Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BK1660

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
07/7883
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Een echtpaar gebruikt twee werkkamers thuis ten behoeve van hun BV. De vergoeding wegens kosten voor een werkruimte is terecht alleen toegerekend aan de man nu alle stukken spreken over "de vergoeding toegekend aan de directeur-grootaandeelhouder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/7882 en 07/7883

Uitspraakdatum: 16 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X gevestigde te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 december 2006 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag loonbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd ten bedrage van € 660. Tevens is € 121 heffingsrente in rekening gebracht.

Met dagtekening 30 maart 2007 heeft verweerder aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd ten bedrage van

€ 4.300 en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 1.075. Tevens is € 489 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2007 de naheffingsaanslag over 2001 gehandhaafd en bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2007 de naheffingsaanslag over 2002 tot en met 2005 alsmede de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 21 november 2007 ontvangen bij de rechtbank.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008.

Namens eiseres is verschenen A. directeur/grootaandeelhouder van eiseres. Namens verweerder is verschenen mr. B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres houdt zich bezig met het geven van journalistieke adviezen en het verlenen van diensten op het gebied van management en automatisering en journalistieke en publicitaire werkzaamheden. Directeur/grootaandeelhouder is de heer A. In de periode van 2002 tot en met 2005 waren bij eiseres in loondienst A en zijn echtgenote mevrouw A-Y. De activiteiten zijn op 1 januari 2006 gestaakt.

De heer A verzorgt de administratie alsmede de aangiften loonbelasting van eiseres.

2.3. Verweerder heeft op 2 november 2006 bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004. Het onderzoek is uitgebreid tot de jaren 2001 tot en met 2005 met betrekking tot de algemene onkostenvergoeding en de vergoeding werkruimte thuis. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 12 maart 2007.

Tijdens dit onderzoek is onder meer gebleken dat eiseres een vaste vergoeding heeft verstrekt voor de werkruimte thuis. Deze vergoeding bedroeg in 2001 tot en met 2004 jaarlijks

€ 2.724 (€ 227 per maand) en in 2005 € 1.362 (€ 113,50 per maand).

Omdat deze vergoedingen hoger bleken dat het maximale bedrag dat onbelast kan worden vergoed, is over het bovenmatige deel een naheffingsaanslag opgelegd. Ten aanzien van 2005 is nageheven over het gehele bedrag van de vergoeding omdat niet was voldaan aan de in 2005 geldende voorwaarde dat een kantoorruimte een zelfstandig deel van de woning vormt.

2.4. Nadat aan A was meegedeeld dat de vergoeding bovenmatig was, stelde hij dat de vergoeding voor 50 % moest worden toegerekend aan zijn echtgenote.

2.5. In het controlerapport van 16 oktober 1989 staat - voor zover van belang - het volgende:

“Overige onkostenvergoedingen

Voor het kantoor aan huis ontving de directeur in de periode 1/1-’84 - 31/12-’88 een vergoeding van f. 400 per maand. (…)

Inhoudingsplichtige heeft op mijn uitdrukkelijk verzoek verklaard, dat in het tijdvak van onderzoek aan enig werknemer geen andere dan bovenvermelde kostenvergoedingen werden verleend.”

2.6. In een brief van 2 november 2006 van eiseres, welke door A is opgesteld en gericht aan verweerder staat onder meer het volgende vermeld:

“12. Nota’s en betaalde onkosten

A ontvangt twee gelijke vaste maandvergoedingen. (…)

Het gaat om een vergoeding voor twee kantoorkamers aan huis bedoeld als dekking voor de kosten van verlichting, verwarming, afschrijving inrichting en een aandeel in de onroerendgoedbelasting en erfpacht.”

