Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:6385

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
AWB-08_5199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 52 AWR

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2017/997
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 08/5199 en 08/5200

Uitspraakdatum: 17 december 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

gemachtigde: mr. R . Zilver

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Utrecht -Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

08/5199

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [# 1] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f . 96.854, alsmede bij beschikking een boete van f . 17.798.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [# 2] ) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f . 97.462, alsmede bij beschikking een boete van f . 17.853.

1.2.1. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 31 januari 2008 de onder 1.1.1. bedoelde navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd met 10%.

1.2.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 31 januari 2008 de onder 1.1.2. bedoelde navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd met 10%.

1.3. Eiser heeft bij brief van 23 juli 2008, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen de onder 1.2. vermelde uitspraken op bezwaar.

1.4. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen H.P.E. Bourne, R .J. Wolfs en G.I.P. van Grol. De gemachtigde van eiser heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat.

1.6. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Verweerder heeft bij brief van 17 juni 2009 gereageerd op de nadere stukken van eiser. Een afschrift van deze brief is verstrekt aan eiser.

1.8. Het onderzoek ter zitting is hervat op 9 december 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen H.P.E. Bourne, R .J. Wolfs en G.I.P. van Grol.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser is gehuwd. Tot zijn gezin behoren inwonende kinderen. Eiser en zijn echtgenote ontvangen sinds [# 8] een bijstandsuitkering. Ook in de jaren 1998 en 1999 ontvingen eiser en zijn echtgenote een bijstandsuitkering.

2.2.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een rapport van het Korps landelijke politiediensten, afdeling Landelijk Rechercheteam, opgemaakt op 4 augustus 2000. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“1. Aanleiding

Tegen de onderhavige verdachte [X] is een strafrechtelijk onderzoek en een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. (…)

1.1

Verdenking

[X] wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan:

• Het namaken of vervalsen van bankbiljetten met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. (…)

• Het opzettelijk uitgeven van bankbiljetten als echt en onvervalst, die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was en het in voorraad hebben of binnen het Rijk in Europa invoeren van bankbiljetten, waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, tezamen en in vereniging gepleegd. (…)

• Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. (…)

• Heling en gewoonteheling. (…)

1.2

Onderzoeksperiode

Het onderzoek strekte zich uit over de periode 1 januari 1996 tot 7 maart 2000.

(…)

3.2

Vergaring bewijsmiddelen

Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van bewijsmiddelen die op de navolgende wijzen zijn verkregen:

  1. Processen-verbaal die zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door medewerkers van het onderzoeksteam, politie-infiltranten en CID;

  2. Administratieve bescheiden verkregen door middel van huiszoeking in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek op het adres [A] (woonadres verdachte);

  3. Informatie van het Nationaal Instituut voor Budgetbewaking (NIBUD) te Utrecht ;

  4. Verhoor van verdachte;

  5. Verhoor van vier van zijn thuiswonende kinderen;

Met een vordering op vertoon van een afschrift van de machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek is op grond van artikel artikel 126a WvSv het volgende verricht

Onderzoek bij [B] , [C] inzake eventueel door verdachte geboekte en betaalde reizen;

Onderzoek bij de Gemeentelijke Sociale Dienst [Z] met betrekking tot de uitkeringen van [X] en zijn gezinsleden;

Onderzoek bij Autobedrijf [D] , [E] , alwaar mogelijk één of meer caravans van verdachte zouden zijn gestald;

Onderzoek bij de Gemeente [Z] naar bestedingen door verdachte ten aanzien van de aanbouw aan zijn huis;

Onderzoek bij autorijschool [F] , [G] terzake betaalde autorijlessen;

Onderzoek bij [H] , [I] inzake aankoop meubelen door verdachte;

Onderzoek bij [J] , [K] inzake aankoop electrische apparatuur door verdachte.

(…)

4.3

Het berekende bedrag wegens wederrechtelijk verkregen voordeel

Tijdens huiszoeking op 7 maart 2000 in de woning van verdachte werd contant geld in diverse valuta aangetroffen tot een totale waarde van f 325.932,75. Verder werd een Rolex-horloge aangetroffen met een cataloguswaarde van f 31.560 en een geschatte dagwaarde van f 15.000. Verdachte en zijn echtgenote wonen sinds [# 8] in Nederland en genieten sindsdien een bijstandsuitkering. Thans bedraagt die ongeveer 2000 gulden per maand. Gezien de omvang van het gezin en de hoogte van dit inkomen is het contant aangetroffen geld en het horloge vermoedelijk verkregen door het plegen van strafbare feiten. Als bewijs hiervoor rapporteren wij het volgende.

Regulier inkomen

Het reguliere inkomen van verdachten en zijn echtgenote bestaat sinds zijn komst naar Nederland in [# 8] uit een bijstandsuitkering en kinderbijslag.

Bij de huiszoeking in zijn woning zijn onder meer de rekeningafschriften van bankrekeningnummer [nummer] in beslag genomen. Deze rekening staat op naam van [X] . Het betreft een privérekening bij de [L] bank. De rekeningafschriften omvatten de periode 26 juli 1990 t/ m 28 februari 2000. In deze bankstukken zagen wij dat er periodiek kasopnames plaats hebben gevonden ten laste van deze bankrekening.

Reguliere uitgaven

Bij de huiszoeking in de woning van verdachte [X] werden betalingsbewijzen in beslag genomen. Het betreft nota’s, kasbonnetjes en strookjes van acceptgiro’s die contant zijn betaald bij een post- of bankkantoor. Vrijwel al deze betalingsbewijzen werden aangetroffen in een zwart tasje met opdruk “ [M] ”. Dit tasje bevond zich in een dressoir in de woonkamer van het pand [A] . In het tasje zaten ook allerlei bescheiden op naam van [X] . Tijdens het sfo is verder nog bevonden dat verdachte contante betalingen heeft gedaan aan een rijschoolhouder ten behoeve van twee van zijn dochters (…).

