Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BK2674

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
AWB 07-6239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het gebruik van de gronden als kennel, waaronder in het bijzonder moet worden verstaan het fokken van honden […] niet is aan te merken als tuinbouw in de zin van het bestemmingsplan. Verweerder heeft geweigerd om voor het gewraakte gebruik en de bouw van de loods vrijstelling te verlenen omdat er bij de vaststelling van de herziening van het bestemmingsplan […] voor is gekozen om in dit gebied primair de agrarische functie te versterken. Gelet op dit beleid is er […] in principe geen ruimte voor het verlenen van een vrijstelling, aldus verweerder. […] Verweerder heeft de stelling van eiser dat zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is, betwist en gesteld dat uit onderzoek bij de vaststelling van het bestemmingsplan is gebleken dat het merendeel van de tuinders plannen heeft om te investeren in hun bedrijf waarbij uitbreiding noodzakelijk is. Het gebied heeft alles in zich om een belangrijk tuinbouwgebied te zijn. […] Anders dan eiser heeft betoogd, is ook de Abc-commissie blijkens haar rapportage d.d. 27 maart 2007 van mening dat een zinvol gebruik overeenkomstig de geldende agrarische bestemming objectief gezien nog mogelijk is. […] Gelet op het vorenstaande kan het beroep op de toverformule niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De enkele stelling dat het hebben van een agrarisch bedrijf ter plaatse ook zou moeten leiden tot een volwaardig inkomen, leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/6239

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2008

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.C.M. Hemels, werkzaam bij de gemeente Heemskerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2007, verzonden op 10 april 2007, heeft verweerder aan eiser twee lasten onder dwangsom als geregeld in artikel 5.32 van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 mei 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 september 2007 beroep ingesteld. Bij schrijven van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 19 oktober 2007 (AWB 07/6238) is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 maart 2008, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts was ter zitting aanwezig mevrouw [naam], rechercheur.

2. Overwegingen

2.1 Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft verweerder eiser gelast binnen 6 weken na verzending daarvan:

a. het gebruik van het perceel behorende tot [adres] ten behoeve van een hondenkennel, gelegen op de bestemming “Kassen” en de bestemming “Bouwperceel ten behoeve van agrarische doeleinden” te staken en gestaakt te houden en:

b. de loods, gelegen aan de achterzijde van het perceel en welke in zijn geheel dienst doet als hondenkennel, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- ineens.

2.2 De kennel werd gehouden in bovenvermelde, daartoe ingerichte, loods en in andere reeds bestaande bebouwing op het terrein. Ingevolge het ter plaatse geldende bestem-mingsplan “Heemskerkerduin en Noorddorp”, partiele herziening 1998, (hierna: het bestemmingsplan) rust op de betrokken gronden deels de bestemming “Kassen” en deels de bestemming “Bouwperceel ten behoeve van agrarische doeleinden A (b) –t”.

2.3 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 31 planvoorschriften wordt -samengevat- in deze voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijf: het bedrijfsmatig uitoefenen van het beroep van tuinder.

2.4 Artikel 7 planvoorschriften luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“Bouwperceel ten behoeve van agrarische doeleinden, A(b)-t,

A. Bestemming/doel.

De “t”duidt aan dat slechts tuinbouw in dit kader is toegestaan. De op de plankaart aangegeven gronden met de bestemming “Bouwperceel ten behoeve van agrarische doeleinden” (A(b)) zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf en de bouw van gebouwen die in het kader van die bedrijfsvoering noodzakelijk zijn.

C. Bouwen.

Binnen het agrarisch bouwblok c.q. bouwperceel zijn uitsluitend agrarische bedrijfs-gebouwen en een agrarische bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen toegestaan.

D. Gebruikbepaling.

De desbetreffende gronden mogen slechts overeenkomstig de agrarische bestemming worden gebruikt.

E. Verbodsbepaling.

Het is verboden om de grond in strijd met de bestemming te gebruiken.”

2.5 Artikel 9 planvoorschriften luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“Kassen A(k).

A. Bestemming/doel.

De op de plankaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en de bouw van kassen, die in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn.

D. Gebruiksbepaling.

De hier bedoelde gronden mogen slechts overeenkomstig de bestemming worden ge-bruikt.

