Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2091

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/2773 en 08/2774
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Trust. Eisers hadden meer dan een blote verwachting dat zij op enig moment een uitkering uit het trustvermogen zouden ontvangen nu eiser sub 1 onder andere de beneficiairies heeft aangewezen en ook tijdens het bestaan van de trust nog kan aanwijzen, dat hij kan aangeven dat en onder welke omstandigheden uitkeringen worden gedaan en dat hij (op zijn verzoek) daadwerkelijk uitkeringen heeft ontvangen. Er is sprake van een bezitting, als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onder letter f, Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2009/37
FutD 2009-0378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2773 en 08/2774

Uitspraakdatum: 19 januari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

1. X1, wonende te Z en

2. Erven Y, wonende te Z, eisers

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser sub 1. met dagtekening 9 november 2006 over het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 17.990 en een belastbaar inkomen in box 3 van € 53.400. Tegelijkertijd heeft verweerder bij beschikking € 1.441 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft aan Y met dagtekening 9 november 2006 over het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 5.986 en een belastbaar inkomen in box 3 van

€ 42.522. Tegelijkertijd heeft verweerder bij beschikking € 1.513 heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Verweerder is bij uitspraken op bezwaar van 6 februari 2008 gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoetgekomen. Het belastbaar inkomen in box 3 van eiser sub 1. is gesteld op € 30.984. Het belastbaar inkomen in box 3 van Y is gesteld op

€ 20.106.

1.4. Eisers hebben daartegen in één geschrift bij brief van 10 maart 2008, ontvangen bij de rechtbank op 11 maart 2008, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Eisers hebben vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Namens verweerder zijn verschenen mr. A en mr. B. De griffier heeft de gemachtigde van eisers, mr. C bij aangetekende brief verzonden op 19 september 2008 naar het adres a-laan 1 te Q onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze brief is daar ook aangekomen, gelet op het nader ingediende stuk van gemachtigde van eisers van 25 oktober 2008. Namens eisers is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Eisers zijn evenmin verschenen.

1.8. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser sub 1. en zijn echtgenote, Y (hierna: echtgenote) zijn op 1 april 2002, nadat zij XX jaar in Spanje hadden gewoond, verhuisd naar Nederland in verband met de ziekte van de echtgenote. De echtgenote is op datum X2 overleden.

2.2. Op 18 oktober 2001 is een trust opgericht met de naam ‘D’ (hierna: de trust) waarvan eiser sub 1. de settlor is. E Trust (BVI) Limited is trustee en F Trust (R) S.A. (hierna ook: F Trust (R)) is protector. Als eerste begunstigden zijn eiser en zijn echtgenote aangewezen. Als tweede begunstigde is hun zoon, AX, aangewezen en als derde begunstigden zijn de kleinkinderen aangewezen.

2.3. In de trustakte van 18 oktober 2001 tussen eiser sub 1. en E Trust (BVI) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘(…)

POWER TO PAY CAPITAL AND INCOME TO CHARITY

6. NOTHWITHSTANDING the trusts and powers hereinbefore declared and contained the Trustees shall have the following powers excercisable in their absolute discretion at any time or times prior to the termination of the Trust Period

6.1. Power to pay or apply any part of the capital or income of the Trust Fund to or for such charity or charities as the Trustees shall in their absolute discretion select in such proportions if more than one and generally in such manner as the Trustees shall in their like discretion think fit and

6.2. Power in their like discretion to decide from time to time whether or not to exercise the forgoing power and in any particular charity or charities to disregard entirely all other such charity or charities whether known to the Trustees or not as are capable of benefitting under any exercise thereof and the receipt of writing of the treasurer or other officer of any charity authorised to give receipts for moneys paid to such charity shall be sufficient discharge to the Trustees for any capital or income paid to such institution hereunder.

(…)

THE PROTECTOR

26. A. THE first Protector shall be F Trust (R) S.A.

(…)

D. Power to appoint a new Protector shall be vested in such persons as are specified in the Sixth Schedule hereto in the order of priority and in the manner of subject to such conditions (if any) therein specified.

