Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BG9063

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-01-2009
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/3089
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur tot verstrekking van de verloven tot het voorhanden hebben van een vuurwapen. Verweerder kan volstaan met het verstrekken van de gevraagde informatie in de vom van een overzicht. De rechtbank acht een overzicht, zoals aan eiser is verstrekt, te weten een uitdraai uit het landelijke vergunnningenmodulesysteem Verona, op zichzelf acceptabel. Los van de vorm waarin de informatie is verstrekt moet, gelet op het verzoek van eiser, geconcludeerd worden dat verweerder met het verstrekken van de uitdraai niet aan eisers verzoek heeft voldaan. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn stelling dat openbaarmaking van de door eiser gevraagde gegevens op zichzelf of in combinatie met andere gegevens kunnen leiden tot identificatie van individuele personen niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2009

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H. van Drunen, juridisch adviseur te Utrecht,

tegen:

de korpschef van de politieregio Kennemerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij e-mail van 15 april 2007 heeft eiser verweerder verzocht om vestrekking van alle verleende en geweigerde verloven tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, als bedoeld in artikel 28 Wet wapens en munitie (Wmm), die in het kalenderjaar 2006 zijn afgegeven.

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft verweerder deze gegevens verstrekt met weglating van het geboortejaar.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 juli 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder deels verwezen naar het advies van 26 november 2007, van de Bezwarenadviescommissie politieregio Kennemerland.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 maart 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 september 2008, alwaar alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.C.E. te Riele, C. Maliepaard en H. Meijer, werkzaam bij de politieregio Kennemerland.

Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met het beroep van eiser met zaaknummer AWB 08-2741 tegen de korpsbeheerder van de Politieregio Zaanstreek-Waterland.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft in zijn verzoek aan verweerder aangegeven dat de naam, adres en postcode, alsmede eventueel telefoonnummer en geboortedag en geboortemaand onleesbaar gemaakt kunnen worden. Hij geeft daarbij aan dat gegevens zoals de woonplaats en geboortejaar voor zijn onderzoek wel van belang zijn, evenals het aantal en het soort en type wapen waarvoor het verlof is afgegeven dan wel is geweigerd.

2.2 Het verzoek van eiser omvat, aldus verweerder, 5788 verleende verloven en één ingetrokken verlof. Gelet op de omvang van de stukken heeft verweerder ervoor gekozen om aan eiser de informatie betreffende de verleende verloven in samengevatte vorm te verstrekken. Hij heeft hiertoe een uitdraai uit het landelijke vergunningenmodulesysteem Verona verstrekt. De gegevens betreffende het geboortejaar heeft verweerder niet in deze lijst verstrekt uit oogpunt van bescherming van persoonsgegevens. Verweerder stelt zich op het standpunt dat vestrekking hiervan inbreuk zou kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen, nu met name in kleine gemeenschappen het geboortejaar herleid zou kunnen worden naar individuele personen. Het ingetrokken verlof heeft verweerder in geanonimiseerde vorm verstrekt.

2.3 In artikel 1, aanhef en onder a en b, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is bepaald dat in de Wob en de daarop berustende bepalingen onder document wordt verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig de WOB en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Het eerste lid van artikel 3 van de Wob bepaalt dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, Wob vestrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven.

Artikel 7, tweede lid, van de Wob bepaalt dat het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm verstrekt, tenzij het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

2.4 Eiser betoogt dat door de gekozen wijze van vestrekking van de gegevens aan hem essentiële informatie wordt onthouden, zoals datum afgifte, het doel van afgifte, waartoe het verlof geldt, gegevens over de wapens waarvoor het verlof is aangevraagd en ten aanzien van het ingetrokken verlof de reden waarom het verlof is ingetrokken. Eiser stelt zich bovendien op het standpunt dat de lijst onbetrouwbaar is.

2.5 Allereerst ligt de vraag voor of verweerder door middel van het verstrekken van een uitdraai heeft kunnen voldoen aan het verzoek van eiser. Verweerder stelt dat het lichten van 5788 dossiers, het kopiëren, anonimiseren en vervolgens verzenden van de stukken, naar schatting 5 minuten per dossier zal kosten hetgeen in totaal neerkomt op 13 volledige werkweken voor een politieambtenaar. Dit legt een onevenredig groot tijdsbeslag op zijn organisatie, aldus verweerder.

2.6 De rechtbank acht de inschatting van de tijdsbesteding per dossier zoals door verweerder gemaakt niet onaannemelijk en is met verweerder van oordeel dat, gelet op het grote aantal dossiers, de tijdsbesteding die gemoeid is met het verstrekken van geanonimiseerde afschriften van verloven aanzienlijk is. Verstrekking van de gevraagde informatie in deze vorm kan dan ook in redelijkheid niet van verweerder worden gevergd.

2.7 Verweerder kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volstaan met het verstrekken van de gevraagde informatie in de vorm van een overzicht. De rechtbank acht een overzicht, zoals aan eiser is verstrekt, te weten een uitdraai uit het landelijke vergunningenmodulesysteem Verona, op zichzelf acceptabel.