Kasopstelling

Vanuit genoemde bankstukken en betalingsbewijzen hebben wij een zogenaamde kasopstelling gemaakt over de jaren 1996, 1997, 1998, 1999 en de eerste twee maanden van 2000. Middels deze kasopstelling hebben wij de in- en uitgaven via de portemonnee van verdachte trachten te reconstrueren.

In de bankstukken en de contante bonnetjes hebben wij geen betalingsbewijzen aangetroffen met betrekking tot de huishoudelijke uitgaven voor voedingsmiddelen en dergelijke. Daarom hebben wij bij het Nationaal Instituut voor Budgetonderzoek (NIBUD) nagevraagd welk bedrag aan huishoudgeld in de jaren 1996 tot heden aannemelijk en gebruikelijk is bij een gezin met de omvang en samenstelling van verdachte.

Zoals in het proces-verbaal van de kasopstelling, (…), is geverbaliseerd, leiden de kasopstellingen over de jaren 1996 t/ m 2000 allemaal tot een negatief saldo: de jaarlijkse uitgaven waren hoger dan de inkomsten. Dit betekent dat verdachte meer inkomen gehad moet hebben dan zijn bijstandsuitkering en kinderbijslag. Gezien de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek en in het onderhavige strafrechtelijk financieel onderzoek, bestond dat inkomen uit opbrengst van gepleegde strafbare feiten.

(…)

Recapitulatie van de berekening:

Negatief kassaldo 1996

26.319

Negatief kassaldo 1997

21.153

Negatief kassaldo 1998

11.133

Negatief kassaldo 1999

31.146

Negatief kassaldo 2000 (1-1 t/ m 6-3)

7.410

Aangetroffen contanten op 7-2-2000

325.932

------- +

Wederrechtelijk voordeel

f 423.093

(…)

6. Vermogenscomponenten

6. Vermogenscomponenten

In de woning van verdachte is aangetroffen en in beslag genomen:

a. contant geld

-voorwerp : f 325.932,75 in contant geld

-eigendom van : vermoedelijk verdachte [X]

-soort beslag : conservatoir, artikel 94a WvSv

-bewaarder : Justitie ( [N] ).

b. horloge

-voorwerp : herenhorloge, merk Rolex

-eigendom van : vermoedelijk verdachte [X]

-waarde : f 15.000

-soort beslag : conservatoir, artikel 94a WvSv

-bewaarder : KLPD/Landelijk Rechercheteam, Driebergen.”

2.3.

Het bedrag van f . 325.932,75 is verdeeld over de volgende plaatsen aangetroffen in de woning van eiser:

  • -

    In de kluis op de slaapkamer in een groene portefeuille in verschillende valuta (DM 4.935, CHF 500, SEK 140 en Kuna 230);

  • -

    Aan een deur in de slaapkamer in een witte toilettas in een bankenvelop f . 12.000 en in een blauwe envelop f . 85.000;

  • -

    In een zwarte portefeuille f . 21.750 en DM 12.300 en daarnaast in die portefeuille:

- een wikkel met de naam “ [O] ” met hierin f . 13.450;

- een wikkel met de naam “ [Q] ” met hierin f . 3.700;

- een wikkel met de naam “ [R] ” met hierin f . 7.200;

- een wikkel met de naam “ [S] ” met hierin f . 23.500;

- een wikkel met de naam “ [T] ” met hierin f . 4.500;

- een plastic zakje met hierin f . 22.000;

- een plastic zakje met hierin DM 87.000;

  • -

    Aan een deur in de slaapkamer in een bruine portemonnee in een stoffen zak f . 14.700;

  • -

    Aan een deur in de slaapkamer in een pantalon f . 1.750;

  • -

    In het dressoir in een mapje met het rijbewijs van dochter [R] f . 250.

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een proces-verbaal van verhoor van eiser van 7 maart 2000. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

“Ik ben in [# 8] vanuit Joegoslavië naar Nederland gekomen. Ik heb daar en hier geen opleidingen gekregen. In Joegoslavië zat ik in de paardenhandel. In Nederland heb ik in auto’s gehandeld. Dat waren tweedehands auto’s. De laatste jaren doe ik nog wel af en toe een autootje maar het gaat steeds slechter. Soms verhandel ik er twee per maand en soms geen een. (…)”

“Ik woon op de [A] sinds ongeveer 1989. Andere woon- of verblijfplaatsen heb ik niet. Ik woon daar met m ’n vrouw en vijf kinderen. Verder wonen er geen personen in ons huis. Totaal heb ik acht kinderen. Voor mijn autohandel heb ik geen bedrijfsruimte of dergelijke. Het is kopen en gelijk doorverkopen. Zo nodig gebruik ik een garage van een kennis.”

“Ik heb een uitkering van de gemeente. Dat is ongeveer 2000 gulden netto. Alle kinderen hebben een uitkering omdat ze ziek zijn. Verder hebben we kinderbijslag voor 1 kind van vijftien jaar. Mijn vrouw heeft geen inkomsten. We hebben samen die uitkering. Wij huren onze woning. Na aftrek van huursubsidie betalen we iets meer dan 300 gulden huur per maand.”

“Ik wil geen antwoord meer geven. Eerst wil ik mijn advokaat spreken. Verder heb ik geen inkomen. Ik ontvang geen rente en heb geen leningen aan mensen uitstaan. Ik heb wel schulden. Ik wil over die schulden niet praten. Dat is mijn eigen zaak.

Het zijn eigenlijk geen echte schulden maar leningen. Met het inkomen dat wij nu hebben kunnen we goed rondkomen. U vraagt of ik wel eens giften of schenkingen krijg. Daar wil ik ook niet over praten. Ik heb geen geld op banken staan, geen effekten, geen huizen of dergelijke. U vraagt nu naar auto’s. Ik wil liever niet praten. Ik heb wel een auto. Ik stop nu met praten.”