(…)

POWERS OF PROTECTOR

27. NOTHWITHSTANDING anything herein contained and in particular anything conferring an absolute or uncontrolled discretion on the Trustees hereof all and every power and discretion vested in the Trustees by such provisions of this Settlement as are specified in the Seventh Schedule hereto shall only be exercisable by them with the prior or simultaneous written consent of the Protector.

(…)

IRREVOCABILITY

30. THIS Settlement is irrevocable by the Settlor.’

2.4. Eiser sub 1. heeft op 29 oktober 2001 aan F Trust (R) de punten voor een letter of wishes gezonden, met het verzoek deze te verwerken in het originele document in de Engelse taal. Voor zover van belang zijn deze punten:

‘uitkeringen: per jaar Euro 30.000,- in 2 termijnen aan één van de eerste begunstigden vanaf het jaar 2002 of aan langstlevende.

(…)

Éénmalige uitkering: Mogelijkerwijs kan om gezondheidsredenen of door vergevorderde leeftijd van eerste begunstigden het noodzakelijk zijn zich in te kopen in een bejaarden of verzorgingsinstituut. De jaarlijkse uitkering kan dan verminderd worden met 3% over het uitgekeerde bedrag.

Informatie aan settlor: éénmaal per jaar via protector gespecificeerd overzicht van vermogen van de trust.

(…)

Op een later tijdstip kan mogelijk op meer punten wensen door settlor worden geuit. Voorts zal op een nader vast te stellen datum de contacten met de protector in handen worden gegeven aan de tweede begunstigde : XA, (…)’

2.5. Op 23 september 2002 heeft eiser sub 1. het volgende aan F Trust (R) meegedeeld:

‘Gaarne kom ik nog even terug op ons gesprek van de 16. van deze maand.

Bijgaand doe ik u een aanvulling van de letter of wishes van 29-10-2001 toekomen waarbij ik nog de volgende opmerkingen wil maken.

De reden dat ik per direct mijn zoon op zo uitgebreid mogelijke wijze wil machtigen is, dat onbekwaamheid van ondergetekende op een later tijdstip, indien dit mocht geschieden niet op een exacte datum vast te stellen is.

(…)

Voorts ben ik vergeten u te vermelden dat bij de second beneficiaries niet slechts mijn zoon genoemd had moeten worden, doch ook zijn vrouw:

(…)

Reden van vermelding is, dat bij evt. verscheiden van mijn zoon, de kleinkinderen de uitkeringen zouden kunnen opeisen op te jonge leeftijd.’

2.6. Op 15 november 2005 heeft eiser sub 1. opnieuw een aanvulling van de letter of wishes van 29 oktober 2001 aan F Trust (R) gezonden waarin hij aangeeft het op prijs te stellen als de mogelijkheid om hypotheekverlening voor de aankoop van woonruimte door zijn kleindochters bespreekbaar wordt. Eiser sub 1. geeft in deze brief aan dat dit besproken moet worden met de second beneficiairies.

2.7. Eiser sub 1. heeft op 6 februari 2003, 9 maart 2006, 17 juli 2006 en 7 december 2006 betalingen ontvangen uit de trust. Eiser heeft voor de eerste uitkering op 4 februari 2003 telefonisch contact gehad met de trustee en een schriftelijk verzoek ingediend, zonder vermelding van redenen, om over te gaan tot een uitkering. De trustee heeft op 6 februari 2003 een bedrag van € 10.000 uitbetaald.

2.8. Eisers hebben in de aangifte IB 2003 terzake van enig recht in een trustvermogen niets tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend. Wel hebben zij in die aangifte aangegeven dat zij betrokken zijn bij een trustvermogen of een ander doelvermogen (naar buitenlands recht). Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief met dagtekening 27 oktober 2005 de volgende vragen gesteld:

‘a) Bij welk rechtsfiguur/doelvermogen (hierna: doelvermogen) bent u betrokken? Het kan hier o.a. gaan om een trust, een Antilliaanse stichting particulier fonds of een ander doelvermogen.

b) Kunt u toelichten in hoeverre u bij het doelvermogen betrokken bent (als insteller/oprichter, als gerechtigde/begunstigde, als bestuurder, als toezichthouder, of anderszins)? Zo ja, stuurt u dan de desbetreffende bescheiden mee.;

c) Ontvangt u inkomsten of vermogen uit het doelvermogen? Zo ja, stuurt u dan een specificatie mee.’

