Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG7423

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
07/7410
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8928, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Is vergoeding van medewerker Bank in 2000 een vergoeding wegens gederfde of te derven inkomsten of een bonus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/12.2.3
FutD 2008-2666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/7410

Uitspraakdatum: 11 december 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met dagtekening 30 december 2005, berekend naar een belastbaar inkomen van f 8.840.650,-.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2007 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 1 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 2 november 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2008. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A en B ( van kantoor C) en D (advocaat). Namens verweerder zijn verschenen E en F. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Deze pleitnota’s zijn ter zitting voorgedragen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is per [datum] in dienst getreden bij G N.V. (thans: H N.V., hierna: de bank). Eiser was werkzaam bij de afdeling I die zich bezighield met financiële dienstverlening en meer in het bijzonder met ‘securities lending’. Bij deze afdeling waren in de periode 1998 en 1999 naast eiser onder meer J en K werkzaam.

2.2. Op 26 augustus 1998 is door de bank enerzijds en eiser, J en K anderzijds een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst trad in werking op 1 januari 1998 en verving een overeenkomst die in 1995 was afgesloten.

2.3. Uit artikel 3 van de overeenkomst van 26 augustus 1998 volgt dat het jaarsalaris voor eiser, J en K $ 150.000 USD bruto per jaar bedroeg en dat hen een voorgefinancierde gegarandeerde bonus van $ 100.000 USD zou worden betaald op 1 februari. Verder participeerden deze werknemers in een bonus pool. Ten aanzien van deze bonus pool is, voor zover van belang, in artikel 4 van de overeenkomst het volgende vermeld:

‘The bonus pool will amount to 40% of the “special net result”.

(…)

Bonus deferment

The individuals will receive their annual bonuses as follows; they will be paid ½ on the following February 1st, and ½ in the following August 1st of the completed calender year over which bonuses are computed provided, however, that the employee agreements have not been terminated by the individuals.’

2.4. Eiser heeft in 1999 een bonus van ƒ 6.000.000 ontvangen over het jaar 1998. Hierover is door de bank 60% loonbelasting ingehouden.

2.5. In 1999 is L in dienst getreden bij de afdeling I van de bank. L is gerechtigd tot 50% van de bonus waar eiser, J en K recht op hebben.

2.6. In een intern memo van 10 juni 1999 van de bank aan onder meer eiser, J en K is een nieuwe regeling voorgesteld voor de vaststelling van de bonussen. De bonussen zouden, afhankelijk van het ‘special net result’ een percentage van 25% (of lager) gaan bedragen.

2.7. Op 14 juni 1999 delen eiser, J en K in een intern memo aan M en N mee dat de voorstellen van 10 juni 1999 voor hen niet acceptabel zijn. Vervolgens zijn er onderhandelingen gestart tussen onder meer eiser en de bank.

2.8. In twee concepten van een overeenkomst (documentnummers [nummer] en [nummer]) die gesloten zou worden tussen de bank en eiser, J en K, is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

‘Taking into consideration that:

- O, K, J en X have concluded a Bonus Pool Agreement on [datum], (…) (the Agreement”);

(…)

Article 1 - Termination of the Agreement

1.1 The parties hereto agree that the Agreement will terminate with effect as of January 1, 2000.

1.2 K, J en X will each receive, pursuant to the Agreement, a bonus amount over the year 1999 of NLG [7.494,205 on a gross basis] (“Bonus Payment”)

1.3 O shall endeavour to pay the Bonus Payments per the February 2000 salary payment. In any event, these Bonus Payments will be paid to K, J and X prior to March 1, 2000.

(…)

Article 4 - [voornaam] X

4.1 X will remain employed with O for the time being.

4.2 O and X will, in good faith, commence and complete discussions about renumeration to be paid to X for the year 2000.

4.3 O and [voornaam] X will give each other full discharge from the obligations from the Agreement, at the moment the Bonus Payment shall be received bij [voornaam] X.