Tot de gedingstukken behoren kopieën van andere processen-verbaal van verhoor. Volgens deze processen-verbaal beroept eiser zich op zijn zwijgrecht.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een proces-verbaal van verhoor van [U] van 7 maart 2000. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Deze man uit [V] vertelde dat iemand die woonachtig was in [Z] , genaamd [X] , wel vals geld zou hebben. De volgende dag ben ik met die man uit [V] naar [Z] gegaan en ben [X] binnen geweest. (…) Toen is die man uit [V] [X] naar de keuken gegaan en zij hebben daar met elkaar gesproken. De man uit [V] heeft [X] gezegd dat hij door iemand benaderd was met de vraag om vals geld. Ik heb gevraagd om een vals bankbiljet om als monster te kunnen laten zien. (…) Bij [X] thuis heb ik niets gekregen maar op het moment dat wij onderweg waren van [Z] weer terug naar [V] kreeg ik van de man uit [V] twee valse bankbiljetten van DM 100 om als monster te laten zien [W] . (…)

Bij de ontmoeting die dag met [W] heb ik gezegd [X] geen zaken met hem wilde doen. [W] heeft toen gezegd dat hij dan maar voor DM 50.000,= aan valse bankbiljetten wilde afnemen. U vraagt mij of [X] niet meer had. Ik weet [X] veel meer vals geld had, ik heb dat nooitgezien maar ik weet het gewoon. (…)

(…) Ik moest [X] 7000 gulden geven voor de partij valseduitse bankbiljetten. Ik wist toen dat het om vals geld ging en dat ik voor DM 50.000 fl. 7000,= gulden moest betalen. (…)”

[U] heeft tijdens verschillende verhoren verklaringen met dezelfde strekking afgelegd. Op 20 maart 2000 heeft hij onder andere het volgende verklaard:

“ [X] heeft me verteld dat hij nog een tweede woning had, waar het valse geld was opgeslagen. (…) Ik vermoed dat [X] het valse geld zelf maakte, tijdens het maken viel het geld [X] op de grond en hij moest dat met zijn vrouw oprapen. (…)

[X] had ook origineleSloveense- en Kroatische rijbewijzen en paspoorten. Ik weet niet of dit blanco papieren waren. (…)”

De echtgenote van [U] , [A1] , heeft blijkens een proces-verbaal van verhoor op 20 maart 2000 onder andere het volgende verklaard:

“Ik beken dat ik op Schiphol bij een hotel geweest ben om daar vals geld te overhandigen aan [W] . (…) Het geld hadden wij een dag eerder bij [X] in [Z] opgehaald. (…)

Ik ben ook betrokken geweest bij de overhandiging van vals geld in [Z] , bij de woning van [X] . (…) Ik ben toen in de woning van [X] geweest en heb daar een pakketje valse Duitse marken van hem gekregen. (…)”

[A1] heeft op 21 maart 2000 onder andere het volgende verklaard:

“(…) Ik heb gisteren verklaart dat wij het geld een dag eerder bij [X] hadden opgehaald. Dit klopt niet, wij hebben het geld enkele dagen voor de overdracht (…) opgehaald bij [X] . (…) [B1] was vermoedelijk door het wachten zeer geïrriteerd, hij heeft de zak die hij kort daarvoor van [X] gekregen had, in de auto omgekeerd waardoor het geld op de vloer van de auto viel. Ik zag toen dat het geld bestond uit ongeveer 5 bundels, voor een mogelijk bedrag van DM 100.000.”

[C1] heeft blijkens een proces-verbaal van verhoor op 8 mei 2000 onder andere het volgende verklaard:

“(…) De baas was [X] , ik had niet veel contact met hem maar hij heeft het meeste geld.”

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een proces-verbaal over de relatie tussen eiser en de woning [D1] van 7 augustus 2000. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

“In de basisadministratie van de gemeente [Z] staan/stonden als bewoners van perceel [D1] , ingeschreven:

Periode Bewoner

29-11-95/29-01-97 [E1] , geb. [# 3]

30-11-95/03-04-96 [F1] , geb. [# 4]

30-11-95/ [G1] , geb. [# 5]

Voornoemde [F1] en [G1] zijn gedurende de periode van 4 juni 1991 tot 22 april 1996 gehuwd geweest.

Voornoemde [E1] en [F1] zijn beiden kinderen van [X] .

Op basis van vorenstaande lijkt het waarschijnlijk dat, nadat op 1 april 1999 en 22 april 1999 [X] met een onbekend gebleven vrouw het flatportiek [H1] binnen zijn gegaan, zij in de woning [D1] zijn geweest.

Huiszoeking [D1]

Tijdens de huiszoeking op 7 maart 2000 in perceel [D1] werd onder andere in beslag genomen:

  1. Een in een holle tafelpoot verstopte Albert Heijn-tas met daarin een paarse slaapzakhoes zat met daarin 7.102 valse bankbiljetten DEM 100 (…).

  2. valse en vervalste paspoorten

  3. valse en vervalste rijbewijzen

  4. valse kentekenbewijzen

  5. een vuurwapen

  6. het Belgische registratiebewijs kenteken [# 6] (…), terwijl in [A] , zijnde de woning van [X] , de Belgische kentekenplaat [# 6] (…) in beslag werd genomen

(…)

Verklaringen [D1]

Op 8 maart 2000 verklaarde [I1] , wonende [J1] , dat:

(…)

∙ Nadat hem een foto van [X] , [E1] , [F1] en [K1] werd getoond, hij hen herkende als de personen die recentelijk in perceel [D1] geweest waren”

2.7.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van processen-verbaal van getapte telefoongesprekken. Op 23 december 1998 is een gesprek getapt tussen eiser en een onbekende man. Blijkens het proces-verbaal is het volgende gezegd:

“ [X] zegt dat tot morgen gewacht moet worden.

