Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG8143

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
146817-2008-1993
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 3
Wet conflictenrecht adoptie
Wet conflictenrecht adoptie 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/100 met annotatie van ICS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

adoptie

zaak-/rekestnr.: 146817/2008-1993

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 16 december 2008

gegeven op het verzoek van:

[naam man] en

[naam vrouw],

beiden wonende te [naam woonplaats],

hierna mede te noemen: verzoekers,

advocaat: mr. M. Koomen, kantoorhoudende te Alkmaar,

strekkende tot adoptie van:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats],

kind van:

[naam moeder],

wonende zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

hierna mede te noemen: de moeder.

1 De loop van het geding

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 26 mei 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- de brief van 30 mei 2008 met bijlagen tevens aanvullend verzoek van mr. M. Koomen;

- de brief van 1 augustus 2008 met bijlagen van mr. M. Koomen;

- het behandelde ter terechtzitting op 18 november 2008 in aanwezigheid van verzoekers, bijgestaan door mr. E.J.A. Brons, namens mr.M. Koomen, de Raad voor de Kinderbescherming, vertegenwoordigd door mevrouw M. Hommes, Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, regio Oost, vertegenwoordigd door mevrouw J. van. Diggelen, voogd en mevrouw Beemster, werkbegeleider;

- de brief van 25 november 2008 van mr. S. Singh.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot adoptie van de minderjarige [naam minderjarige], (hierna: de minderjarige) geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats], almede tot het vaststellen van de geboortegegevens van de minderjarige en te verstaan dat verzoekers hebben verklaard dat de minderjarige de geslachtnaam [naam] zal behouden.

3 De feiten en omstandigheden

Uit de overgelegde bescheiden en het behandelde ter zitting blijkt het volgende:

- de minderjarige is op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] geboren als dochter van

[naam moeder];

- de moeder heeft de minderjarige op [datum] 1999 in Marokko ter verzorging aan mevrouw [naam mevrouw] gegeven. Mevrouw [naam mevrouw] (hierna volgens de Nederlandse stukken aangeduid als mevrouw [naam mevrouw]) heeft de minderjarige tot 2001 bij een kennis in Marokko ondergebracht;

- nadat de minderjarige in het paspoort van mevrouw [naam mevrouw] was bijgeschreven, heeft zij de minderjarige in november 2001 illegaal naar Nederland overgebracht en in haar gezin opgenomen;

- bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 22 augustus 2003 is de Werkstichting Jeugdbescherming van de Stichting Bureau jeugdzorg Amsterdam benoemd tot voogdes over [naam minderjarige];

- bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 3 februari 2004 is bepaald dat de naam van de minderjarige moet worden gelezen als [naam minderjarige];

- bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 12 april 2007 is bepaald dat de naam van de minderjarige moet worden gelezen als [naam minderjarige], kind van [naam moeder];

- de minderjarige is door tussenkomst van Bureau Jeugdzorg Amsterdam, Regio Oost, in juli 2004 toevertrouwd aan verzoekers en verblijft volgens het uittreksel GBA sinds 14 december 2007 officieel in het gezin van verzoekers.

- verzoekers zijn op [datum] 1981 met elkaar gehuwd;

- de minderjarige is het eerste kind tot wie verzoekers in familierechtelijke betrekking komen te staan.

4 Beoordeling van het verzoek

4.1 Door de omstandigheid dat verzoekers de Nederlandse nationaliteit bezitten en de

de minderjarige in Marokko uit een Marokkaanse moeder is geboren, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Deze vraag wordt op grond van artikel 3 Rv. in bevestigende zin beantwoord nu uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is komen vast te staan dat verzoekers en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

4.2 Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek.

Op grond van art. 3 lid 1 van de Wet Conflictenrecht adoptie (WCAd) is op een in Nederlands uit te spreken adoptie, behoudens het in lid 2 bepaalde, het Nederlandse recht van toepassing.

4.3 Art. 3 lid 2 van de WCAd bepaalt dat op de toestemming dan wel de raadpleging of voorlichting van de ouders van het kind of van ander personen of instellingen toepasselijk is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Bezit het kind meer dan een nationaliteit, dan is van toepassing het recht van de staat waarvan het de nationaliteit bezit, waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen de nauwste band heeft.