(…)

2.9. In een intern memo van 9 februari 2000 van P aan Q en N betreffende ‘I Profit Share arrangement’ is het volgende opgenomen:

‘ (…)

[voornaam], [voornaam] en [voornaam] gaven mij zojuist aan dat zij niet langer willen steggelen over een kostenpost hier of daar. Zij wensen het bedrag ad ± NLG 7.500.000,- niet meer te ontvangen als Bonus Payment maar als beëindigingsvergoeding. (…)’

2.10. In een overeenkomst met datum 11 februari 2000 is tussen de bank en K, J en eiser onder meer het volgende overeengekomen:

‘Taking into consideration that:

(…)

- O, K, J and X have concluded a Bonus Pool Agreement on August 26, 1998, (..)

- O and X have reached agreement pertaining to the remuneration to be paid to X over the year 2000 with a view to the termination of the Agreement;

Article 1 – Termination of the Agreement

1.1 The parties hereto agree that the Agreement will terminate with effect as of January 1, 2000.

1.2 K, J an X will each receive termination payment, in lieu of any payments over 1999 persuant to the Agreement and their employment-agreements, in the amount of NLG 7,494,205 on a gross basis (“Termination Payments”).

1.3 O shall endeavour to pay the Termination Payments per the February 2000 salary payment. In any event, the Termination Payments will be paid to K, J and X prior to March 1, 2000.

(…)

Article 4 - [voornaam] X

4.1 X will remain employed with O for the time being.

4.2 O and X will, in good faith, commence and complete discussions about renumeration to be paid to X for the year 2000.

4.3 O and [voornaam] X will give each other full discharge from the obligations from the Agreement, at the moment the Termination Payment shall be received bij [voornaam] X.

(…)

2.11. In een intern memo van 11 februari 2000 van de bank, afkomstig van [voornaam] L en S aan [voornaam] Q en [voornaam] N en waarin eiser als c.c. is opgenomen, is voor zover van belang vermeld:

‘Op 10 februari j.l. is het volgende besproken:

1. Het General Managerschap van I wordt voorlopig onveranderd door [voornaam] X in gevuld. (..)

2. Ten aanzien van de pool zijn [voornaam], [voornaam] en [voornaam] tot overeenstemming gekomen. Het idee van virtueel partnerschap zal nader worden uitgewerkt. Vertrekpunt is het “nieuwe oude”contract. Verhouding tussen [voornaam], [voornaam] en [voornaam]:

Voor 2000: 100:100:50(…)’

2.12. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een intern memo van de bank van T aan U, met datum 17 februari 2000. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud op 15 februari jl. meld ik je hierbij de bruto bedragen die uitgekeerd gaan worden aan een aantal I medewerkers.

L fl 3.747.102,--

J - 7.274.168,--

K - 7.412.123,40

X - 7.494.205,--

De laatste drie medewerkers gaan uit dienst. Voor hen zouden we de betaling als een ontslagvergoeding willen beschouwen die tegen 45% fiscaal afgerekend kan worden. Probleem hierbij is dat X eerst vertrekt per eind 2000.

Ik heb een schriftelijk advies van V (bijgaand) hoe dit behandeld kan worden. (…)

Vragen:

1. (..)

2. Is het mogelijk om het advies van V op te volgen? (…)

3. Kan de 45% regeling ook voor X gelden als de uitkering in maart plaatsvindt en hij toch nog een tijd bij ons blijft?

Indien we de V-variant nemen, zal ik ervoor zorgen dat er een overeenkomst komt met de heren over terug te betalen belasting als de inspecteur hiermee onverhoeds niet accoord zou gaan.’

2.13. Op 11 april 2000 heeft de bank met eiser een ‘Procedure-overeenkomst beëindiging dienstverband’ gesloten. Partijen zijn onder meer overeengekomen:

‘1. Dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt per [datum] en dat de bank een uitkering ineens zal verstrekken ten bedrage van f 8.544.205,- bruto welk bedrag bij de eindafrekening uitgekeerd zal worden. De vergoeding wordt verstrekt als tegemoetkoming met betrekking tot de toekomstige derving van inkomsten en kan naar keuze van de werknemer worden uitgekeerd, danwel aangewend worden voor een stamrecht.

