Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BH1552

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
153786/09-2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod.

Aan verzoeker is door de burgemeester van de gemeente op grond van de Wet tijdelijk huisverbod een verbod opgelegd, inhoudende dat hij tien dagen zijn woning niet mag betreden. De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van zijn partner waarmee hij samenwoont.

Ter zitting heeft verzoeker eerst bezwaar gemaakt tegen het in het openbaar behandelen van de zaak.

De voorzieningenrechter heeft op dit punt overwogen dat op grond van artikel 8:62 Awb het belang van openbaarheid in deze zaak zwaarder weegt dan het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer van verzoeker. De zaak is daarom met open deuren behandeld.

Verzoeker heeft vervolgens aangevoerd dat het huisverbod ten onrechte is opgelegd. De voorzieningenrechter is van echter van oordeel dat niet hoeft te worden getwijfeld aan de inhoud van het proces-verbaal dat aan het opleggen van het huisverbod ten grondslag ligt en dat de gemeente in redelijkheid tot het huisverbod heeft kunnen komen.

Wetsverwijzingen
Wet tijdelijk huisverbod
Wet tijdelijk huisverbod 2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

voorzieningenrechter

Zaak-/rekestnrs.: 153786/09-2 (voorlopige voorziening)

153784/09-234 (beroepschrift)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van:

[naam verzoeker], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),

wonende te [plaats],

gemachtigde: mr. M.M. van Straten, advocaat te Amsterdam,

en

de burgemeester van de gemeente [plaats], verweerder,

zetelende te [plaats],

gemachtigde: drs. H.M. Zonneveld

in welke zaken belanghebbende is:

[naam belanghebbende],

wonende te [plaats].

1 Procedure

1.1 Bij besluit van 21 januari 2009 heeft verweerder verzoeker een huisverbod opgelegd, geldend van 21 januari 2009 tot 31 januari 2009

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker op 23 januari 2009 beroep ingesteld.

1.2 Voorts heeft verzoeker op 23 januari 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudend dat het huisverbod voorlopig wordt opgeschort.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H.M. Zonneveld, juridisch medewerker bij de gemeente [plaats].

Tevens waren ter zitting onder meer aanwezig: de belanghebbende mevrouw [naam ] (huisgenote van verzoeker), mevrouw M. Wigchert, juridisch medewerker bij de gemeente [plaats], mevrouw [naam] namens de Politie [plaats] en mevrouw [naam] namens de GGD.

2 Beoordeling

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2.5 Ter zitting heeft mr. Van Straten namens verzoeker in de eerste plaats bezwaar gemaakt tegen het in het openbaar behandelen van de zaak wegens inbreuk op de privacy van verzoeker en verzocht de behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden.

2.6 De onderhavige zaak betreft geen procedure betreffende het personen-en familierecht maar een overheidsingrijpen dat in beginsel een openbare toets vergt.

Op grond van artikel 8:62 eerste lid Awb is de zitting dan ook openbaar. Slechts onder bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 8:62 tweede lid Awb, kan de rechtbank hiervan afwijken.

De voorzieningenrechter acht het belang van openbaarheid in deze zaak zwaarder dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzoeker, zodat het bezwaar van de verzoeker wordt verworpen.

2.7 Ter onderbouwing van het beroepschrift heeft verzoeker een aantal formele punten aangedragen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2009, opgemaakt door verbalisant [naam], blijkt dat de mogelijkheid om van een opgelegd huisverbod in beroep te gaan niet aan verzoeker is meegedeeld. Voorts blijkt hieruit dat zijn huissleutels niet zijn ingevorderd, dat geen piketadvocaat voor verzoeker in kennis is gesteld en dat verzoeker geen brochure over de Wet Tijdelijk Huisverbod uitgereikt heeft gekregen. Verzoeker voert aan dat een en ander in strijd is met de Wet Tijdelijk Huisverbod en dat het besluit van verweerder derhalve rechtskracht mist.

2.8 Dit betoog kan niet slagen. Ten tijde van het bovengenoemd proces-verbaal was het huisverbod immers nog niet aan verzoeker opgelegd, zodat deze vereisten niet aan de orde waren. Bovendien is verzoeker, los van de vraag of in een later stadium alsnog aan al deze vereisten is voldaan, niet in zijn belangen geschaad omdat op 21 januari 2009 uiteindelijk het huisverbod aan hem is meegedeeld, hij zelf een advocaat heeft gezocht en tijdig in beroep is gegaan.

2.9 Ook het betoog van verzoeker dat het thans opgelegde huisverbod strijdig zou zijn met het recht op de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, waarin zowel het recht op privé-en gezinsleven als het recht op ongestoord genot van de woning wordt beschermd, wordt verworpen.

Immers, het opleggen van een huisverbod, zijnde een tijdelijke maatregel, moet worden aangemerkt als een proportionele maatregel ten aanzien van het doel dat daarmee wordt gediend, te weten de preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen. Meer specifiek wordt met het huisverbod beoogd de gezondheid en lichamelijke integriteit van betrokkenen ook te kunnen beschermen in crisissituaties waarin (nog) geen sprake is van strafbare feiten.

2.10 Verzoeker ontkent de feiten en omstandigheden die zich voorgedaan zouden hebben voorafgaande aan het opleggen van het huisverbod en voert aan dat de feiten de invulling van het risicotaxatierapport niet dragen.

2.11 Anders dan verzoeker heeft betoogd, dragen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de in het proces-verbaal van aangifte door de belanghebbende van 21 januari 2009 genoemde feiten het risicotaxatierapport wel. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het op ambtseed opgestelde proces-verbaal. Bovendien heeft de belanghebbende ter zitting het proces-verbaal op de relevante onderdelen bevestigd en daarmee aangegeven dat sprake was van een dreigende situatie waarbij verzoeker belanghebbende heeft geduwd, haar met een handdoek heeft geslagen, een pakketje handdoeken tegen haar gezicht heeft geslagen, met kracht bij de pols heeft gepakt, met eten heeft gegooid en met (verdere) vernieling heeft gedreigd. Belanghebbende heeft verklaard dat zij erg bang was en om die reden de politie heeft gebeld. In haar aangifte heeft belanghebbende voorts verwezen naar eerder geweld dat tussen verzoeker en haar zou hebben plaatsgehad. Dat zij thans aangeeft dat het opleggen van het huisverbod voor haar niet noodzakelijk was, maar dat zij wilde dat verzoeker goede hulp zou krijgen, doet hier niet aan af. Via de reclassering heeft verzoeker ook overigens inmiddels hulp gekregen en aanvaard.

2.12 Onder de hierboven geschetste omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen.

2.13 Dat de Wet Tijdelijk Huisverbod niet zou zijn bedoeld voor situaties als de onderhavige, zoals door verzoeker is aangevoerd, valt, gelet op het vorenstaande, niet in te zien.

2.14 Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 Verklaart het beroep ongegrond,

3.2 Wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Hoogkamer, griffier, op 28 januari 2009

Een belanghebbende en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.