De voogdijinstelling heeft sinds [naam minderjarige] bij hen onder voogdij staat getracht bewijsstukken te verkrijgen omtrent de (Marokkaanse) nationaliteit van de minderjarige doch is hierin niet geslaagd. De minderjarige heeft inmiddels een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tot 7 februari 2009 en een vreemdelingenpaspoort dat geldig is tot 21 april 2013.

Op grond van art. 6 lid 1 van de Marokkaanse Nationaliteitswet van 6 september 1958 (hierna Mar. WN) is het voor het verkrijgen van de nationaliteit van een kind van belang of er sprake is van een wettige afstamming van het kind ten opzichte van zijn vader. Art. 83 lid 1 Mud (oud) en art. 144 Mud bepalen (kort samengevat) ook dat alleen wettige afstamming tot gevolg heeft dat het kind de nationaliteit van de vader krijgt. Om te voorkomen dat een kind staatloos zou worden, is in art. 6 lid 2 van de Mar. WN bepaald dat de Marokkaanse nationaliteit via de moeder bij de geboorte verkregen kan worden op voorwaarde dat de vader onbekend is.

Nu uit de “overdracht tot verzorging”van 31 augustus 1999 blijkt dat de moeder van [naam minderjarige] de Marokkaanse nationaliteit bezit en de vader van de minderjarige niet bekend is, gaat de rechtbank er op grond van art. 6 lid 2 Mar. WN vanuit dat de minderjarige de Marokkaanse nationaliteit bezit.

Op grond van de Marokkaanse wet is een adoptie waarbij een afstammingsrelatie ontstaat tussen de adoptiefouders en de minderjarige verboden.

Nu daaruit kan worden afgeleid dat het nationale recht van het kind (het Marokkaanse recht) het rechtsinstituut adoptie niet kent, is de rechtbank van oordeel dat Nederlandse recht van toepassing is op het onderhavige verzoek en de vraag of vervangende rechterlijke toestemming mogelijk is.

4.4 De moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen en heeft het verzoek niet tegengesproken.

4.5 De voogdijinstelling heeft verklaard dat er geen andere informatie over de moeder van de minderjarige bekend is dan hetgeen blijkt op basis de overgelegde stukken. De moeder zou een zwervend bestaan leiden in Marokko en heeft nimmer in Nederland verbleven. De voogdijinstelling ondersteunt het verzoek tot adoptie. [naam minderjarige] is gehecht in het gezin van verzoekers. De voogdijinstelling is van mening dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat tussen haar en verzoekers familierechtelijke betrekkingen zullen ontstaan.

4.6 De Raad stemt in met het verzoek tot adoptie.

4.7 Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat de moeder van [naam minderjarige] zwanger is geraakt. Zij heeft haar op [geboortedatum] 1999 geboren dochter op [datum] 1999 door middel van een “overdracht met het doel verzorging” afgestaan aan de in Nederland wonende [naam], die op dat moment op vakantie was in Marokko. Mevrouw [naam] heeft [naam minderjarige] na de overdracht ondergebracht bij een kennis in Marokko omdat zij er niet in slaagde [naam minderjarige] direct mee naar Nederland te nemen. In 2001 heeft mevrouw [naam] de minderjarige op illegale wijze mee naar Nederland genomen en in haar gezin opgenomen.

Door omstandigheden in het gezin van mevrouw [naam], is op enig moment Bureau Jeugdzorg betrokken geraakt bij dit gezin en is ontdekt dat [naam minderjarige] zonder toestemming van de Nederlandse autoriteiten in Nederland verbleef en dat niemand gezag over haar uitoefende dan wel belast was met de voogdij. De minderjarige stond niet ingeschreven in de Nederlandse registers en was evenmin verzekerd.

Uit nader onderzoek is voorts gebleken dat ook in Marokko geen gegevens over [naam minderjarige] bekend waren en dat de minderjarige zowel in Nederland als in Marokko geen bestaansrecht had.

Nadat BJZ bij beslissing van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 22 augustus 2003 met de voogdij over de minderjarige was belast, is [naam minderjarige] uiteindelijk in juli 2004 in het gezin van verzoekers geplaatst.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is nu de minderjarige volledig is gehecht in het gezin van verzoekers, waar nog twee andere pleegkinderen verblijven, alsmede in de Nederlandse samenleving.