2.9. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 31 oktober 2005 het volgende aan verweerder geantwoord:

‘Cliënt is als Settlor en Beneficiairy betrokken bij een trust met de naam D. Wij zenden u hierbij een kopie van de “Letter of instruction” en de eerste en laatste pagina van de overeenkomst met E Trust (BVI).

In 2003 heeft cliënt eenmalig € 10.000 uit de Trust ontvangen.’

2.10. In de hiervoor bedoelde letter of instruction met datum 18 oktober 2001 is onder meer vermeld:

‘(…)

5) The Trust Deed should incorporate the provision for a Protector whose consent is required for those acts as shown on the attached schedule.

As first Protector (if any) shall be appointed F Trust (R) SA. (…)’

2.11. Bij brief met datum 13 december 2005 heeft verweerder gevraagd om de gehele oprichtingsakte van de trust, de jaarstukken van de trust vanaf de oprichtingsdatum tot en met 31 december 2004, een overzicht van de bezittingen en schulden van de trust vanaf de oprichtingsdatum tot en met 31 december 2004, een kopie van de toekenning van de betaling aan eiser sub 1. Verder heeft verweerder gevraagd of eisers vaker inkomsten en vermogen hebben ontvangen uit de trust en of er met de belastingdienst afspraken zijn gemaakt over de fiscale behandeling van de trust. Verweerder heeft in de brief verzocht om de schriftelijke reactie vóór 18 januari 2006 toe te sturen.

2.12. De gemachtigde van eisers heeft bij brief met datum 13 januari 2006 het volgende aan verweerder medegedeeld:

‘Namens cliënten (..) gaan wij hieronder in op de in uw schrijven van 13 december 2005 gestelde vragen.

1. Een kopie van de gehele oprichtingsakte voegen wij bij.

2. Het betreft hier een “Discretionary Trust”. Cliënten hebben geen zeggenschap en hebben derhalve geen

jaarstukken ontvangen.

3. Omdat het een “Discretionary Trust” betreft zijn er ook geen overzichten van de bezittingen en schulden

beschikbaar.

4. Cliënten hebben op 4 februari 2003 een verzoek ingediend om € 10.000 aan hen uit te betalen. Afschriften van het verzoek en het bankafschrift zijn als bijlage bijgevoegd.

5. Cliënten hebben verder geen verzoeken ingediend en geen uitbetalingen ontvangen.

6. Wederom omdat het een “Discretionary Trust” betreft zijn er geen afspraken met de belastingdienst gemaakt.’

2.13. Als bijlage bij de motivering van het bezwaarschrift met datum 26 januari 2007 is namens eisers een kopie van een brief aan verweerder gezonden. Het betreft een brief van 8 januari 2007 waarin door G, gevestigd op S in een brief aan F Trust (R) het volgende is vermeld: (zie bijlage 10 bij het beroepschrift)

‘We have reviewed a copy of the trust settlement dated 18th October, 2001 entered into between X1 as settlor and E Trust (BVI) Limited as trustee (the “Settlement”). On the assumption that the copy we have reviewed is a true and complete copy of the Settlement and that the Settlement has not been amended, we confirm that the Settlement would be considered as an irrevocable discretionary settlement under S law.

(…)

A beneficiary has no right to demand any benefit under the Settlement and has no more than a hope that the discretion will be exercised in his favour.