Man biedt aan om een Philips stereoinstallatie te stelen, met televisie en iets in een tas.”

Op 9 januari 1999 is een gesprek getapt tussen eiser en [L1] . Blijkens het proces-verbaal is het volgende gezegd:

“ [L1] zegt: zojuist hebben ze mij gebeld over cheques. [X] : laten we niet via de telefoon daar over spreken.

[X] : ga je dat doen?

[L1] : Ze hebben kaartjes en [M1] -kaartjes, euro en normale.

[X] : is het veel?

[L1] : ja, heel veel, zoals hij tegen mij heeft gezegd.

[X] : aha.

[L1] : ik weet niet precies over de prijs, daar moet nog over gesproken worden.

[X] : wat heeft hij dan tegen jou gezegd.

[L1] : 1 kaartje is honderd gulden.

[X] : nee, dat is veel te veel. Dat is het dubbele van wat ik kan krijgen.

[L1] : (…) Hij heeft mij ook gezegd dat hij televisies heeft.

[X] : dat is wel interessant.

[L1] : hij heeft ook installaties. Het kost 7 duizend mark compleet.

(…)

[X] : ik heb wel nodig maar ik wil het niet via de telefoon daar over hebben.

(…)

[X] : ik heb 50 of 60 stuks nodig.

(…)

[L1] : oke, ik zal dat bestellen en als ik het heb dan zal ik het jou brengen of ik bel je dat je het op moet komen halen.

(…)”

Op 16 januari 1999 is een gesprek getapt tussen eiser en een onbekende man. Blijkens het proces-verbaal is het volgende gezegd:

“ [N1] : ik heb voor jou twee goede televisies.

[X] : welke?

(…)

[N1] : hij vraagt er duizend gulden voor. Ze zijn helemaal nieuw uit de doos.

(…)

[X] : op het moment kan ik niet omdat er problemen zijn. Er zijn enkelen gevallen.

[N1] : Echt waar? (verbazend)

[X] : ja.

[N1] : wie?

[X] : ze hebben iets met een auto gedaan weet je. Dat is mijn familie. Ik heb nu problemen anders zou ik wel gekomen zijn.

(…)”

In de processen-verbaal van getapte gesprekken van 5 maart 1999, 26 mei 1999, 27 mei 1999, 28 mei 1999, 30 mei 1999, 12 juni 1999, 13 juni 1999 en 15 juni 1999 worden telefoongesprekken tussen eiser en onbekende mannen samengevat. Deze gesprekken gaan over onderhandelingen voor bruingoed.

2.8.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van processen-verbaal van getapte telefoongesprekken tussen eiser en onbekende mannen. Blijkens het proces-verbaal van het gesprek van 21 februari 1999 is het volgende gezegd (eiser noemt zich [X] ):

“ [N1] man belt in met [X] (dezelfde van [# 7] ) en zegt dat die man heeft gebeld uit Belgie en gezegd. Als hij nederlandse identiteitskaart heeft en paspoort, dan komt hij het gelijk halen.

[X] : Nee dat heb ik niet.

[N1] : Heb je Belgische?

[X] : Dat heb ik ook niet.

(…)

[X] : Wat heeft hij nodig? Belgische rijbewijs en identiteitskaart?

[N1] man bevestigt dat.

[X] : Wacht eens even, rijbewijs heb ik maar ik heb geen ID-kaart.

[N1] : Is die blanco?

[X] : Ja, ik kan je helpen.

[N1] : Heb je Nederlandse?

[X] : Wat wil je? Nederlandse heb ik niet maar Belgische wel.

[N1] : Je hebt er zeker twee?

[X] : Ja.

(…)

[X] : Probeer maar. Ik heb alleen belgische rijbewijzen, italiaanse identiteitskaarten en rijbewijzen.

[N1] : Hoeveel kan ik op z’n hoogst voor een rijbewijs geven. En identiteitskaart?

[X] : Een duizend.”

In de processen-verbaal van getapte gesprekken van 21 februari 1999, 26 april 1999, 28 april 1999, 4 mei 1999, 9 mei 1999, 22 mei 1999, 31 mei 1999, 26 juni 1999, 24 juli 1999, 1 augustus 1999, 3 augustus 1999, 5 augustus 1999, 18 augustus 1999, 24 augustus 1999, 25 augustus 1999, 6 september 1999, 8 september 1999 en 1 november 1999 worden telefoongesprekken tussen eiser en onbekende mensen samengevat. Deze gesprekken gaan grotendeels over onderhandelingen voor identiteitsbewijzen. Ook wordt gesproken over juwelen en andere voorwerpen.

2.9.

In de processen-verbaal van getapte gesprekken van 27 januari 1999, 12 februari 1999, 10 maart 1999, 13 maart 1999, 26 maart 1999, 2 april 1999, 2 mei 1999, 17 juni 1999, 18 juni 1999, 7 juli 1999, 8 juli 1999, 15 juli 1999, 18 juli 1999, 18 augustus 1999 en 10 november 1999 worden telefoongesprekken tussen eiser en onbekende mensen samengevat. Deze gesprekken gaan grotendeels over onderhandelingen voor diamanten, juwelen en sieraden.

2.10.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van processen-verbaal van het Nationaal Infiltratieteam van de Divisie Centrale Recherche Informatie van het Nationaal Centraal Bureau Interpol Den Haag. In deze processen-verbaal beschrijven de verbalisanten hun ervaringen met de begeleiding van (Duitse) politiële infiltranten. Eiser wordt in deze processen-verbaal beschreven als een persoon die met de infiltranten onderhandelt over de levering van vals geld. In het proces-verbaal van 12 augustus 1999 schrijft de infiltrant dat eiser naar eigen zeggen druk is met de handel in tweedehands auto’s.