Voldoende aannemelijk is geworden dat de minderjarige zowel tijdens haar tweejarig verblijf bij een kennis van mevrouw [naam] in Marokko als gedurende de zeven jaar dat zij in Nederland verblijft geen enkel contact met haar moeder heeft gehad, zodat er geen sprake is van enig “family-life”. Daarom is ook komen vast te staan dat de [naam minderjarige] thans en naar voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien niets meer van haar moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

Nu ook overigens aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:228 BW is voldaan, zal het verzoek worden toegewezen.

De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage gelasten een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen.

Vaststellen geboortegegevens

4.9 Ten aanzien van de minderjarige, die buiten Nederland is geboren, is geen akte van geboorte overgelegd die overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt.

Op grond van artikel 25c, lid 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zal de rechtbank de voor het opmaken van een akte van geboorte noodzakelijke gegevens van de minderjarige vaststellen.

Nu bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 12 april 2007 de naam van de minderjarige opnieuw is vastgesteld als:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1999 in Marokko als geboren als dochter van [naam moeder],

zal de rechtbank de deze gegevens als geboortegegevens vaststellen.

Partijen hebben voorts verzocht de geboortegegevens van de minderjarige aan te vullen in die zin dat als geboorteplaats van de minderjarige [naam plaats] wordt vastgesteld. Verzoekers voeren daartoe aan dat de minderjarige zonder deze aanvulling bij alle officiële gelegenheden en officiële bescheiden zal worden geconfronteerd met de aanduiding: geboorteplaats onbekend.

Verzoekers hebben ter onderbouwing van dit verzoek de “Overdracht met het doel tot verzorging” overgelegd, alsmede een “Bewijs van Domicilie”, gedateerd 24 augustus 1999. Uit eerdergenoemde overdracht blijkt dat de moeder, ten tijde van de overdracht van haar dochter aan mevrouw [naam] op [datum] 1999, woonde in [plaats], de gemeente [naam], cirkel van [naam] in de provincie [naam], Marokko.

Uit eerdergenoemd “Bewijs van Domicilie” blijkt voorts dat de moeder is geboren in het jaar 1983 te [plaats], Marokko en sinds 10 jaar in [woonplaats] woont, zodat voldoende aannemelijk is geworden dat de minderjarige in de gemeente [naam] in Marokko is geboren.

Gelet op het belang dat de minderjarige heeft bij het vaststellen van zo volledig mogelijke geboortegegevens, waaronder ook een geboorteplaats, zal de rechtbank als volgt beslissen.

Geslachtsnaam en voornaam

Verzoekers hebben verzocht te bepalen dat de geslachtsnaam van de minderjarige na de adoptie [naam] zal blijven. Omdat de minderjarige sinds zij in Nederland verblijft zowel haar voornaam als haar geslachtsnaam is gewijzigd, zijn verzoekers van mening dat het in het belang van de identiteit van [naam minderjarige] is dat zij haar oorspronkelijke Marokkaanse geslachtsnaam zal behouden.

Nadat ter zitting met verzoekers is besproken dat de door hen gewenste geslachtsnaamkeuze op grond van artikel 1:5 lid 3 BW niet mogelijk is, hebben zij ervoor gekozen dat de minderjarige na de adoptie de geslachtsnaam [naam] zal dragen.

Gelet op de wens van verzoekers de Marokkaanse geslachtsnaam en identiteit van de minderjarige te kunnen behoudens ter zitting met hen de mogelijkheid besproken om als behoud van de identiteit van de minderjarige (een deel van) haar Marokkaanse geslachtsnaam als tweede voornaam aan de naam [naam] toe te voegen.

Nu verzoekers de rechtbank bij brief van 25 november 2008 hebben laten weten hiervan af te zien, behoeft hierop niet meer te worden beslist.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1 Spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:

- [naam minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 1999 in Marokko,

door verzoekers voornoemd.

4.2 Stelt vast dat op 15 juli 1999 in [plaats], Marokko uit [naam moeder], geboren in het jaar 1983 in [plaats], Marokko, is geboren een kind van het vrouwelijk geslacht, aan welk kind is gegeven de geslachtsnaam [naam] en de voornaam [naam],

en gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen.

4.3 Bepaalt dat de geslachtsnaam van de minderjarige na de adoptie [naam] zal zijn.

4.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, als voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. M.R. Cox en J.C.M. Swinkels, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 16 december 2008 in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.