E. Het is verboden om de grond in strijd met de bestemming te gebruiken.”

2.6 Primair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het fokken van honden (en katten) geen bedrijfsmatige activiteit is maar als zuiver hobbymatig dient te worden be-schouwd, mede omdat de uit de fokkerij genoten inkomsten verwaarloosbaar zijn. Reeds hierom zijn deze activiteiten niet in strijd met het bestemmingsplan. Voorts heeft eiser betoogd dat voor zover er al sprake zou zijn van bedrijfsmatige activiteiten deze als agrarisch moeten worden aangemerkt en in het bestemmingsplan passen.

2.7 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het gebruik van de gronden als ken-nel, waaronder in het bijzonder moet worden verstaan het fokken van honden, in strijd is met elk van de vorengenoemde bestemmingen omdat het niet is aan te merken als tuinbouw. Ook indien de activiteiten geringere opbrengsten zouden genereren dan verweerder ter zitting heeft gesteld en het aantal honden teruggebracht zou zijn, dan nog heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een bedrijfsmatige, niet agrarische activiteit die niet in dit buitengebied thuishoort. Voorts verbieden de artikelen 7 en 9 het handelen in strijd met de bestemming.

2.8 Met de voorzieningenrechter is de rechtbank voorts van oordeel dat eiser niet met vrucht een beroep kan doen op het in artikel 36, eerste lid aanhef, en onder a, plan-voorschriften omschreven gebruiksovergangsrecht (voor de weergave van artikel 36, eerste lid, planvoorschriften: zie rechtsoverweging 2.8 van meergenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 19 oktober 2007). In de uitspraak van de voorzie-ningenrechter is overwogen dat het gebruik zich niet alleen niet verdraagt met het vigerende planologische regime, maar ook in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Heemskerkerduin en Noorddorp (1969)’ ingevolge welk plan het perceel van eiser de bestemming “agrarische doeleinden A” heeft. Gronden met deze bestemming waren bestemd voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van tuinders-, bloembollen- en/of bloemkwekersbedrijven. Derhalve was de kennel ook in strijd met de voorschriften behorende bij de voorheen geldende bestem-ming. In artikel 36, eerste lid aanhef, en onder a, planvoorschriften wordt illegaal ge-bruik ten tijde van het voorheen geldende bestemmingsplan van de mogelijkheid om te worden geschaard onder het overgangsrecht uitgezonderd, zodat de rechtbank van oordeel is dat -indien er al lange tijd sprake zou zijn geweest van het fokken van honden- geen sprake is van een in dat artikel genoemde situatie.

2.9 Voorts is niet in geschil en de rechtbank gaat er vanuit dat voor voormelde loods geen bouwvergunning is afgegeven, zodat sprake is van een handelen in strijd met artikel 40 van de Woningwet.

2.10 In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift zal, gelet op het algemeen be-lang dat gediend is met handhaving het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze be-voegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig on-evenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie dient te worden afgezien.

2.11 Voor wat betreft de loods is er geen sprake van concreet zicht op legalisatie met een beroep op het bouwovergangsrecht. Blijkens memo d.d. 31 januari 2006 is de loods de resultante van een verkleining van 2/3 van een andere loods (hal) en een interne ver-bouwing daarvan (isolatie) ten behoeve van de kennel. Op grond hiervan heeft ver-weerder terecht gesteld dat nu de verkleining en interne verbouwing in 2002 - derhalve onder het vigeur van het bestaande bestemmingsplan - hebben plaatsgevonden reeds hierom het bouwovergangsrecht toepassing mist.

2.12 Verweerder heeft geweigerd om voor het gewraakte gebruik en de bouw van de loods vrijstelling te verlenen omdat er bij de vaststelling van de herziening van het bestem-mingsplan in 1998 door de gemeenteraad voor is gekozen om in dit gebied primair de agrarische functie te versterken waarbij is besloten een ontmoedigingsbeleid te voeren voor andere dan agrarische functies, teneinde te voorkomen dat ruimte wordt onttrok-ken aan die agrarische functie. Gelet op dit beleid is er (mede gelet op de daarvan uitgaande ongewenste precedentwerking) in principe geen ruimte voor het verlenen van een vrijstelling, aldus verweerder.

