the lump sum shall be effected by set off as provided in article 5.2 of this agreement.

(…).’

2.4. In 2002 is door R BV een bedrag van € 179.697 aan T BV betaald. Eiser houdt een aanmerkelijk belang in laatstvermelde vennootschap. Dit bedrag is (uiteindelijk) op de balans van die vennootschap op de rekening-courantrekening van eiser geboekt.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het bedrag ad € 179.697 in 2002 als loon uit (vroegere) dienstbetrekking door eiser is genoten, hetgeen door eiser ontkennend en door verweerder bevestigend wordt beantwoord.

3.2. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat geen sprake is van loon uit dienstbetrekking, omdat de consultancy fee, althans de lumpsum, niet aan eiser is betaald, maar aan T BV. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de consultancy fee niet voortvloeit uit de dienstbetrekking, omdat ten tijde van de overeenkomst de dienstbetrekking reeds was beëindigd en de consultancy fee ook overigens niets met de dienstbetrekking te maken heeft. Het feit dat het doorbetaalde loon over 2001 met de consultancy fee wordt verrekend doet daar niet aan af, aldus eiser.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.363.

3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.5. Voor de overige standpunten van partijen verwijst de rechtbank voorts naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 in verbinding met artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Voor de beantwoording van de vraag of de betaling van € 179.697 kan worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking of uit vroegere dienstbetrekking is van belang of aannemelijk is dat deze betaling, ook wel aangeduid als lumpsum, zijn oorsprong vindt in de (vroegere) dienstbetrekking van eiser en aldus als daaruit genoten moet worden beschouwd.

4.2. Anders dan eiser voorstaat, is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling van de vraag of een betaling voortvloeit uit de dienstbetrekking niet beslissend is de aard van de betaling, noch de persoon aan wie of het lichaam waaraan die betaling is verricht. Voor die beoordeling is, in afwijking van hetgeen eiser ter zake stelt, evenmin van belang of de dienstbetrekking ten tijde van de betaling reeds is beëindigd.

4.3. Niet in geschil is dat eiser in de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 geen werkzaamheden heeft verricht voor R BV dan wel Q BV. Ook heeft eiser in deze periode geen werkzaamheden voor bedoelde vennootschappen via T BV verricht. Evenmin is in geschil dat de doorbetaling van het loon over 2001 door R BV zijn oorsprong vindt in de dienstbetrekking van eiser met Q BV.

4.4. De vraag of deze doorbetaling van het loon in 2001 is geschied als een verplichte loondoorbetaling in verband met ziekte van eiser dan wel als een schadeloosstelling voor gederfd of te derven loon kan in het midden blijven, nu het antwoord daarop niet van invloed is op de beslechting van dit geschil.

4.5. De bewijslast dat de in 2002 ontvangen betaling van € 179.697 als loon uit dienstbetrekking van eiser moet worden aangemerkt rust op verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in die bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

Uit artikel 3, onderdeel 1 van de hiervoor bedoelde overeenkomst volgt dat eiser recht heeft op een betaling van zesendertig termijnen voor consultancy werkzaamheden, waarvan de eerste termijn aanvangt op 1 januari 2001 en de laatste eindigt op 31 december 2003. Artikel 3, onderdeel 2, bepaalt dat de eerste twaalf termijnen reeds aan eiser zijn uitbetaald en het restant van vierentwintig maanden (‘the remainder of this consultancy fee’) als lumpsum in 2002 aan T BV zal worden betaald. Niet in geschil is dat de eerste twaalf termijnen voortvloeien uit de dienstbetrekking met Q BV. Eiser heeft ter zitting echter verklaard dat hij nimmer consultancy werkzaamheden heeft verricht en dat dit ook nooit de bedoeling is geweest omdat de bij de overeenkomst betrokken partijen ten tijde van het tekenen van deze overeenkomst al meer dan anderhalf jaar gebrouilleerd waren.

Hetgeen is opgenomen in artikel 3 moet worden bezien in samenhang met artikel 1 waarin expliciet is vermeld dat met deze overeenkomst alle geschillen met betrekking tot het salaris, de secundaire arbeidsvoorwaarden en alle andere uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten zijn opgelost. Behalve in artikel 3, waarin expliciet de lumpsum met reeds uitbetaald salaris wordt verrekend, zijn alle overige geschillen in een afzonderlijk artikel 4 onder ‘several issues of dispute’ opgenomen.

4.6. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de overige vierentwintig termijnen, waarvoor het in geschil zijnde bedrag van € 176.679 is betaald, eveneens voortvloeien uit de dienstbetrekking die eiser met Q BV heeft gehad en dat dit bedrag is betaald als beëindigingsvergoeding voor gederfd of te derven loon. Dat de uitbetaling is geschied door R BV kan niet tot een ander oordeel leiden nu de betaling krachtens de overeenkomst van 15 november 2002 geacht kan worden te hebben plaatsgevonden ten behoeve van of namens Q BV.

4.7. Aan het voorgaande doet ook niet af dat eiser heeft gesteld dat de betaling was bedoeld om te komen tot een oplossing van de diverse geschillen tussen de bij de overeenkomst betrokken partijen en dat deze vergoeding daarom moet worden gezien als een vermomde dividenduitkering. Eiser heeft deze stelling niet, dan wel onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij zelf niet kan aangeven waarom het bedrag eigenlijk is betaald. Verder ziet de rechtbank noch in de stukken van het geding, noch in de feiten, reden om eiser in deze stelling te volgen. Ook de stelling van eiser dat in 2001, rekening houdend met het uitbetaalde vakantiegeld, feitelijk meer is uitbetaald dan het bedrag dat in de overeenkomst van 15 november 2002 over 2001 is verrekend, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder de betaling van het bedrag van € 179.687 terecht heeft aangemerkt als loon van eiser. Het enkele feit dat in de overeenkomst is bepaald dat de betaling zou worden gedaan aan T BV is niet voldoende om te oordelen dat deze vennootschap recht had op de betaling. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 januari 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.