2.7. In een brief van 17 november 2006 van eiseres, welke door A is opgesteld en gericht aan verweerder staat onder meer het volgende vermeld:

“Bij deze, op uw telefonisch verzoek van vrijdag 10 november 2006, een beschrijving van de aard en omvang van de twee vaste maandelijkse onkostenvergoedingen die de vennootschap verstrekt aan haar directeur A. Deze staan al vermeld in het Controlerapport Loonbelasting van 17 oktober 1989. (…)”

2.8. Tot de dossierstukken behoren een tweetal loonspecificaties over de periode januari 2004 betreffende A en A-Y die beiden een bedrag van € 113 als onbelaste vergoeding wegens werkkamer vermelden. A heeft tijdens een gesprek op 3 juli 2007 met de behandelend ambtenaar verklaard dat hij deze in juni 2007 heeft opgemaakt en dat de originele bescheiden op 14 april 2006 zijn gestolen. A heeft aan de ambtenaar twee met de hand ingevulde modelloonstaten getoond betreffende A en A-Y; hierop staan geen kostenvergoedingen vermeld.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vergoeding wegens kosten voor een werkruimte thuis alleen is verstrekt aan A, dan wel voor 50 % aan A en voor 50 % aan A-Y.

Met betrekking tot de periode 2002 tot en met 2005 is voorts de boete in geschil.

3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit vele stukken, waaronder brieven van A zelf, blijkt dat de vergoeding is in zijn geheel is verstrekt aan de directeur/grootaandeelhouder.

Ten aanzien van de boete is verweerder van mening dat sprake is van grove schuld, hetgeen een boete van 25 % rechtvaardigt. Daarbij merkt verweerder op dat in het handboek loonheffingen, dat jaarlijks aan eiseres is toegezonden, duidelijk is aangegeven aan welke voorwaarden een vergoeding voor werkruimte thuis moet voldoen, doch dat eiseres heeft nagelaten de verstrekte vergoeding te toetsen dan wel te laten toetsen door een fiscalist.

3.3. Eiseres betwist dat A expliciet heeft bevestigd dat de vergoeding alleen aan hem werd toegekend. Hij vond het vanzelfsprekend dat de vergoeding zowel voor hem als voor zijn echtgenote bestemd was; omdat zij de enige werknemers van eiseres zijn, heeft hij een en ander niet schriftelijk vastgelegd. Voorts voelt eiseres zich benadeeld omdat haar werknemers op erfpachtgrond wonen, en de grond derhalve niet is meenomen bij de bepaling van de huurwaarde.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijke regeling

4.1.1. In artikel 15b, eerste lid, sub f (vanaf 1 januari 2004: sub e), Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) worden als vrije vergoedingen aangemerkt vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels die mede betrekking hebben op de mate waarin de vergoeding niet tot de vrije vergoedingen wordt gerekend.

4.1.2. Bovengenoemde ministeriële regeling is uitgewerkt in de artikelen 30 en 31 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (URLB 2001).

Artikel 31, eerste lid, URLB 2001 luidt als volgt:

“1. Tot de vrije vergoedingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.11 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.”

Met ingang van 1 januari 2005 is in artikel 30 URLB 2001 de voorwaarde opgenomen dat de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt.

4.2. Vaststaat dat door eiseres in de onderhavige jaren en vergoeding ter zake van werkruimte is betaald. Partijen houdt verdeeld of deze alleen aan A of ook aan zijn echtgenote werd toegerekend. De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat sprake is van twee afzonderlijke vergoedingen. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling evenwel niets kunnen overleggen. Zoals A ter zitting heeft verklaard, heeft hij dergelijke afspraken gelet op de geringe omvang van de onderneming niet op schrift gesteld. De rechtbank overweegt evenwel dat niet alleen geldt dat eiseres niet met stukken haar standpunt aannemelijk heeft gemaakt, doch dat de brieven d.d. 2 november 2006 en 17 november 2006 van A gericht aan de belastingdienst veeleer wijzen in de richting van het standpunt van verweerder. In deze brieven wordt gesproken over “vergoedingen verstrekt aan haar directeur A”. De verklaring van A dat hij dit gemakshalve zo heeft geformuleerd acht de rechtbank niet afdoende.

