Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BK1298

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
06/4338
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat in de taxi van eiser een kilometertelleronderbreker is ingebouwd en gesteld noch gebleken is dat de kilometertelleronderbreker gedurende het BPM-tijdvak is uitgebouwd. Alsdan heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende administratieplicht. Door het nullen van de taxameter heeft eiser eveneens niet voldaan aan de op hem rustende bewaarplicht van zijn administratie. Naheffingsaanslag daarom terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4338

Uitspraakdatum: 9 juni 2008

Uitspraak in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Y, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 12 juni 1999 tot en met 11 juni 2002 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd tot een bedrag van (in totaal) € 6.009 en een boete van 50% van de nageheven belasting.

1.2. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar ingediend. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd maar de boete verminderd tot 25% van het nagevorderde bedrag.

1.3. Eiser is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 15 mei 2008 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eiser, tot bijstand vergezeld van zijn gemachtigde [naam], alsmede [naam] namens verweerder, tot bijstand vergezeld van [naam].

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Ter zitting zijn de zaken die eiser betreffen en die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder nummers AWB 06/4330 t/m 4336 (inkomstenbelasting, wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen en premie Ziekenfondswet zelfstandigen), 4338 (belasting van personenauto’s en motorrijwielen), 4339 (omzetbelasting) en 6172 t/m 6173 (motorrijtuigenbelasting) gelijktijdig behandeld.

2. Feiten

2.1. Eiser is taxichauffeur te [plaats]. Voor zijn onderneming beschikt hij in het onderhavige jaar over een [merk auto] personenauto (hierna: de auto). In het kader van zijn werkzaamheden als taxichauffeur is aan eiser het taxinummer [nummer] toegekend. Eiser is sedert 12 juni 1999 (datum 1e tenaamstelling van het kenteken) kentekenhouder van de auto. Vanaf genoemde datum tot en met 22 november 2001 is de auto ingezet voor taxivervoer. Over voornoemde periode heeft eiser BPM teruggevraagd en gekregen. De hoogte van de onderhavige naheffingsaanslag is op zichzelf tussen partijen niet in geschil.

Voor de overige van belang zijnde feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak op het beroepschrift van eiser inzake de aan hem over het jaar 1999 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, bij de rechtbank bekend onder het rolnummer 06/4330.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht de onderhavige naheffingsaanslag met boete heeft opgelegd en meer in het bijzonder of eiser heeft aangetoond dat de auto voor tenminste 90% als taxi is gebruikt.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding alsmede naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.

3.3. Eiser concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag en boetebeschikking.

Verweerder neemt ter zitting nader het standpunt in dat (vanwege het tijdsverloop sedert de aankondiging van de boete) de boete verder verminderd dient te worden tot 20% van het nageheven bedrag, en concludeert voor het overige tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) bepaalt dat teruggaaf van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag wordt verleend voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten.

4.2. In het tweede lid van artikel 16 Wet BPM is bepaald dat de aanspraak op teruggaaf telkens voor een derde gedeelte ontstaat nadat een, twee en drie jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de personenauto, overeenkomstig de vergunning dan wel het vergunning¬bewijs, voor openbaar vervoer of taxivervoer in gebruik is genomen.

4.3. Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.4. Gelet op de tekst van de Wet BPM rust in eerste instantie op eiser de last om aannemelijk te maken dat de auto voor ten minste 90% als taxi is gebruikt. Eiser is vrij in de wijze waarop hij dit bewijs levert.

4.5. Verweerder heeft de kilometeradministratie van eiser verworpen, er van uitgaande dat in de auto een kto is aangebracht. De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.

4.6. Zoals weergegeven in de uitspraak op het beroepschrift van eiser inzake de aan hem over het jaar 1999 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (bij de rechtbank bekend onder de rolnummers 06/4330) is de rechtbank van oordeel dat in de auto van eiser een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) is ingebouwd en gesteld noch gebleken is dat de kto gedurende het BPM-tijdvak is uitgebouwd. Alsdan heeft eiser niet voldaan aan de op hem rusten administratieplicht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser door het nullen van de taxameter niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewaarplicht van zijn administratie.

4.7. Nu eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende administratieplicht betekent dit dat eiser dient te doen blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is (Hof Amsterdam, 20 februari 2008, LJN BC5295).

4.8. Eiser heeft, bij gebreke van een deugdelijke kilometeradministratie, naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de op hem rustende (zware) bewijslast om te doen blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is.

Boete

4.9. Nu eiser met behulp van een kto de kilometerteller van de auto heeft gemanipuleerd als gevolg waarvan verreden (privé)kilometers niet zijn verantwoord in de administratie en daarmee niet zijn verwerkt in zijn aangifte zodat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven, is de rechtbank van oordeel dat eiser opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan hetgeen in beginsel een boete van 50% rechtvaardigt.

Na bezwaar heeft verweerder de boete verminderd tot 25% van het nageheven bedrag, in verband met tegelijkertijd voor samenhangende navorderings- en naheffingsaanslagen opgelegde boetes. Wat er verder zij van de onderbouwing van deze vermindering door verweerder (anders dan bij cumulatie van verzuimboetes bij het bijvoorbeeld niet indienen van een aangiftebiljet, is er bij bedoelde navorderings- en naheffingsaanslagen wel degelijk sprake van verschillende beboetbare feiten), van de resterende boete kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het totaal van de boeten onevenredig is aan het totaal van de gedragingen.

De rechtbank acht de resterende boete van 25% dan ook in beginsel passend en geboden. Echter, gelet op het tijdsverloop tussen het aankondigen van de boete en de uitspraak van deze rechtbank, dient een verdere verlaging te worden toegepast (overeenkomstig het ter zitting door de Inspecteur nader ingenomen standpunt) tot een boete van 20% van het nageheven bedrag.

Conclusie

Het beroep van eiser is in zoverre gegrond, dat de boete dient te worden verminderd

tot 20% van het nageheven bedrag.

5. Proceskosten

Voor een afzonderlijke kostenveroordeling is in deze zaak geen plaats, gelet op de in de samenhangende zaak met nummer 06/4330 toegekende kostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de boete;

-vernietigt de uitspraak van verweerder voor zover deze ziet op de boete;

-vermindert de boete tot 20% van het nageheven bedrag;

-gelast dat de Staat aan eiser vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 141.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door dr mr A.M. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van mr J. de Jong, griffier.

(de griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.