2.11.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een door [O1] ondertekend verslag van een hoorgesprek van 31 augustus 2007. In dit hoorverslag is onder meer het volgende opgenomen:

“Op 31 augustus 2007 heeft de Belastingdienst Utrecht/Gooi, vertegenwoordigd door de heren [Q1] en [R1] , op uw huisadres bezocht. We hebben ons gelegitimeerd en het doel van het gesprek uitgelegd. Het doel had betrekking op het inwinnen van informatie.

We hebben hier gesproken over een aantal onderwerpen. Onderstaand treft u een samenvatting van hetgeen besproken is:

Gesprek 31 augustus 2007

  • -

    Ik woon samen met de heer [S1] , samen hebben wij een dochtertje;

  • -

    Ik beschik niet over inkomsten. Ik ben huismoeder;

  • -

    De heer [S1] werkt voor een uitzendbureau en verdient ongeveer € 300 per maand [door [O1] is het woord “maand” doorgestreept en vervangen door “week”];

  • -

    We zijn niet getrouwd, ik beschik niet over een geboorte akte, om deze reden is het niet mogelijk om te trouwen;

  • -

    We hebben geen bezittingen zoals; contant geld, bankrekeningen, buitenlandse bezittingen, effecten, onroerende zaken, erg dure sierraden en vorderingen;

  • -

    We hebben momenteel een aantal schulden, we lopen achter met diverse maandelijkse betalingen, dit komt doordat de heer [S1] net vakantie heeft gehad en er daardoor geen inkomsten waren;

  • -

    Daarnaast hebben we een aantal niet noemenswaardige schulden bij familie. Om rond te komen hebben we af en toe geld geleend;

  • -

    Onze levensstandaard is overeenkomstig ons inkomen;

  • -

    We zijn niet getrouwd, omdat wij zijn gaan samenwonen is het in de traditie gebruikelijk dat dit gevierd wordt. Daarom hebben wij een feestje gegeven;

  • -

    Dit feest vond plaats op 29 november 1999.

  • -

    Op dit feest zijn geen noemenswaardige cadeaus ontvangen. Er is geen bruidsschat ontvangen, noch is er een groot bedrag aan contanten ontvangen;

  • -

    Het was niet een al te groot feest. De aanwezige gasten waren familie en vrienden. Er waren niet veel gasten uit het buitenland aanwezig.”

2.12.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een door [S1] ondertekend verslag van een telefoongesprek van 31 augustus 2007. In dit verslag is onder meer het volgende opgenomen:

“Op 31 augustus 2007 heeft de Belastingdienst Utrecht /Gooi, vertegenwoordigd door de heren [T1] / [U1] (beiden gedeelte aanwezig) en [R1] telefonisch contact gehad over een aantal onderwerpen. Onderstaand treft u een samenvatting van hetgeen besproken is:

Gesprek 31 augustus 2007:

  • -

    Mijn echtgenote was overvallen door het bezoek van de Belastingdienst, ze was in paniek en heeft daarom anders verklaart;

  • -

    Ik heb geen bezittingen zoals; contant geld, bankrekeningen, buitenlandse bezittingen, effecten, onroerende zaken, erg dure sierraden en vorderingen;

  • -

    We hebben momenteel een aantal schulden, we lopen achter met diverse maandelijkse betalingen;

  • -

    Onze levensstandaard is overeenkomstig mijn inkomen, ik werk momenteel voor een uitzendbureau en verdien rond de € 300 per week;

  • -

    Mevrouw [O1] en ik zijn niet officieel getrouwd;

  • -

    Toen we zijn gaan samenwonen hebben wij een feest gegeven voor vrienden en familie. Dit is gebruikelijk binnen de familie van mevrouw [O1] ;

  • -

    Er waren ook gasten uit het buitenland;

  • -

    Het feest is gehouden in het AC restaurant in [V1] , op het hoekje, dit gebouw is later gedeeltelijk afgebrand;

  • -

    We hebben een aantal cadeaus ontvangen waaronder een groot geldbedrag;

  • -

    Het totale geldbedrag betrof ongeveer fl. 220.000 waarvan fl. 74.000 mijn eigen geld was;

  • -

    Dit eigen geld heb ik overgehouden aan de scheiding van mijn vrouw en de verkoop van het hier bijhorende huis;

  • -

    Dit geld is een soort lening. Bij bruiloften van andere geef je dit bedrag ook weer terug;

  • -

    Het totale geldbedrag van fl. 220.000 heb ik in vertrouwen gegeven van iemand uit [Z] zijnde [X] ;

  • -

    Hiervan is niets op papier gezet;

  • -

    Er zijn verschillende geldbriefjes geschonken, 5 / 50 /100;

  • -

    Ik weet niet exact wie hoeveel geld heeft geschonken. Hiervan staat wel iets op papier, dit ligt bij mijn schoonmoeder;

  • -

    Ik heb het geld in vertrouwen gegeven bij [X] omdat dit gebruikelijk is binnen de familie;

  • -

    Indien het huwelijk zou standhouden zou ik het geld na ongeveer een jaar terugkrijgen;

  • -

    [X] heeft na een half jaar al besloten mij dit geld terug te geven. Dit was in de maand juni of juli van het jaar 2000;

  • -

    Ik kreeg het geld niet omdat hier beslag op lag, zo vertelde [X] mij. Ik moest geduld hebben. Over waarom er beslag lag, en door wie er beslag was gelegd is niet besproken;

  • -

    Met dit geld wilde ik onder andere mij autorijschool uitbreidde. Deze is nu failliet.”