Voorts acht de rechtbank van belang dat ook in het controlerapport d.d. 16 oktober 1989, welk rapport door A, zonder commentaar, in november 2006 is overhandigd aan de controleambtenaren, wordt gesproken over één vergoeding. A heeft daarbij toen niet de aantekening gemaakt dat, zoals hij thans stelt, beide werknemers f 200 ontvingen.

Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van twee afzonderlijke vergoedingen, doch alle stukken melding maken van één vergoeding aan directeur/grootaandeelhouder A, moet van de juistheid van dit laatste worden uitgegaan.

Het gelijk is op dit punt aan verweerder.

4.3. Voorts beroept eiseres zich erop dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld door louter de huurwaarde van de woning als grondslag voor de berekening te hanteren. De woning staat immers op erfpachtgrond, zodat 20 % van de erfpachtkosten in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 31, eerste lid, URLB 2001 jo artikel 3.19, tweede en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de huurwaarde gelijkgesteld met de WOZ-waarde. Nu tegen de WOZ-waarde geen bezwaar is ingediend, staat deze waarde onherroepelijk vast en kan deze in het kader van de onderhavige procedure niet meer aan de orde worden gesteld.

Overigens is geen sprake van benadeling en derhalve evenmin van ongelijke behandeling, aangezien de WOZ-waarde op grond van artikel 17 van de Wet WOZ, wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen. Dit betekent dat met het erfpachtrecht in het kader van de Wet WOZ geen rekening wordt gehouden. De WOZ-waarde van de woning is dus niet anders dan als sprake was geweest van eigen grond.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Boete

4.4.1. Artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) bepaalt dat, indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur, ge¬lijktijdig met het vaststellen van de aanslag, een boete kan opleggen van ten hoog¬ste 100% van het nagevorderde bedrag. Ingevolge artikel 25 van het Besluit Be¬stuur¬lijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur ingeval van grove schuld een vergrijp¬boete op van 25%. Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet gren¬zen¬de mate van verwijtbaarheid.

4.4.2. Verweerder baseert de boete op het feit dat eiseres jaarlijks informatie kreeg toegezonden waarin de voorwaarden staan opgenomen voor de in geding zijnde vergoeding, doch heeft nagelaten te (laten) onderzoeken of zij het juiste bedrag in aftrek bracht.

4.4.3. Eiseres heeft verklaard dat zij als kleine onderneming met twee werknemers niet het jaarlijks toegezonden 167 bladzijden tellende Handboek Loonbelasting doorneemt. De rechtbank acht dit enigszins begrijpelijk. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij op de hoogte was van de wetswijziging betreffende de hoogte van de vergoeding voor werkruimte, doch had begrepen dat de door haar toegekende vergoedingen onder het maximum bleven. Ook is zij vanaf haar oprichting in 1975 vijf maal gecontroleerd door de belastingdienst en heeft er nimmer een correctie plaatsgevonden.

Gegeven de omstandigheden van het geval overweegt de rechtbank dat eiseres, hoewel haar enig licht¬vaar¬dig handelen kan worden aangerekend zij had bij¬voor¬beeld na de wetswijziging exact de hoogte van de toe te kennen vergoeding kunnen berekenen dan wel de aangifte door een fiscalist kunnen laten toetsen -, niet dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat haar grove schuld kan worden ver¬weten. De rechtbank zal de opgelegde boete daarom vernietigen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Nu eiseres geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, komen op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse die namens eiseres zijn gemaakt om de zitting te kunnen bijwonen alsmede eventuele verletkosten. A heeft, gelet op zijn pensionering op 1 januari 2006, geen arbeidsinkomsten gederfd, zodat geen sprake is van verletkosten. De reiskosten worden vastgesteld op een bedrag van € 17.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover betrekking hebbend op de boete;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de naheffingsaanslagen;

- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 17, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op16 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.