Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BK6391

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-10-2008
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/1968
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Kosten van adoptie van een buitenlands kind zijn aftrekbaar voor zover ze verband houden met het adoptieverzoek en worden genoemd in de beschikking van de buitenlandse rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2742
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1968

Uitspraakdatum: 16 oktober 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Q, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 maart 2009 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € c (aanslagnummer 0000.00.000.H.56).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € a, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 179,17, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Gronden

1. Eiser en zijn echtgenote hebben in het jaar 2005 een kind geadopteerd vanuit de Verenigde Staten. In verband met de adoptie heeft eiser in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2005 een bedrag van € b aan kosten opgevoerd.

2. Op 7 mei 2008 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2005 de aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € c. Hierbij heeft verweerder € d als adoptiekosten in aanmerking genomen.

3. Eiser heeft een bezwaarschrift tegen de aanslag ingediend. Bij uitspraak op bezwaar van 5 maart 2009 heeft verweerder aan adoptiekosten nog € e in aanmerking genomen, en heeft het bezwaar derhalve gedeeltelijk toegewezen. Tegen deze uitspraak heeft eiseres een op 12 april 2009 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 16 april 2009 heeft ontvangen.

4. Bij de rechtbank zijn nog in geschil de aftrek van de volgende kosten:

fee B € f

vliegtickets, tolwegen e.d. € g

kosten C

(voor zover niet door verweerder in aftrek toegelaten) € h

€ i

5. Als uitgaven wegens adoptie worden in het onderhavige jaar volgens artikel 6.23, eerste lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) aangemerkt de uitgaven voor de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie door de rechter. Voorts bepaalt artikel 6.23, tweede lid, van de Wet dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot in aanmerking te nemen uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door de adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed. Deze regels zijn opgenomen in artikel 39 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

6. Eiser heeft zijn kind geadopteerd door inschakeling van het erkende adoptiebemiddelingsbureau D. D heeft vervolgens het in de Verenigde Staten gevestigde bureau B ingeschakeld. Tussen partijen is niet in geschil dat B niet als adoptiebemiddelingsbureau is erkend in Nederland. Eiser heeft aangevoerd dat de door hem rechtstreeks aan B betaalde bemiddelingskosten volledig, dan wel ten minste voor € 681 in aftrek dienen te komen.

De rechtbank overweegt hierover dat op grond van artikel 39, lid 1, letter b Uitvoeringsregeling, de kosten betaald aan een bemiddelingsbureau voor maximaal € 681 in aanmerking kunnen worden genomen. Nu B in de Verenigde Staten is gevestigd, voldoet dit bureau niet aan de eisen zoals geregeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. De wet biedt derhalve geen mogelijkheid voor eiser om aan dit bureau betaalde bemiddelingskosten in aftrek te brengen.

7. Eiser heeft nog aangevoerd dat wanneer hij de bemiddelingskosten aan D had betaald, een bedrag van € 681 wel aftrekbaar zou zijn geweest. Eiser doet, zo begrijpt de rechtbank, hiermee kennelijk een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Als voorwaarde voor aftrek van bemiddelingskosten geldt dat deze worden betaald aan een erkend bemiddelingsbureau. Nu B niet erkend is, is er naar het oordeel van de rechtbank reeds om die reden geen sprake van gelijke gevallen, ook al verricht B vergelijkbare activiteiten als een in Nederland gevestigd bemiddelingsbureau. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet.

8. Ten aanzien van de aftrekbaarheid van reiskosten heeft eiser de rechtbank verzocht om aftrek van reiskosten ten behoeve van een ander kind van eiser. Eiser erkent, zo is ter zitting door eiser verklaard, dat artikel 39, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling daar geen mogelijkheid toe biedt, maar wil dit punt toch persisteren, aangezien het voor het gezin belangrijk is bij elkaar te blijven gedurende de adoptieprocedure.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld aan te voeren dat toepassing van de wet in zijn geval onredelijk is en dat de wet derhalve in zoverre niet of anders moet worden toegepast, moet dit standpunt worden verworpen. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. Verweerder heeft deze kosten dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

9. Eiser stelt zich op het standpunt dat alle aan de adoptie-jurist C betaalde kosten als aftrekbare adoptiekosten beschouwd moeten worden.

