Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG7486

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/2688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca - en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland geen belanghebbende. Geen rechtstreeks belang aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 2688

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2008

in de zaak van:

het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, afdeling Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

derde partij

de stichting Stichting Stadsschouwburg en Concertgebouw Haarlem, mede h.o.d.n. de Philharmonie (hierna: de Philharmonie),

gevestigd te Haarlem,

gemachtigde: mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2006 heeft verweerder het verzoek van het Bureau Eerlijke Mededinging (hierna: BEM), namens de afdeling Haarlem van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) om handhavend op te treden tegen de Philharmonie te Haarlem ten aanzien van het handelen in strijd met de gebruiksvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 december 2006 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 april 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift.

Bij besluit van 8 mei 2007, verzonden 14 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar van 21 december 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 14 maart 2007, van zes van de zeven leden van de commissie beroep- en bezwaarschriften

De rechtbank heeft het beroep van 12 april 2007, ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 8 mei 2007.

Bij brief van 18 juni 2007 heeft eiseres de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is gezamenlijk met het beroep met zaaknummer AWB 07-2509 behandeld ter zitting van 15 november 2007, alwaar eiseres – met bericht van verhindering – niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.L. Bos en J.H.L.M. de Dood, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Voorts is namens de Philharmonie M. Hansen, zakelijk directeur, verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. H. van Lier.

Met toepassing van artikel 8:66 Awb heeft de rechtbank aanleiding gezien de termijn van uitspraak te verlengen.

Bij tussenbeslissing, verzonden op 28 maart 2008, heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Bij brief van 16 juni 2008 is partijen bericht dat het vooronderzoek is voltooid. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven het beroep zonder nadere zitting af te doen. Eiseres heeft bij haar toestemming, ter griffie ontvangen op 18 juni 2008, nog een nader stuk in geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep het op 18 juni 2008 ingediende stuk, zijnde een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2008 (op www.rechtspraak.nl te vinden onder LJN BD3101), buiten beschouwing zal laten, omdat op het tijdstip van ontvangst het vooronderzoek was voltooid.

2.2 Eiseres heeft bij brief van 18 april 2006 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de Philharmonie ten aanzien van handelen in strijd met de gebruiksvoorschriften. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ter plaatse alleen niet-commercieel horecagebruik toegestaan is ten dienste van theater- en podiumvoorstellingen. De zelfstandige - zware - horeca-activiteiten die de Philharmonie daar ontplooit ten behoeve van evenementen, feesten en partijen zijn, aldus eiseres, in strijd met de gebruiksvoorschriften. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op het feit dat ter plaatse de bestemming “Maatschappelijke doeleinden / culturele voorzieningen (Mc)” geldt en niet de bestemming “Centrumvoorzieningen” welke ook is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Eiseres leidt hieruit af dat er in het bestemmingsplan een expliciete scheiding is gemaakt tussen commerciële en niet-commerciële horeca-activiteiten. De commerciële horeca-activiteiten waarvan sprake is bij de Philharmonie passen, aldus eiseres, niet binnen de bestemming “Maatschappelijke doeleinden / culturele voorzieningen (Mc)” en komen ten koste van de reguliere horeca.

2.3 In deze ligt als eerste het beroep voor tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van 21 december 2006. Nu verweerder alsnog bij besluit van 8 mei 2007 een beslissing op deze bezwaren heeft genomen, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van dit beroep, zodat dit beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het nadien genomen besluit van 8 mei 2007, waarbij alsnog op het bezwaar is beslist.

2.4 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de ambtshalve te beantwoorden vraag of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb kan worden aangemerkt.

2.5 In artikel 1:2, eerste lid, Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In artikel 1:2, derde lid Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.6 Eiseres heeft aangegeven dat haar belang is gelegen in het nastreven van het bereiken van eerlijke mededinging. Zij wijst daarbij op het concurrentiebelang van haar leden.

2.7 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is onder meer degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen (onder meer de uitspraak van 7 maart 2007, LJN BA0085).

Voorts komt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt ( onder meer de uitspraak van 23 augustus 2006, LJN AY6762).

2.8 De rechtbank heeft kennis genomen de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008 (LJN BC4687) waarbij het Koninklijk Verbond eveneens optrad als eiseres, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bestreden besluiten omzetverlies bij horecaondernemers in de regio tot gevolg hadden en evenmin dat andere ondernemers in de regio de betreffende evenementen wilden en konden houden. De rechtbank leidt hieruit af dat de Afdeling de bewijslast terzake van een mogelijk rechtstreeks (concurrentie)belang neerlegt bij eiseres. Deze uitspraak onderscheidt zich in zoverre van de – door eisers aangehaalde – uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2007 (LJN BB0379) dat daar de bewijslast bij verweerder wordt neergelegd.

2.9 Nu de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008 niet anders kan lezen dan dat – anders dan voorheen – de bewijslast terzake van het aantonen van een rechtstreeks belang bij eiseres ligt, zal zij ook in het onderhavige beroep dienen te beoordelen of eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het concurrentiebelang van (enkelen van) haar leden in geding is.

2.10 Eiseres heeft, naar het oordeel van de rechtbank, een dergelijk rechtstreeks belang niet aangetoond, ook niet nadat zij door de rechtbank was uitgenodigd te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008. Zij heeft geen met name genoemde leden aangevoerd die stellen schade te lijden als gevolg van de weigering van verweerder om handhavend op te treden. Het standpunt van eiseres dat nu voor haar leden dezelfde regels gelden, de Philharmonie hier ook aan moet worden gehouden, levert een dergelijk rechtstreeks belang evenmin op.

2.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder eiseres ten onrechte aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Een en ander leidt tot de conclusie dat ten aanzien van het bezwaar van eiseres rechtens slechts een beslissing mogelijk is, namelijk niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.12 De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank kent ter zake van de verrichte proceshandelingen (indienen 1 beroepschrift in verband met niet tijdig beslissen op bezwaar, met als weging 0,25 en 1 beroepschrift, met als wegingsfactor 1) 1,25 punt toe met een waarde van € 322,-- per punt. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve € 402,50.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 21 december 2006 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 gegrond;

3.3 vernietigt het bestreden besluit van 8 mei 2007;

3.4 verklaart het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 21 december 2006 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 402,50, te betalen door de gemeente Haarlem aan eiseres;

3.6 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.7 gelast dat de gemeente Haarlem het door eiseres betaalde griffierecht van € 285,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. T.P.J. de Graaf en mr. J.Blokland, rechters, en op 18 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.