2.13.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een door [S1] ondertekend verslag van een telefoongesprek van 6 september 2007. In dit verslag is onder meer het volgende opgenomen:

“Op 6 september 2007 heeft de Belastingdienst Utrecht /Gooi, vertegenwoordigd door de heren [Q1] en [R1] , telefonisch contact gehad over een aantal onderwerpen. Onderstaand treft u een samenvatting van hetgeen besproken is:

Gesprek 6 september 2007:

  • -

    Ik blijf bij mij verklaringen van 31 augustus 2007;

  • -

    Bij het feest hebben wij kado’s gekregen;

  • -

    Hierbij was veel geld, ook buitenlandsgeld, zijnde Duitse Marken en Zweedse Kronen;

  • -

    De exacte bedragen die gekregen zijn weet ik niet meer;

  • -

    Het totaal bedrag was ongeveer fl. 220.000, hierin begrepen is een bedrag van fl. 65.000 wat door mij zelf “geschonken” is;

  • -

    Deze fl. 220.000 is bij [X] in bewaring gegeven omdat hij de vertrouwenspersoon van de familie is;

  • -

    Toen hij zag dat het goed ging tussen mij en mevrouw [O1] heeft hij beloofd dit geld terug te geven. Dit was na ongeveer een half jaar, nadat het geld in beslag genomen was;

  • -

    Van het onderbrengen van het geld bij de heer [X] zijn geen schuldbewijzen aanwezig. Er zijn schriftelijke stukken opgemaakt;

  • -

    Mijn eigen geld komt van mijn bankrekening af. Dit heb ik binnen ongeveer een maand opgenomen van mijn bankrekening. De rekening afschriften heb ik nog;

  • -

    Mijn vrouw is niet van al het bovenstaande op de hoogte, dit komt doordat het destijds een hectische tijd was.”

2.14.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van verklaringen van 80 familieleden en vrienden van [S1] en [O1] , die ieder hebben verklaard een bepaald bedrag aan het paar te hebben geschonken volgens de Roma-traditie. Bij de verklaringen hoort een kopie van een identiteitsbewijs van de betrokkene. Volgens de verklaringen is een totaalbedrag van f . 228.174 geschonken.

2.15.

Bij vonnis van 30 september 2003 is eiser door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken omdat het bewijs dat was verkregen door middel van infiltranten en het bewijs dat daaruit is voortgevloeid, waaronder begrepen de resultaten van de huiszoekingen, bij de beoordeling buiten beschouwing dienden te blijven, omdat dit op onrechtmatige wijze is verkregen.

3. Geschil

3.1.

Ten eerste is in geschil of eiser ontvankelijk is in zijn beroepen. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Ten derde zijn de boeten in geschil.

3.2.

Eiser concludeert tot ontvankelijkverklaring en gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van het belastbare inkomen voor beide jaren met f . 78.224 en overeenkomstige vermindering van de boeten.

3.3.

Verweerder concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen en subsidiair tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.4.

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van de beroepen


4.1. Ingevolge artikel 6:17 van de Awb moeten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde worden gezonden. Zolang hieraan niet is voldaan, vangt de beroepstermijn van zes weken niet aan. Gelet op de verzending van de motivering bij de uitspraken op bezwaar aan de gemachtigde van eiser, was verweerder op de hoogte van het feit dat eiser werd vertegenwoordigd. Verweerder heeft de uitspraken op bezwaar echter niet aan de gemachtigde gezonden, maar uitsluitend aan eiser. Derhalve is de beroepstermijn na verzending van de uitspraken op bezwaar aan uitsluitend eiser niet aangevangen; de aanvangstermijn van de beroepstermijn wordt opgeschort tot het moment waarop de gemachtigde hiervan heeft kennis genomen.

4.2.

De gemachtigde heeft in dit kader gesteld dat hij pas na ontvangst van het antwoord van verweerder op zijn brief met de datum 11 juli 2008 kennis heeft genomen van de uitspraken op bezwaar en na kennisneming daarvan zo spoedig mogelijk stappen heeft ondernomen om beroep in te stellen. Dit is door verweerder niet althans onvoldoende weersproken.

4.3.

Nu de gemachtigde op zijn vroegst op 12 juli 2008 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraken op bezwaar en eiser bij brief van 23 juli 2008 beroep heeft ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar, is eiser naar het oordeel van de rechtbank tijdig in beroep gekomen. De beroepen zijn dan ook ontvankelijk.

Bewijs en bewijslastverdeling

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het door verweerder overgelegde bewijs, hoewel het door de strafrechter als onrechtmatig verkregen is aangemerkt, in de onderhavige procedure toelaatbaar is. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Uitsluitend is in geschil hoe de bewijslast tussen partijen dient te worden verdeeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) toepassing moet vinden. Verweerder voert daartoe in de eerste plaats aan dat eiser om uitreiking van een aangiftebiljet had moeten verzoeken en dat, nu hij dit heeft nagelaten, dit tot gevolg heeft dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. In de tweede plaats voert verweerder aan dat eiser ten onrechte geen administratie heeft bijgehouden, terwijl hij handelsactiviteiten heeft ontplooid en daaruit inkomsten heeft genoten. Eiser bestrijdt deze standpunten en stelt dat de bewijslast bij verweerder ligt.

4.5.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 1979, nr. 18 917, BNB 1979/170 beslist dat indien aan een belastingplichtige geen aangiftebiljet is uitgereikt, niet gezegd kan worden dat de belastingplichtige de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor de onderhavige jaren. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR niet aan de orde is, nu niet gezegd kan worden dat eiser de vereiste aangiften niet heeft gedaan.

4.5.2.

Bij de beantwoording van de vraag of eiser administratieplichtig was moet worden vooropgesteld dat artikel 52 van de AWR (tekst 1999) ten aanzien van natuurlijke personen die plicht stelt indien en voor zover zij een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen. Verweerder, op wie op dit punt de stelplicht en de bewijslast rust, heeft hieromtrent niets aangevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR niet aan de orde is.

4.5.3.

Het onder 4.5.1 en 4.5.2 overwogene leidt tot de conclusie dat de bewijslast dat verweerder bij de berekening van de belastbare inkomens van eiser een juiste schatting heeft gemaakt, rust op verweerder.