Verweerder heeft van de adoptiekosten zoals vermeld in de door eiser overgelegde verklaring van C van 20 juni 2005, de kosten zoals in deze verklaring opgenomen onder de nummers 2 en 3, voor 25% in aanmerking genomen. Verweerder stelt zich ten aanzien van deze kosten op het standpunt dat zij slechts voor dit deel betrekking hebben op het indienen en het behandelen van het verzoek tot het uitspreken van de adoptie. Hiernaast heeft verweerder de bedragen behorende bij de nummers 5 en 7 tot en met 14 van deze verklaring niet aangemerkt als uitgaven in de zin van artikel 6.23 van de Wet en artikel 39 van de Uitvoeringsregeling, en derhalve niet in aftrek toegelaten.

10. Eiser heeft overgelegd de beschikking (“decree of adoption”) van de Amerikaanse rechter waarbij hij en zijn echtgenote toestemming krijgen een kind te adopteren. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze beschikking een voor het uitspreken van de adoptie door de rechter benodigd stuk is in de zin van artikel 39, lid 1 letter c Uitvoeringsregeling.

11. In deze beschikking zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

“(…) THE COURT FURTHER FINDS that a placement report has been prepared by a licensed social worker who has conducted an investigation of the advisability of Petitioners as prospective adoptive parents. The assessment report with its findings and recommendations was submitted to the Court, said report recommending adoption by these Petitioners. (…)”

“(…) THE COURT FURTHER FINDS that the accounting of all considerations given as detailed under the Disclosure of Financial Information has been reported in a manner satisfactory to the Court and that all such compensation, fees for legal and other professional services, actual and necessary expenses, medical expenses of mother and child and reasonable living expenses of the biological mother are both reasonable and necessary under applicable law; (…)”

“(…) THE COURT, THEREFORE, ORDERS AND DECREES that the findings herein made constitute and are part of the judgement and decree of this Court; (…)”

12. De rechtbank is van oordeel dat uit deze passages voldoende aannemelijk is dat de in geding zijnde uitgaven verband houden met de indiening en de behandeling van het adoptieverzoek en dat verweerder daarom ten onrechte de door eiser aan C betaalde kosten niet als adoptiekosten aftrekbaar heeft geacht. Al deze kosten dienen, nu zij worden genoemd in de beschikking, mede als grondslag voor rechterlijke toewijzing van het adoptieverzoek. Gezien de hiervoor aangehaalde passages is het voldoende aannemelijk dat, zou eiser deze kosten niet hebben gemaakt, de rechter het adoptieverzoek niet zou hebben toegewezen.

13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank stelt als gevolg hiervan de persoonsgebonden aftrek van eiser vast als volgt:

persoonsgebonden aftrek volgens aanslag € j

bij: bijtelling als gevolg van uitspraak op bezwaar € e

bij: bijtelling als gevolg van gegrondverklaring beroep € h

totaal € k

Dit leidt tot het volgende belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser:

inkomen uit werk en woning voor persoonsgebonden aftrek

volgens aanslag € l

af: persoonsgebonden aftrek € k

belastbaar inkomen uit werk en woning € a

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de vergoeding van kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft in dit kader verzocht om vergoeding van verletkosten.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen verletkosten worden toegekend voor het bijwonen van een zitting. Kosten in verband met tijdsverzuim door voorbereidende handelingen zoals eiser aanvoert, komen echter op grond van voornoemd besluit niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van artikel 1, onderdeel d juncto artikel 2, onderdeel d van het Besluit stelt de rechtbank de hoogte van de verletkosten vast op een bedrag van

€ 159,27 (3 uur x het maximumtarief van € 53,09). De reiskosten zijn door de rechtbank, eveneens op basis van dit Besluit, begroot op € 19,90.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.