The trustees have no duty to provide accounts (or any other administration related to the trust property) unless requested by a beneficiairy. (…)’

2.14. Als bijlage bij een brief van 23 mei 2007 zijn, voor zover van belang, aan verweerder de volgende overzichten gezonden:

‘Overzicht op 31 Dec 2004 in EUR* overzicht afgedrukt op 06/01/2005

Nummer cliënt: 453-638

Type beheer:

Relatiebeheerder:

Rubriek Globale inventariswaarde in referentiemunt (…)

Obligaties 802.575,80 (…)

Aandelen 130.705,37 (…)

Liquide middelen 8.083,65 (…)

Totaal beheerd vermogen: 941.364,82 (…)

* (…)

Report as of 31 Dec 2003 in EUR* report printed on 22/10/2004

List: 453-638

Management type:

Relationship manager:

Heading Total amount in valuation currency (…)

Bonds 716 268,42 (…)

Stocks 170 818,73 (…)

Cash 6 697,68 (…)

Total assets under management: 893 784,83 (…)

* (…)’

2.15. Bij schrijven van 21 mei 2007 heeft F Trust (R) aan verweerder, voor zover van belang, medegedeeld:

‘ (…)

In 2003 and 2006 X1 requested us to make some distributions with the purpose to adapt the assisted living facilities of his wife in connection with her physical and mental condition.

In our capacity of Trustee we confirm that we decided to make the suggested distributions at our absolute discretion and only after having carefully considered the letter of wishes in relation to the conduct of the Trust. Subsequently payments were made on 05/05/2003, 09/03/2006, 17/07/2006 and 7/12/2006.

(..)’.

2.16. In een brief van 6 oktober 2008 heeft H Trust (R) S.A. (voorheen F Trust (R) S.A. aan de gemachtigde van eisers medegedeeld:

‘It seems that there is a misunderstanding concerning the so called Letter of Wishes the Trustee of D should have received.

We as Trustee herewith confirm never ever having received such Letter of Wishes.

The Trustee although received several requests from X1 to prepare such Letter as per attached requests dd. 29/10/2001, 23/9/2002 and 15/11/2005.

Further to these request the Trustee never prepared such Letter.

The Letter of Whishes we referred to in our letter dd. 21st of May 2007 were in fact the requests we received from X1. (…)’

2.17. Bij het vaststellen van de aanslagen heeft verweerder terzake van de rechten die eisers aan de trust ontlenen in totaal een bedrag van € 2.000.000 tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend. Dit bedrag geldt zowel per 1 januari 2003 als per 31 december 2003 en is op grond van artikel 2.17, lid 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij beide partners voor de helft in aanmerking genomen. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder dit bedrag herzien op een bedrag van € 864.600 per 1 januari 2003 en op € 893.784 per 31 december 2003, welke bedragen door verweerder ingevolge voormelde bepaling bij beide partners voor de helft in aanmerking zijn genomen.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In de eerste plaats is in geschil of de bewijslast op grond van artikel 27e van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen is verzwaard en verschoven naar eisers. Verder is in geschil het antwoord op de vraag of eisers zodanige rechten ontlenen aan het vermogen van de trust dat sprake is van een bezitting, als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid onder letter f, Wet inkomstenbelasting 2001.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en naar hetgeen is verklaard ter zitting.

3.3. Eisers concluderen tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001 is voor zover van belang vermeld:

‘2. Bezittingen zijn:

(…)

f. overige vermogensrechten, met waarde in het economisch verkeer.

(…)’

Ten aanzien van de vraag of het vermogen van de trust moet worden aangemerkt als overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer, is in de wetsgeschiedenis het navolgende vermeld:

‘De vraag of er een rechthebbende is in de zin van de vermogensrendementsheffing houdt verband met de vraag of er een of meer personen zijn aan te wijzen die een op geld waardeerbaar belang ontlenen aan dat trustvermogen. Of en in hoeverre van een dergelijk belang sprake is hangt sterk af van de omstandigheden van het geval waarbij onder meer de bepalingen in de trustakte een rol spelen maar bijvoorbeeld ook de wijze waarop de trustee gebruik heeft gemaakt van zijn eventuele bevoegdheid om - al dan niet onherroepelijk - beneficiaries aan te wijzen. Zolang iemand geen enkel recht op een uitkering uit het trustvermogen heeft, juridisch noch feitelijk, ook geen voorwaardelijk recht, maar slechts een blote verwachting bestaat dat hij op enig moment een uitkering uit het trustvermogen zou kunnen ontvangen, zal deze persoon (nog) niet als rechthebbende op het trustvermogen kunnen worden aangemerkt aangezien voor hem een op geld waardeerbaar belang bij dat vermogen ontbreekt. (…)'

Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 115 (NNV).

