Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:8432

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
AWB09/935
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Verzoek om vrijstelling belastingen bij invoer van verhuisgoederen voor auto terecht afgewezen. De auto is niet ten minste 6 maanden door eiser gebruikt in het derde land.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige douanekamer

Procedurenummer: AWB 09/935

Uitspraakdatum: 28 augustus 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane West, kantoor Hoofddorp Saturnusstraat, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 26 januari 2009 op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van verweerder op de aanvraag van eiser voor een vrijstelling verhuisgoederen voor wat betreft een auto.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009.

Eiser is daar in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen in de persoon van mr. R.F. van ’t Loo, bijgestaan door N.E.L. Kema.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

Eiser is in de periode van juni 2006 tot en met 2 november 2008 woonachtig en werkzaam geweest in de Verenigde Staten van Amerika. (V.S.). Blijkens de aankooporder van 28 april 2008 heeft eiser een personenauto van het merk [AUTOMERK] met het chassisnummer [NUMMER] (hierna: de auto) aangeschaft. Deze auto is op 28 april 2008 geleverd. Blijkens de verzekeringskaart is de auto met ingang van 29 april 2009 verzekerd.

Blijkens de Export Bill of Lading is de auto op 21 oktober 2008 verscheept vanuit New York naar Rotterdam. Blijkens de aangifte bij de basisadministratie van Lisse van 3 november 2008 heeft eiser op 2 november 2009 zijn verblijfplaats naar Nederland overgebracht.

Op 3 november 2008 heeft eiser een verzoek om vrijstelling van belastingen bij invoer van verhuisgoederen ingediend. Bij beschikking van 12 november 2008 heeft verweerder het verzoek voor de tot de goederen behorende auto afgewezen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Tegen deze uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld.

In geschil is de vraag of de vergunning ten aanzien van de auto terecht is afgewezen. Daarbij is van belang de uitleg van artikel 3, aanhef en onder a, van de Verordening (EEG) nr. 918/83, van de Raad van 28 maart 1993 (hierna: de Verordening), betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen. Dit artikel luidt als volgt:

“De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:

a) behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven, in zijn bezit te zijn geweest en, wanneer het niet verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfsplaats zijn verbruikt.”

Niet in geschil is dat de auto in het derde land zes maanden in het bezit van eiser is geweest. Verweerder stelt echter, en door eiser wordt niet bestreden, dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de auto tenminste zes maanden door eiser is gebruikt.

Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft vooraf contact opgenomen met de Belastingtelefoon om zich te laten inlichten over de voorwaarden voor de toekenning van het verzoek om vrijstelling van de auto. Hij heeft de adviezen van de medewerkers van de belastingtelefoon opgevolgd. Hij stelt dat hij niet juist is voorgelicht. Voorts heeft eiser een verklaring van zijn werkgever bijgevoegd. Daarmee toont hij naar eigen zeggen aan dat hij nooit het voornemen heeft gehad om zijn auto eerder in te voeren dan was toegestaan. Hij meent dat dit een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 3 van de Verordening.

De rechtbank stelt voorop dat een douanevrijstelling een uitzondering vormt op de regel dat bij invoer van goederen douanerechten en andere belastingen worden geheven zodat de betreffende bepalingen beperkt moeten worden uitgelegd. Enerzijds strekt de vrijstelling ertoe een verhuizing vanuit een derde land naar de Gemeenschap te vergemakkelijken, door de huisraad (waar gewoonlijk al belasting over is betaald) ter zake van de invoer niet te belasten. Anderzijds bevat de vrijstelling bepalingen die het oneigenlijke gebruik of misbruik tegengaan Gelet op deze strekking en de tekst van artikel 3, aanhef en onder a, van de Verordening (EEG) nr. 918/83 gaat het om de vraag of de auto gedurende die periode tot de huisraad heeft behoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de periode van zes maanden daarom eveneens betrekking op de tijd dat de goederen zijn gebruikt. Hierbij is niet vereist dat de auto elke dag moet zijn gebruikt, maar wel dat eiser gedurende die periode ten minste in staat moet zijn geweest van de auto gebruik te maken op de wijze waarvoor deze is bedoeld.

Aan de hand van de feiten stelt de rechtbank vast dat eiser vanaf 28 april 2008 tot en met 21 oktober 2008 van de auto gebruik heeft kunnen maken van de auto in zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst (de V.S.). Dit betekent dat hij minder dan zes maanden gebruik heeft kunnen maken van de auto en mitsdien niet is voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling.

Het feit dat eiser eerder uit de V.S. is vertrokken dan oorspronkelijk gepland omdat het project waaraan hij werkte, dat tot april 2009 zou duren, met ingang van 1 november 2008 is beëindigd maakt dit niet anders. De wijziging van eisers aanstelling in het buitenland kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3, letter a van de Vrijstellingsverordening, die een afwijking van de toepassing van de 6 maandstermijn rechtvaardigt. Gelet op de datum van ingebruikname van de auto op 29 april 2008 en het einde van de opdracht per 1 november 2008 had eiser nog steeds kunnen voldoen aan de zesmaandentermijn. Het inkorten van het project in de heeft er dan ook niet aan in de weg gestaan dat eiser niet aan de voorwaarde van de zesmaandentermijn heeft voldaan.

Eiser beroept zich voorts op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft inlichtingen gevraagd aan de Douanetelefoon. De informatie die aan hem is verstrekt door de Douanetelefoon is onjuist gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voorts niet aannemelijk gemaakt dat de toezegging is gedaan dat bij minder dan zes maanden gebruik van de auto toch vrijstellingsvergunning zou worden verleend. Niet is gebleken dat de douanetelefoon onjuiste informatie heeft verstrekt. De rechtbank overweegt daartoe dat door hetgeen eiser desgevraagd ter zitting naar voren heeft gebracht niet aannemelijk is geworden dat de door hem gestelde vragen op zodanige ondubbelzinnige manier waren gesteld dat de antwoorden ook niet voor meer dan één uitleg vatbaar waren. Voorts blijkt ook uit de betreffende zinsnede in het beroepschrift dat is toegezegd dat vrijstelling wordt verleend indien minder dan zes maanden van de auto gebruik kan worden gemaakt.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder de aanvraag om vrijstelling terecht heeft geweigerd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.