(…)

3. Tot de ontbindingsdatum houdt de werknemer jegens de werkgever aanspraak op salaris, reiskosten en emolumenten en zal per die datum normale eindafrekening plaatsvinden (…)’

2.14. Verweerder heeft op 1 oktober 2001 de aangifte IB/PVV van eiser ontvangen. In de aangifte is een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 8.840.650.

In de bijlage bij de aangifte is onder punt 2a vermeld: ‘

Loonheffing Inkomen

inkomsten uit arbeid 3.930.774 8.708.106

H NV

In verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst

per 30/06/00 met H, is in bovenstaand inkomen een bedrag van ƒ 8.544.205 begrepen wegens tegemoetkoming met betrekking tot de toekomstige derving van inkomsten.

Voor het bedrag van ƒ 8.544.205 wordt het bijzonder tarief

gevraagd van 45%.’

2.15. Verweerder heeft met dagtekening 21 november 2001 de definitieve aanslag IB/PVV 2000 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.

2.16. In juni 2004 heeft verweerder naar aanleiding van een bericht van een ambtsgenoot van de Belastingdienst te Y een nader onderzoek ingesteld naar de door eiser ontvangen vergoeding. Verweerder heeft op basis van dit onderzoek geconcludeerd dat de hiervoor bedoelde inkomsten ten onrechte op basis van het bijzondere tarief zijn belast.

2.17. In een brief met dagtekening 5 augustus 2004 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het voornemen bestaat om een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 op te leggen waarbij het door eiser ontvangen bedrag van ƒ 7.494.205 ter zake van de ontbinding van de bonuspoolovereenkomst zal worden belast tegen het tabeltarief in plaats van tegen het tarief van 45%. Deze navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 30 december 2005 en daarin is het door eiser aangegeven belastbare inkomen belast tegen het progressieve tarief.

2.18. Door de FIOD/ECD is op 11 november 2004 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen eiser in verband met de verdenking van strafbare feiten.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de in het jaar 2000 door eiser ontvangen vergoeding van ƒ 8.544.205 kan worden aangemerkt als een vergoeding wegens gederfde of te derven inkomsten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Wet IB 1964 zodat deze vergoeding op grond van artikel 57 Wet IB 1964 is belast tegen het bijzondere tarief van 45%.

3.2. Eiser stelt dat er geen recht meer was op de bonus omdat het dienstverband bij de bank vóór 1 februari 2000 is beëindigd. Eiser verwijst in dit verband onder meer naar de in 2.3. bedoelde overeenkomst van [datum]. Eiser stelt op grond van de tekst van artikel 4 van die overeenkomst geen recht meer te hebben op de bonus over 1999.

Eiser beroept zich in dit verband tevens op de het bonussysteem van 12 juli 2000, waarin onder meer is bepaald: ‘Indien de medewerker op eigen initiatief het dienstverband eindigt, om elders een functie te aanvaarden vervalt de aanspraak op een eventuele bonusuitkering.’

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de overige standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 31, eerste lid, Wet op de Inkomstenbelasting 1964 is bepaald dat tot de inkomsten mede behoort hetgeen wordt genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten. Eiser stelt dat het door hem ontvangen bedrag van f 8.544.205 is genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten omdat hij op basis van de overeenkomst van 26 augustus 1998 geen recht had op een bonusuitkering over het jaar 1999.

4.2. De rechtbank overweegt dat van gederfde of te derven inkomsten in het onderhavige geval slechts sprake kan zijn indien de bank een betaling heeft verricht voor inkomsten die eiser vóór de beëindiging van zijn dienstbetrekking met de bank, dan wel in de periode na beëindiging hiervan heeft gemist of zal gaan missen. Van gederfde of te derven inkomsten is geen sprake als de betaling aan eiser zijn grond vindt in het recht op de bonusuitkering over 1999 of als het een vergoeding is voor door hem in 2000 verrichte arbeid voor de bank. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiser de last rust om zijn stelling, dat het hiervoor bedoelde bedrag is genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten aannemelijk te maken.