4.2. In het onderhavige geval verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of op eisers de (verzwaarde) last rust om te bewijzen dat bij eisers slechts een blote verwachting bestaat dat zij op enig moment een uitkering uit het trustvermogen zouden kunnen ontvangen. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat eisers niet dan wel niet tijdig de gevraagde informatie hebben verstrekt. Eisers hebben hiertegen ingebracht dat de gevraagde informatie voor een deel niet aanwezig is en voor het overige ter beschikking is gesteld aan verweerder.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, die stelt dat de rechten van eisers op het vermogen van de trust in de vermogensrendementsheffing moeten worden betrokken, aannemelijk heeft gemaakt dat eisers meer dan een blote verwachting hebben ten aanzien van het vermogen van de trust. Dit brengt mee dat de vraag of de bewijslast moet worden verschoven naar eisers en moet worden verzwaard in die zin dat eisers moeten aantonen dat zij voor het trustvermogen niet in de vermogensrendementsheffing kunnen worden betrokken, geen beantwoording behoeft.

4.4. Voor het hiervoor onder 4.3. gegeven oordeel acht de rechtbank het volgende van belang. Verweerders stelling, dat eisers meer dan een blote verwachting hebben ten aanzien van het vermogen van de trust, wordt ondersteund door de betaling van € 10.000 die in 2003 op zijn verzoek aan eiser sub 1 is gedaan. Ook de uitkeringen die in 2006 zijn gedaan maken aannemelijk dat verzoeken van eiser sub 1. worden gevolgd door uitkeringen uit het trustvermogen. Verder stelt verweerder dat het de bedoeling van eiser sub 1. is om over het vermogen te kunnen blijven beschikken. Verweerder onderbouwt dit onder meer door er op te wijzen dat eiser sub 1. de insteller van de trust is en tevens de eerste begunstigde. Verder heeft eiser sub 1. tijdens het hoorgesprek gezegd: ‘Uiteraard ga je geen trust oprichten als je er niets uit mag halen, dat spreekt voor zich.’

4.5. Eisers hebben tegenover de gemotiveerde stelling van verweerder benadrukt dat de trust een ‘irrevocable discretionary trust’ is en dat dit meebrengt dat eiser sub 1. onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn vermogen en dat hij, noch de beneficiaries, over het trustvermogen kunnen beschikken. Eisers onderbouwen dit onder meer met een beroep op de hiervoor in 2.13 bedoelde brief van 8 januari 2007 waarin is bevestigd dat sprake is van een ‘irrevocable discretionary settlement’. De trustee kan volgens eisers als enige, zonder nadere toelichting beslissen of een uitkering wordt gedaan. Zo heeft de trustee geen gehoor gegeven aan de wens van eiser sub 1. om jaarlijks een uitkering te doen van € 30.000.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met hetgeen zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zij geen beschikking hebben over het vermogen van de trust. Weliswaar kan er van worden uitgegaan dat eiser sub 1. zijn vermogen in de trust heeft gebracht en dat hij deze trust niet kan herroepen, dit neemt niet weg dat hij (feitelijk) de beschikking heeft behouden over het trustvermogen. De ‘letter of instruction’, de trustakte van 18 oktober 2001 en de door eiser sub 1. aan F Trust (R) toegezonden wensen ten aanzien van de uitkeringen, bieden hiervoor de navolgende aanknopingspunten.

4.7. In de ‘letter of instruction’ is aangegeven dat een ‘protector’ wordt ingesteld wiens toestemming is vereist voor daden die zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt geen deel uit van de stukken van het geding. Dat in het onderhavige geval een ‘protector’ is aangesteld volgt uit punt 26A. van de trustakte. De bevoegdheid om een nieuwe ‘protector’ aan te wijzen is, zo volgt uit punt 26D. van de trustakte, uiteengezet in bijlage 6. Deze bijlage is door eisers niet overgelegd. Uit punt 27 van de trustakte volgt verder dat de bevoegdheden van de trustees zijn neergelegd in bijlage 7 en dat deze bevoegdheden alleen kunnen worden uitgeoefend na voorafgaande schriftelijke toestemming van de ‘protector’. Bijlage 7 behoort evenmin tot de gedingstukken. De tekst van de trustakte, voor zover deze tot de gedingstukken behoort, laat echter geen andere conclusie toe dan dat de protector toestemming moet gegeven voor uitkeringen die door de trustee worden gedaan en dat de situaties waarin de protector toestemming geeft, kenbaar zijn gemaakt.