2.8 Eiser heeft ter zitting aangegeven genoegen te nemen met verstrekking van de door hem verzochte informatie in deze vorm, mits er geen discrepantie is tussen de informatie welke zich in de verloven zelf bevindt en de informatie welke is opgenomen in het overzicht. Hij heeft echter de nodige twijfels of de informatie in het overzicht wel een accurate weergave is van de informatie in de originele verloven. Eiser verwijst daartoe naar de inhoud van een door verweerder ingebracht verlof. Dit verlof betreft vier wapens waarbij per wapen het soort, merk en kaliber is genoemd. Eiser heeft de rechtbank erop gewezen dat in de uitdraai van Verona onder dit verlofnummer, de twee in het verlof genoemde wapens van een geheel ander merk/wapentype zijn dan degene die zijn opgenomen in het verlof zelf.

2.9 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de gegevens in Verona in principe gelijk dienen te zijn aan de verlofgegevens, nu de verloven uit het zelfde systeem worden uitgedraaid. Verona is pas in 2006 ingevoerd, vóór die tijd werden allemaal verschillende systemen gehanteerd. Verweerder gaf aan dat er wellicht een fout is gemaakt bij het overzetten van de gegevens naar Verona.

2.10 De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat Verona in beginsel een juiste weergave bevat van de gegevens in de verloven. Het ligt echter op de weg van verweerder de bij eiser gerezen twijfel, welke gelet op de geconstateerde discrepantie niet zonder grondslag is, op dit punt weg te nemen. De rechtbank acht het daarom aangewezen dat eiser middels een steekproef in staat wordt gesteld om de juistheid va de verstrekte informatie te controleren. De rechtbank acht de afgifte van afschriften van 25 verloven ten behoeve van een dergelijke steekproef niet onredelijk.

2.11 Los van de vorm waarin de informatie is verstrekt moet, gelet op het verzoek van eiser, waarin ook specifiek om bepaalde gegevens is verzocht, geconcludeerd worden dat verweerder met het verstrekken van de uitdraai niet aan eisers verzoek heeft voldaan. Een aantal van de gevraagde gegevens zijn niet verstrekt. Ter beantwoording ligt de vraag of verweerder deze gegevens op goede gronden heeft geweigerd te verstrekken.

2.12 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het geboortejaar, wapennummers en verlofnummers persoonsgegevens zijn in de zin van de Wbp. Aangezien deze gegevens unieke en identificeerbare gegevens zijn welke aan de verlofhouder zijn gekoppeld, kan verstrekking daarvan leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, aldus verweerder. Voorts brengt verstrekking van deze gegevens het gevaar met zich dat te herleiden is op welke privé-adressen zich wapens bevinden, hetgeen een onevenredige inbreuk maakt op de privacy en veiligheid van de betreffende personen en van de maatschappij als geheel. Verweerder acht dit gevaar met name aan de orde in kleine gemeenschappen. Hiernaar gevraagd ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hierbij gedacht moet worden aan een dorp met een klein aantal inwoners, maar ook aan een sociale gemeenschap waarbinnen de verstrekte gegevens makkelijker tot individuele personen herleidbaar zouden zijn. Binnen een kring van vuurwapenhouders zouden deze gegevens zelfs in een grotere gemeenschap te herleiden zijn, aldus verweerder.

Verweerder heeft voorts ter zitting aangegeven te vrezen dat op internet met deze gegevens de privé-gegevens van de verlofhouders redelijk eenvoudig te achterhalen zullen zijn, dan wel dat verstrekking van deze gegevens het gemakkelijker zullen maken het registratiesysteem te hacken.

2.13 Verweerder heeft zich bij de onderbouwing van zijn standpunt beperkt tot algemene aannames. Een concrete onderbouwing ontbreekt. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn stelling dat openbaarmaking van de door eiser gevraagde gegevens op zichzelf of in combinatie met andere gegevens kunnen leiden tot identificatie van individuele personen niet aannemelijk gemaakt.

2.14 Nu onvoldoende aannemelijk is geworden of en in welke mate eventuele openbaarmaking van genoemde gegevens zullen leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan het mogelijke belang dat is gemoeid met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking van deze gegevens. Het bestreden besluit is gelet op het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd.

2.15 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.16 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De proceskosten worden begroot op € 644,-- voor kosten voor professionele rechtsbijstand. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakt reis- en verletkosten ten bedrage van € 101,41. De rechtbank stelt de totaal door eiser voor vergoeding in aanmerking komende reis- en verletkosten vast op € 202,82, bestaande uit € 17,-- aan reiskosten op basis van openbaar vervoer en 3,5 uur maal het maximaal vergoedbare uurtarief van € 53,09 als verletkosten. Nu eiser echter deze zelfde kosten heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de aansluitende behandeling ter zitting van zijn beroep met zaaknummer AWB 08-2741, ziet de rechtbank aanleiding de totale gemaakte reis- en verletkosten toe te schrijven aan beide beroepen, hetgeen in het onderhavige beroep leidt tot een kostenpost van € 101,41 als hierboven genoemd.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2008;

3.3 bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.4 veroordeelt de korpschef van de politieregio Kennemerland in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 745,41 (€ 644,-- + € 101,41), te betalen door de politieregio Kennemerland aan eiser;

3.5 gelast dat de politieregio Kennemerland het door eiser betaalde griffierecht van € 145,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, en op 5 januari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.