4.3. Ten aanzien van het bedrag van f 8.544.205, waarvoor eiser om toepassing van het tarief van 45% heeft verzocht, acht de rechtbank aannemelijk dat een deel hiervan, te weten f 1.050.000, door de bank is betaald voor door eiser ten behoeve van haar verrichte werkzaamheden in de periode 1 januari 2000 tot en met [datum] dan wel een bonusuitkering over die periode. In de in 2.13 bedoelde overeenkomst is immers opgenomen dat de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de bank wordt ontbonden per [datum]. Verweerder stelt in dit verband dat eiser over het jaar 2000 recht had op een vergoeding voor arbeid en op een bonusuitkering. Verweerder onderbouwt dit door te verwijzen naar het interne memo van 11 februari 2000 dat hiervoor is opgenomen onder 2.11 en waarin is vermeld dat eiser in 2000 in dienst blijft bij de bank en dat eiser recht heeft op een deel van de bonus pool. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser in verband met de voortzetting van zijn dienstverband in 2000 een bedrag van f 1.050.000 heeft ontvangen als bonusuitkering en als vergoeding voor in dat jaar verrichte arbeid. Steun hiervoor kan onder meer worden gevonden in de mede door eiser ondertekende ‘Procedure-overeenkomst beëindiging’ van 11 april 2000, waarin in punt 3 is vermeld dat eiser tot de ontbindingsdatum recht houdt op salaris, reiskosten en emolumenten. Hetgeen hiertegenover door eiser is aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het bedrag van f 1.050.000 kan niet worden aangemerkt als een betaling voor gederfde of te derven inkomsten en is daarom niet belast tegen het bijzondere tarief, maar tegen het tabeltarief.

4.4. Ten aanzien van de vraag of op de rest van het bedrag, te weten f 7.494.205, het bijzondere tarief van toepassing is, is het volgende van belang. Anders dan eiser meent, kan uit de overeenkomst van 26 augustus 1998 niet worden afgeleid dat eiser als gevolg van het beëindigen van deze overeenkomst geen recht had op een bonusuitkering over het jaar 1999. Uit de tekst van deze overeenkomst volgt dat eiser de jaarlijkse bonus ontvangt per 1 februari respectievelijk 1 augustus van het jaar dat volgt op het jaar waarover de bonus wordt uitgekeerd. In artikel 4 van deze overeenkomst is een voorbehoud voor betaling van de bonus gemaakt voor het geval de overeenkomst door de werknemer is beëindigd. Door T, hoofd van de afdeling Human Resources van de bank, is ten overstaan van de rechter-commissaris in de strafzaak verklaard dat de achterliggende gedachte van deze bepaling een retentiemaatregel is om te voorkomen dat mensen te gemakkelijk weggaan. De rechtbank acht deze reden voor het opnemen van artikel 4 in de overeenkomst alleszins aannemelijk.

4.5. Vaststaat dat de bank in juni 1999 te kennen heeft gegeven de bonus van 40% van het netto resultaat te willen verlagen naar 25% of minder en dat het initiatief om tot beëindiging te komen van de bestaande afspraken over de bonusuitkering, zoals neergelegd in de overeenkomst van 26 augustus 1998, bij de bank lag. Dat partijen uiteindelijk een regeling hebben getroffen om uit elkaar te gaan, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor het recht op de bonus over 1999 is vervallen. Uit de tekst van artikel 4 van de overeenkomst volgt namelijk niet, zoals eiser ten onrechte voorstaat, dat de voorwaarde wordt vervuld als de arbeidsovereenkomst mede is beëindigd door de werknemer. De aanleiding voor de beëindiging van de overeenkomst was het voorstel van de bank om de bonussen te verlagen. Voor een dergelijke situatie is de bepaling in artikel 4 van de overeenkomst - gelet op de ratio van die bepaling (zie in 4.4. slot) en nog afgezien van de letterlijke tekst hiervan - niet bedoeld. De rechtbank acht het overigens niet aannemelijk dat eiser zich er zonder meer bij zou hebben neergelegd als de bank zou hebben geweigerd om de bonus over 1999 uit te keren.

