Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG9236

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
700401-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 287 Sr; poging doodslag; verweer psychische overmacht verworpen; verweer noodweerexces verworpen; gebrekkige ontwikkeling geestvermogens; ziekelijke stoornis; verminderd toerekeningsvatbaar.

De meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem - rekening houdend met de psychische gesteldheid van verdachte - veroordeelt verdachte wegens poging doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt dat verdachte een psychologische behandeling zal ondergaan en/of medicatie zal gebruiken. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie geëist, aangezien de rechtbank van oordeel is dat geen andere straf op haar plaats is dan één die vrijheidsbeneming met zich brengt.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld, dat het bewezenverklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, aangezien verdachte handelde uit psychische overmacht, subsidiair noodweerexces. De raadsman heeft daartoe gewezen op de volgende omstandigheden. Verdachte heeft, nadat hij ’s ochtends onverwacht thuiskwam van zijn werk, onverwacht zijn vrouw ontkleed thuis aangetroffen en heeft vervolgens een hem onbekende half ontklede man aangetroffen die zich schuil hield onder het bed van verdachte. De ontdekking van de man, het feit dat zijn vrouw geen antwoorden gaf op zijn vragen en hem daardoor aan zijn lot overliet en zijn beperkte draagkracht, maakten dat verdachte onder een dusdanige psychische dwang kwam te staan, dat daartegen redelijkerwijs geen weerstand mogelijk was, aldus de raadsman. De raadsman heeft dan ook geconcludeerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden weliswaar sprake is geweest van een situatie waarin minder eisen kunnen worden gesteld aan de redelijkheid van het handelen van verdachte, maar dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte redelijkerwijs niet meer anders kon dan de onder zijn bed aangetroffen man tegen het hoofd te slaan. Ook indien er sprake zou zijn geweest van een druk waaraan verdachte geen weerstand heeft kunnen bieden, had verdachte de man niet meerdere malen met gebalde vuist met kracht tegen het hoofd hoeven slaan, zodat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van het subsidiair aangevoerde beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank dat nu het slachtoffer geen (agressieve) handelingen jegens verdachte heeft verricht die geïnterpreteerd zouden kunnen worden als een voor een noodweersituatie vereiste aanval, het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen. Ook dit verweer wordt dan ook verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700401-08

Uitspraakdatum: 22 december 2008

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 december 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 29 mei 2008 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht)

- meermalen met de (tot vuist gebalde) hand(en) in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen en/of

- meermalen met de (geschoeide) voet(en) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 29 mei 2008 te Heemskerk aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een traumatische hersenbloeding en/of een schedelbasisfractuur en/of een hersenkneuzing, in elk geval langdurig hoofdletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht)

- meermalen met de (tot vuist gebalde) hand(en) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of

- meermalen met de (geschoeide) voet(en) tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 29 mei 2008 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht meermalen met de tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld, dat het bewezenverklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, aangezien verdachte handelde uit psychische overmacht, subsidiair noodweerexces. De raadsman heeft daartoe gewezen op de volgende omstandigheden. Verdachte heeft, nadat hij ’s ochtends onverwacht thuiskwam van zijn werk, onverwacht zijn vrouw ontkleed thuis aangetroffen en heeft vervolgens een hem onbekende half ontklede man aangetroffen die zich schuil hield onder het bed van verdachte. De ontdekking van de man, het feit dat zijn vrouw geen antwoorden gaf op zijn vragen en hem daardoor aan zijn lot overliet en zijn beperkte draagkracht, maakten dat verdachte onder een dusdanige psychische dwang kwam te staan, dat daartegen redelijkerwijs geen weerstand mogelijk was, aldus de raadsman. De raadsman heeft dan ook geconcludeerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden weliswaar sprake is geweest van een situatie waarin minder eisen kunnen worden gesteld aan de redelijkheid van het handelen van verdachte, maar dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte redelijkerwijs niet meer anders kon dan de onder zijn bed aangetroffen man tegen het hoofd te slaan. Ook indien er sprake zou zijn geweest van een druk waaraan verdachte geen weerstand heeft kunnen bieden, had verdachte de man niet meerdere malen met gebalde vuist met kracht tegen het hoofd hoeven slaan, zodat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van het subsidiair aangevoerde beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank dat nu het slachtoffer geen (agressieve) handelingen jegens verdachte heeft verricht die geïnterpreteerd zouden kunnen worden als een voor een noodweersituatie vereiste aanval, het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen. Ook dit verweer wordt dan ook verworpen.

De in deze zaak geconsulteerde deskundige drs. A.J. Wijnne, GZ-psycholoog, komt in het pro justitia rapport van 29 augustus 2008 tot de constatering dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid bij een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een recidiverende depressieve stoornis. Van deze psychische problematiek was sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Hoewel verdachte naar het oordeel van de deskundige in staat moet worden geacht de wederrechtelijkheid van zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde in te kunnen zien, kan hij echter ten gevolge van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht zijn wil in vrijheid te bepalen en moet hij ten aanzien van het ten laste gelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De rechtbank onderschrijft voornoemde constatering en conclusie en maakt deze tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder primair tenlastegelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met daaraan verboden een proeftijd voor de duur van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact;

- elektronisch toezicht voor de duur van 6 maanden, met aansluitend

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de volgende rapporten is gebleken:

- het vanwege het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP), door drs. A.J. Wijnne, uitgebrachte psychologisch Pro Justitia rapport van 29 augustus 2008 en

- het vanwege Reclassering Nederland door R.C.M. van Aken en S. Westerhuis uitgebrachte voorlichtingsrapport van 21 juli 2008.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in de ochtend van 29 mei 2008 onverwacht thuisgekomen en heeft zijn vrouw betrapt met een andere man. Deze man, [slachtoffer], bevond zich onder zijn, verdachtes, bed. Verdachte heeft die [slachtoffer] vervolgens onder het bed vandaan getrokken en meerdere, zeer harde vuistslagen in het gezicht en tegen het hoofd gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] bewusteloos op de grond bleef liggen. Het slachtoffer heeft als gevolg van de vuistslagen een hersenbloeding en een schedelbasisfractuur (tezamen: hersenkneuzing) opgelopen en heeft geruime tijd moeten revalideren. Uiteindelijk heeft het slachtoffer eerst per 1 november 2008 zijn werk weer volledig kunnen hervatten.

De rechtbank stelt vast dat het bovenomschreven feit een zeer ernstig geweldsmisdrijf betreft. Naast de angst en het leed die dergelijke feiten toebrengen aan slachtoffers, vormen dergelijke feiten tevens een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid daar het misdrijven zijn met een agressief en gewelddadig karakter waarvan derden ongewild getuige kunnen zijn.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en dat geen andere straf op haar plaats is dan één, die vrijheidsbeneming met zich brengt, zij het dat de rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd zal verbinden voor de duur van 2 jaren, opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 45 en 287 Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 6 (zes) maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht en ook indien dit inhoudt dat verdachte een psychologische behandeling zal ondergaan en/of medicatie zal gebruiken.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van den Bos, voorzitter,

mrs. Rutten en Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2008.