2.13 Eiser heeft gemotiveerd aangevoerd dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid aan zijn belang bij exploitatie van de kennel doorslaggevende betekenis had dienen toe te kennen. Daarbij heeft hij allereerst een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. In dat verband heeft hij er op gewezen dat nu deze activiteiten al 36 jaar plaatsvinden verweerder het recht heeft verwerkt om nog handhavend op te treden mede omdat verweerder ter plekke ongeveer twintig jaar geleden een controle heeft uitgevoerd in het kader van hinderwetgeving. Reeds toen was hij op de hoogte van het feit dat ter plekke honden werden gefokt.

Verweerder heeft daarentegen gesteld dat niet is gebleken dat eiser kon aannemen dat verweerder destijds op de hoogte was van het feit dat hij een hondenkennel dreef en dat verweerder willens en wetens heeft nagelaten om de nodige maatregelen te treffen. Van een toezegging van de zijde van verweerder dat eiser of zijn vader op gronden met de bestemming ‘Kassen’ en/of de bestemming ‘Bouwperceel ten behoeve agrarische doeleinden’ een hondenkennel mochten bouwen cq houden is geen sprake, zodat niet kan worden gesproken van gewekte verwachtingen of toezeggingen. Gelet op dit betoog van verweerder dient het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel te falen. Bovendien is ook in de visie van eiser de omvang van de kennel sinds zijn ongeval aanmerkelijk toegenomen.

2.14 Eiser is voorts van mening dat zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is, omdat het perceel te klein is om nog een agrarisch bedrijf te exploiteren. Bij dit beroep op de zogenaamde toverformule heeft hij verwezen naar het rapport van de Agrarische beoordelingscommissie (hierna: Abc-commissie). In zijn visie zou een agrarisch bedrijf moeten leiden tot een volwaardig inkomen. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende.

2.15 Verweerder heeft de stelling van eiser dat zinvol gebruik overeenkomstig de bestem-ming niet meer mogelijk is, betwist en gesteld dat uit onderzoek bij de vaststelling van het bestemmingsplan is gebleken dat het merendeel van de tuinders plannen heeft om te investeren in hun bedrijf waarbij uitbreiding noodzakelijk is. Het gebied heeft alles in zich om een belangrijk tuinbouwgebied te zijn. Het beschikt over zeer vruchtbare geestgronden die borg staan voor een goede kwaliteit van tuinbouwgewassen en bloembollen. Niet is gebleken dat dit gegeven is achterhaald, aldus verweerder.

2.16 Anders dan eiser heeft betoogd, is ook de Abc-commissie blijkens haar rapportage d.d. 27 maart 2007 van mening dat een zinvol gebruik overeenkomstig de geldende agra-rische bestemming objectief gezien nog mogelijk is. Voorts heeft eiser beschikt over meer gronden, maar heeft hij die, nadat hij een ongeluk had gehad, verkocht. Gelet op het vorenstaande kan het beroep op de toverformule niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De enkele stelling dat het hebben van een agrarisch bedrijf ter plaatse ook zou moeten leiden tot een volwaardig inkomen, leidt niet tot een ander oordeel.

2.17 Voorts heeft eiser aangevoerd, dat hij als gevolg van het bedrijfsongeval arbeidson-geschikt is geraakt en dat de kennel zijn enige mogelijkheid is voor het onderhouden van sociale contacten. Hierin heeft verweerder evenwel bij afweging van de betrok-ken belangen geen zodanig bijzondere omstandigheid hoeven zien, dat hij alsnog tot legalisatie (van een deel van) de kennel zou moeten overgaan.

2.18 Tot slot heeft eiser nog betoogd dat de last onduidelijk is omdat hieruit niet blijkt hoeveel honden en katten hij dan nog wel op het perceel mag houden. Uit het voren-staande volgt dat het fokken van honden en/of katten op gronden waarop alleen be-drijfsmatige tuinbouw mag plaatsvinden, verboden is. Of eiser in zijn huis, zoals hij ter zitting heeft verklaard, als hobby honden mag fokken en hoeveel, is hier niet aan de orde. De grief faalt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, en op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.