Negatieve kassen

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de jaren 1998 en 1999 uitgaven heeft gedaan die niet werden gedekt door de bij verweerder bekende inkomsten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat, hoewel hij geen mogelijkheden heeft gehad een en ander te controleren, hij ermee akkoord gaat dat de post ‘negatieve kas’ ( f . 11.833 in 1998 en f . 31.146 in 1999) in de berekening van het belastbare inkomen wordt meegenomen. Uitsluitend de post ‘verdeling geld’ is in geschil. De rechtbank zal partijen hierin volgen, te meer nu zij, gelet op de door verweerder overgelegde stukken betreffende de kasopstelling voor de onderhavige jaren, geen aanleiding ziet te twijfelen aan de berekening van de post ‘negatieve kas’.

Verdeling geld

4.7.

Verweerder heeft voor de jaren 1998 en 1999 een bedrag van f . 78.224 per jaar aan het belastbare inkomen van eiser toegevoegd, zijnde telkens 12/50e deel van de bij een huiszoeking in zijn woning gevonden geldsom van f . 325.932. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze geldsom het resultaat is uit overige werkzaamheden van eiser in de jaren 1996 tot en met 1999. Het vermoeden dat eiser dergelijke werkzaamheden heeft verricht, ontleent verweerder aan de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek. Eiser bestrijdt dat hij de geldsom heeft verdiend met dergelijke werkzaamheden, en stelt zich op het standpunt dat hij de geldsom in bewaring had op verzoek van het bevriende paar [S1] - [O1] , dat deze som als bruidsschat zou hebben ontvangen van familie en vrienden ter gelegenheid van hun samenwoning. Eiser beroept zich op de Roma-traditie, waarin het gebruikelijk is dat een vertrouwenspersoon gedurende de eerste periode van de relatie de bruidsschat in bewaring heeft om toe te zien op het goede verloop. Zodra de vertrouwenspersoon ervan overtuigd is dat de relatie kans van slagen heeft, geeft hij het geld aan het paar. Eiser heeft kopieën overgelegd van verklaringen van 80 familieleden en vrienden van het paar, die hebben verklaard in totaal f . 107.000 en DM 107.500 te hebben geschonken. Voorts heeft [S1] verklaard f . 65.000 eigen geld aan eiser in bewaring te hebben gegeven, zodat de totale som – na omrekening in guldens – f . 293.174 bedraagt.

4.8.

Gelet op de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, de levensstandaard van eiser en zijn gezin en eisers eigen verklaring over de incidentele handel in auto’s acht de rechtbank aannemelijk dat eiser naast zijn bijstandsuitkering en kinderbijslag inkomsten heeft gehad die hij – ten onrechte – niet heeft aangegeven. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek waarop verweerder de navorderingsaanslagen met name heeft gebaseerd, te weten de processen-verbaal over de handel in vals geld, identiteitsbewijzen, juwelen, bruingoed en overige voorwerpen in combinatie met de aanwezigheid van een geldsom, een Rolex-horloge en de overige uiterlijke aanwijzingen omtrent de levensstandaard van eiser en zijn gezin in de woning van eiser, een sterke aanwijzing vormen dat eiser en zijn gezin over meer geld beschikten dan hun bij verweerder bekende inkomsten.

Juiste schatting

4.9.1.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder – op wie de bewijslast rust – een juiste schatting heeft gemaakt van het belastbare inkomen in de jaren 1998 en 1999. Na weging van het door beide partijen ingebrachte bewijs komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de belastbare inkomens op te hoge bedragen heeft vastgesteld. Verweerder heeft de belastbare inkomens als volgt berekend:

Jaar 1998 1999

Negatieve kas 11.133 31.146

Verdeling geld 78.224 78.224

Bijstand 15.732 15.980

Inkomen 105.089 125.350

Aanslag 96.854 97.462

Uit de ingebrachte processen-verbaal kan de omvang van het door eiser in de jaren 1998 en 1999 met bij verweerder onbekende werkzaamheden verdiende inkomen niet worden berekend. Vast staat dat eiser in beide jaren meer heeft uitgegeven dan kan worden verklaard uit het bekende gezinsinkomen, met inbegrip van de kinderbijslag. Er is meer contant uitgegeven dan per kas is opgenomen van de bankrekening van het gezin. De bedragen onder de post ‘negatieve kas’ dienen om deze reden bij het bijstandinkomen te worden geteld, hetgeen leidt tot een voorlopig belastbaar inkomen van f . 26.865 voor 1998 en f . 47.126 voor 1999. De stelling van eiser dat bepaalde bedragen aan contant betaalde motorrijtuigenbelasting niet aan hem zouden moeten worden toegerekend, verwerpt de rechtbank, nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat slechts de bedragen aan motorrijtuigenbelasting zijn meegenomen die zijn betaald voor auto’s waarvan eiser de kentekenhouder was. Eiser is de meest gerede partij om zijn stelling cijfermatig te onderbouwen. Nu eiser dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank ervan uit dat de uitgaven door hem zijn gedaan.

4.9.2.

Dat, zoals verweerder stelt, ook de in de woning aangetroffen geldsom deels in de onderhavige jaren zou zijn verdiend met niet bij verweerder bekende activiteiten, acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar kan aan verweerder worden toegegeven dat de gang van zaken rond de bruidsschat naar Nederlandse maatstaven niet echt gebruikelijk is, dat eiser pas tijdens de strafzitting de bruidsschat aangevoerd heeft en dat het door eiser ingebrachte bewijs op onderdelen inconsequent is, maar dit alles leidt nog niet automatisch tot de conclusie dat het gelijk in deze aan verweerder is.

