Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BH9802

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
06/468
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de constatering van een feit, zoals bedoeld in artikel 76 eerste lid Wet op de motorrijtuigenebelasting 1994, kan geen terugwerkende kracht worden verleend in die zin dat die constatering wordt toegerekend aan tijdvakken die zijn gelegen vóór de termijn van twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van de controle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/468

Uitspraakdatum: 4 juli 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 3 augustus 1998 tot en met 2 augustus 1999 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 877, alsmede bij beschikking een boete van € 877.

1.2. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 3 augustus 1999 tot en met 2 augustus 2000 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 882, alsmede bij beschikking een boete van € 882.

1.3. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 3 augustus 2000 tot en met 2 augustus 2001 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 878, alsmede bij beschikking een boete van € 878.

1.4. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 april 2006 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de boetes verminderd met 50%.

1.5. Eiser heeft daartegen bij brief van 16 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op 20 december 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 11 februari 2006, dezelfde dag door de rechtbank ontvangen, heeft eiser zijn beroep nader gemotiveerd.

1.6. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, A. Namens verweerder zijn verschenen B en C. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. Verweerder heeft ter zitting, met toestemming van eiser, het hoorverslag, ter completering van de stukken, overgelegd. De rechtbank rekent de pleitnota en het hoorverslag tot de stukken van het geding.

1.8. Ter zitting zijn de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de nummers

AWB 06/462 tot en met 06/466, 06/469 tot en met 06/474 en 07/6536 gelijktijdig behandeld.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is in periode 1998-2001 werkzaam als taxichauffeur. Eiser is vennoot van V.O.F. D.

2.2. Volgens de kentekenregistratie is eiser houder van een personenauto (hierna: de auto), die wordt gebruikt voor de taxionderneming.

2.3. Op verzoek van eiser is met toepassing van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend.

2.4. De in geding zijnde naheffingsaanslagen en boeten zijn vastgesteld aan de hand van de resultaten van een bij eiser ingesteld boekenonderzoek, dat is aangevangen op 29 september 2003. Het rapport is gedagtekend oktober 2003.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of verweerder terecht de naheffingsaanslagen met boetes heeft opgelegd.

3.2. Voor de standpunten verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep

4.1. De rechtbank constateert dat het beroepschrift is ingediend voordat het bestreden besluit is genomen. In zoverre is het beroep prematuur ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur ingediend beroepschrift achterwege als het besluit waartegen dit was gericht reeds tot stand was gekomen dan wel de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was.

Nu verweerder aan eiser op dezelfde gronden navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft opgelegd, en op het bezwaar daartegen al wel uitspraak had gedaan en bovendien de uitspraak met betrekking tot de onderhavige uitspraak al bij schrijven van 3 november 2005 gemotiveerd had, mocht eiser redelijk menen dat het bestreden besluit reeds tot stand was gekomen. De rechtbank acht eiser dan ook ontvankelijk in zijn beroep.

De naheffingsaanslag

4.2. Vooropgesteld moet worden dat de algemene bevoegdheid van verweerder om te weinig geheven motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Voor een aantal specifieke situaties zijn ten dele van artikel 20 van de AWR afwijkende regels gegeven. Artikel 76, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden, de belasting kan worden nageheven. Artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB bepaalt dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd. Een vergelijkbare afwijking van artikel 20 van de AWR kwam voor in artikel 16 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 1965/66, 8445, nr. 3, blz. 7) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was een praktische regeling te treffen voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor verweerder zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is. Aangenomen moet worden dat dit ook de strekking is van de in de Wet MRB opgenomen afwijkingen van artikel 20 van de AWR, zoals artikel 76, tweede lid (HR 5 oktober 2001, nr. 36.493, BNB 2001/420).

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede ‘het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd’ in artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB ziet op het tijdstip waarop daadwerkelijk, bijvoorbeeld naar aanleiding van een fysieke controle of een boekenonderzoek, wordt geconstateerd dat de vrijstelling ten onrechte is verleend dan wel aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden niet wordt voldaan. Dit tijdstip is gelegen in het laatste tijdvak waarover ingevolge artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB kan worden nageheven en is bepalend voor de totale periode waarover op grond van laatstgenoemde bepaling kan worden nageheven. In de jurisprudentie over artikel 69 van de Wet MRB wordt een belangrijke rol toegekend aan de controle waarbij het feit wordt geconstateerd (HR 15 juli 1997, nr. 32.454, BNB 1997/315 en HR 14 december 2001, nr. 36.575, BNB 2002/69). Met de constatering van het in artikel 76, eerste lid, van de Wet MRB bedoelde feit kan niets anders zijn bedoeld dan de gewaarwording tijdens een dergelijke controle. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat de rechten van de belastingplichtige uitsluitend zijn gewaarborgd indien hem bekend wordt gemaakt wanneer de constatering precies heeft plaatsgevonden, zodat hij kan controleren of de naheffingsaanslag over de juiste periode is opgelegd.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan aan de constatering van een in het eerste lid bedoeld feit, anders dan verweerder stelt, geen terugwerkende kracht worden verleend in die zin dat die constatering wordt toegerekend aan tijdvakken die zijn gelegen vóór de termijn van twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van de controle. Dat in het onderhavige geval aan de hand van de administratie van eiser wel vastgesteld had kunnen worden sinds wanneer te weinig motorrijtuigenbelasting zou zijn betaald, doet hier, gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB, niet aan af. Indien de wetgever een andersluidende opvatting had gehuldigd, had hij de vrijstelling van artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet MRB kunnen uitsluiten van de werking van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB en aldus kunnen aanknopen bij artikel 20 van de AWR.

4.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het relevante feit bij de vaststelling van de uitkomst van het boekenonderzoek, dus in oktober 2003, de datum van het controlerapport, heeft geconstateerd. Op dat moment maakte verweerder het bij hem gerezen vermoeden bekend dat niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling zou zijn voldaan en verstrekte hij alle informatie waarop dit vermoeden was gebaseerd. Het aanmerken van het tijdstip van bekendmaking van het controlerapport als tijdstip van de constatering van het feit bevordert ook de rechtszekerheid, omdat een andersluidende opvatting, gelet op het tijdsverloop van het boekenonderzoek, de belastingplichtige over dit tijdstip in het ongewisse zou laten. Het zou dan voor hem niet mogelijk zijn om te controleren of de naheffingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB. Gelet op het tijdstip van de constatering, oktober 2003, had verweerder de bevoegdheid na te heffen over vier voorafgaande tijdvakken van drie maanden, waarvan het laatste eindigde in oktober 2003. Hieruit volgt dat de onderhavige naheffingsaanslagen in strijd met artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB zijn opgelegd.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, gelet op de in de met deze zaak samenhangende zaak AWB 06/464 toegekende proceskostenvergoeding.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, rechter, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.