4.8. Dat in het onderhavige geval de wensen van eiser sub 1. bij de protector en mogelijk ook bij de trustee bekend zijn, blijkt uit de hiervoor onder 2.16 bedoelde brief van F Trust (R) aan verweerder waarin is meegedeeld dat de uitkeringen zijn gedaan na raadpleging van de letter of wishes. Ook blijkt dit uit het feit dat eiser sub 1. zijn wensen ten aanzien van de uitkeringen kenbaar heeft gemaakt aan F Trust (R) op 29 oktober 2001, 23 september 2002 en 15 november 2005. Eiser sub 1. heeft in zijn brief van 23 september 2002 zijn zoon gemachtigd en diens echtgenote als beneficiairy aangewezen. Uit deze brief moet worden afgeleid dat de kleinkinderen van eiser sub 1. na het overlijden van hun vader rechten hebben ten aanzien van het trustvermogen. Eisers stelling dat er geen letter of wishes is opgesteld, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Eisers hebben in een brief van 17 oktober 2007 aan verweerder medegedeeld dat zij een verzoek hebben gedaan bij de trust om toezending van een letter of wishes en dat in reactie daarop de concepten die door eiser sub 1. aan de trustee zijn toegezonden, van de trustee zijn ontvangen. De rechtbank acht het, ondanks het eventueel ontbreken van een speciaal daartoe opgemaakte letter of wishes, alleszins aannemelijk dat de wensen van eiser sub 1, zoals deze blijken uit de door hem toegezonden brieven, als basis dienen voor toestemming van de protector aan de trustee om tot uitkeringen over te gaan. Een bevestiging hiervan is opgenomen in de hiervoor onder 2.16 bedoelde brief waarin met zo veel woorden is vermeld dat met de letter of wishes in de eerdere brief van 21 mei 2007 de verzoeken worden bedoeld die door eiser sub 1. zijn toegezonden en dat deze bij het doen van uitkeringen in aanmerking zijn genomen. Dat de letter of wishes, zo hebben eisers aangevoerd, niet afdoet aan de discretionaire bevoegdheid van de trustee, is niet doorslaggevend omdat gebleken is dat deze bij het doen van uitkeringen wel wordt gevolgd. Ook het enkele feit dat de door eiser sub 1. gevraagde periodieke uitkering van € 30.000 per jaar niet is uitgekeerd, maakt het voorgaande niet anders. Eisers hebben niet toegelicht waarom deze uitkering niet is gedaan en daarom kan niet uitgesloten worden dat hieraan andere redenen, bijvoorbeeld fiscale, ten grondslag hebben gelegen.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat eiser sub 1. de beneficiairies heeft aangewezen en ook tijdens het bestaan van de trust nog kan aanwijzen, dat hij kan aangeven dat en onder welke omstandigheden uitkeringen worden gedaan en dat hij (op zijn verzoek) daadwerkelijk uitkeringen heeft ontvangen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat eisers slechts een blote verwachting hadden dat zij op enig moment een uitkering uit het trustvermogen zouden kunnen ontvangen.

4.10. Verweerder heeft de waarde van de vermogensrechten afgeleid uit de in 2.14 vermelde overzichten. Alhoewel hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend op basis van het cliëntnummer kan worden afgeleid dat deze overzichten betrekken hebben op de trust, zijn partijen kennelijk eensluidend van oordeel dat dit wel het geval is. De rechtbank ziet hierin overigens geen aanleiding om voor de berekening van de vermogensrendementsheffing van eisers uit te gaan van een lagere waarde dan waarvan verweerder in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 januari 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis en mr. T.A. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.