4.6. Onduidelijk is waarom eiser van mening is dat geen recht geldend kon worden gemaakt op de bonus. Weliswaar waren er eind 1999/begin 2000 onderhandelingen over nieuwe bonusafspraken gaande, maar tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de bank is het vóór 1 februari 2000 in ieder geval niet gekomen. Zowel in de daaraan voorafgaande concepten als in de definitieve overeenkomst van 11 februari 2000 staat immers in artikel 4.1 ‘X will remain employed with O for the time being’ en in de Procedure-overeenkomst beëindiging dienstverband van 11 april 2000 staat onder 1 dat de arbeidsovereenkomst met eiser wordt ontbonden per [datum]. Waarom eiser hieraan niet de conclusie heeft verbonden dat hij recht had op het deel van de bonus dat zou worden uitgekeerd op 1 februari 2000, is voor de rechtbank onbegrijpelijk. Evenmin is een verklaring voorhanden waarom eiser, in het kader van de onderhandelingen niet tevens de bonusuitkering per 1 augustus zou hebben veiliggesteld. Dit zou, nu eiser het recht op deze bonus had opgebouwd en de omvang van de bonus over 1999 bekend was, de logische gang van zaken zijn geweest.

4.7. De stelling van eiser, dat uit de overeenkomst van het Bonussysteem I van 12 juli 2000 volgt dat voldoende is dat de medewerker op eigen initiatief het dienstverband beëindigt, faalt eveneens. Nog afgezien van het feit dat dit Bonussysteem pas op een later tijdstip tot stand is gekomen dan het tijdstip waarop het dienstverband van eiser is geëindigd, gaat eiser er ten onrechte aan voorbij dat aan dit eigen initiatief is toegevoegd de zinsnede ‘om elders een functie te aanvaarden’. Gesteld noch gebleken is dat eiser zijn dienstverband heeft beëindigd om elders een functie te aanvaarden, zodat voor de rechtbank niet duidelijk is wat eiser met deze stelling beoogt te bereiken.

4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat een collega van eiser, de heer L, in 1999 recht had op 50% van de bonus waar eiser recht op had. Deze collega is in dienst gebleven bij de bank en over het jaar 1999 is aan hem een bonus ter grootte van ƒ 3.747.102 betaald. Dit bedrag komt overeen met 50% van het bedrag, dat in de hiervoor onder 2.8 bedoelde concepten aan eiser wordt toegekend. Ook de hoogte van het bedrag dat aan eiser is betaald, te weten f 7.494.205, duidt er daarom op dat dit bedrag de bonusuitkering over 1999 betrof. Dat het ook daadwerkelijk de bedoeling is geweest om de bonus over 1999 aan eiser uit te betalen, wordt bovendien ondersteund door de in 2.8 bedoelde concepten van de overeenkomst van 11 februari 2000. Hierin wordt dit bedrag omschreven als ‘bonus payment’.

4.9. Eiser stelt dat de term ‘termination payment’ al in de overeenkomst van 11 februari 2000 was opgenomen voordat de informatie van de belastingadviseur, dat op de betaling het tarief van 45% van toepassing zou zijn, hem had bereikt. Volgens eiser duidt dit er op dat de betaling door partijen is bedoeld als een vergoeding voor de beëindiging van het contract van [datum]. Wat hier verder van zij, dit neemt niet weg dat eiser zich er ten tijde van het doen van zijn aangifte over het jaar 2000 van had moeten vergewissen of er deugdelijke argumenten waren om voor het bedrag van ƒ 8.544.205 toepassing van het tarief van 45% te vragen. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich had moeten realiseren dat deze argumenten niet steekhoudend waren en slechts zijn gehanteerd om een fiscaal voordeel te behalen.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 december 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. E. Jochem en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.