4.9.3. 80

personen hebben verklaard een bepaald bedrag in Duitse marken of Nederlandse guldens aan het paar te hebben geschonken en verweerder heeft onvoldoende aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen dat deze verklaringen niet de waarheid weergeven. Dat deze personen volgens onderzoek van verweerder niet de benodigde middelen zouden hebben om de verklaarde schenking te doen, kan niet aan eiser worden tegengeworpen, omdat niet kan worden uitgesloten dat deze personen eveneens bij de bevoegde autoriteiten onbekende inkomsten hebben genoten. Bovendien heeft eiser verklaard dat Roma een bruidsschat dienen te bewaren, om een passend deel van het geld te schenken zodra een familielid van de schenker trouwt. Het is de bedoeling dat de herverdeling op een eerlijke wijze plaatsvindt, aldus eiser. Dit komt overeen met de opmerking die een enkele schenker in zijn verklaring heeft gemaakt, zodat de rechtbank hierin geen aanleiding ziet aan de door eiser over de Roma-traditie afgelegde verklaring te twijfelen.

4.9.4.

Eiser en [S1] hebben beiden steeds verklaard de hoogte van het bedrag niet exact te weten. Voor de verklaring van [O1] dat zij niets van de bruidsschat zou weten, hebben eiser en [S1] een reden gegeven. De rechtbank overweegt in dit verband dat niet kan worden uitgesloten dat [O1] wellicht wel van het bestaan van de bruidsschat op de hoogte was, maar uit bezorgdheid over de fiscale consequenties daarvan heeft besloten dit te ontkennen.

4.9.5.

Bovendien kan uit de door verweerder overgelegde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat eiser met de diverse werkzaamheden bedragen in Duitse marken of andere buitenlandse valuta zou hebben verdiend. De aanwezigheid van deze valuta kan daarentegen wel worden verklaard door de schenkingen die de familieleden en de vrienden volgens eigen verklaringen zouden hebben gedaan. Dat de bedragen niet volledig sluiten, zoals verweerder gemotiveerd heeft aangevoerd, is onvoldoende om te twijfelen aan de afgelegde verklaringen.

4.9.6.

Uit de 80 verklaringen blijkt dat in totaal f . 228.174 aan het bruidspaar is geschonken. [S1] heeft in zijn tweede verklaring aangegeven f . 65.000 eigen geld, in de periode vóór het feest van zijn bankrekening opgenomen, te hebben bijgelegd. Hoewel [S1] steeds heeft verklaard f . 220.000 als bruidsschat te hebben gekregen inclusief de eigen bijdrage, dient na weging van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld te worden aangenomen dat f . 293.174 van de bij eiser aangetroffen geldsom heeft toebehoord aan het paar. Verweerder heeft de kans laten liggen de – tweede – verklaring van [S1] over de onttrekking aan de eigen bankrekening te controleren, hetgeen gelet op de bewijslastverdeling voor rekening van verweerder dient te komen. Dit betekent dat de eigen bijdrage van [S1] op f . 65.000 dient te worden gesteld. Nu de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, geen reden ziet (een deel van de) verklaringen terzijde te schuiven, dient een bedrag van f . 228.174 plus f . 65.000 is f . 293.174 aan het paar, en niet aan eiser, te worden toegerekend.

4.9.7.

Dat het restant van de aangetroffen geldsom, zijnde f . 325.932 minus f . 293.174 is

f . 32.758, in 1998 en 1999 met niet bij verweerder bekende werkzaamheden zou zijn verdiend, heeft verweerder onvoldoende onderbouwd. De processen-verbaal bieden te weinig aanknopingspunten om de omvang van de met de beschreven werkzaamheden – die, zo leidt de rechtbank uit dezelfde gedingstukken af, niet alle doorgang hebben gevonden – verdiende inkomsten vast te stellen. Bovendien heeft eiser de werkzaamheden niet alleen uitgevoerd, en is niet duidelijk hoe de opbrengst precies over de betrokken personen werd verdeeld.

4.9.8.

Uit het onder 4.9.1. tot en met 4.9.7. overwogene volgt dat de belastbare inkomens van eiser als volgt dienen te worden berekend:

Jaar 1998 1999

Negatieve kas 11.133 31.146

Bijstand 15.732 15.980

Inkomen 26.865 47.126

Boeten

4.10.

Verweerder heeft eiser vergrijpboeten opgelegd op grond van artikel 67e van de AWR juncto hoofdstukken IV en VI van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Verweerder heeft de boeten in de uitspraken op bezwaar verminderd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat de verschuldigde IB/PVV niet is betaald. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van grove schuld aan de kant van eiser. Eiser bestrijdt de boeten.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft bewezen dat eiser opzettelijk geen aangifte heeft gedaan van de inkomsten zoals die zijn berekend onder 4.9.8. Eiser wist dan wel had moeten begrijpen dat zwart werk – van welke aard ook – ongeoorloofd is en dat de inkomsten aangegeven hadden moeten worden. In dit kader heeft de rechtbank meegewogen dat eiser heeft toegegeven af en toe een auto te hebben verkocht en dat de gemachtigde ter zitting heeft aangegeven de inhoud van de door verweerder overgelegde stukken niet te kunnen ontkennen. Eiser wist dan wel had moeten weten dat hij te weinig belasting betaalde. De achtergrond van eiser vormt naar het oordeel van de rechtbank geen verzachtende omstandigheid. Een boete van 50% van de niet betaalde doch verschuldigde IB/PVV is in beginsel passend en geboden.

4.12.

Nu de boeten zijn opgelegd op 9 december 2003 is, nu de uitspraak van de rechtbank niet binnen twee jaar is gedaan, de redelijke termijn overschreden. Nu de termijn met meer dan twee jaar is overschreden, dienen de boeten met 20% te worden verminderd, hetgeen betekent dat de boeten verder dienen te worden verminderd tot 40% van de te betalen IB/PVV.

4.13.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag voor het jaar 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f . 26.865 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    vermindert de belastingaanslag voor het jaar 1999 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f . 47.126 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    vermindert de boeten tot 40% van het te betalen bedrag aan IB/PVV en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 805;

  • -

    gelast dat de verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr.A. van Dongen, voorzitter, mr. Chr.Th.P. M . Zandhuis en mr.T.A. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.