Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG1918

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
15/710892-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag / vrijspraak poging moord / geweld / kapotgeslagen fles / maatregel van TBS

Meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte voor poging doodslag en bedreiging met zware mishandeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot verpleging.

Naar het oordeel van de rechtbank is poging moord (feit 1) niet bewezen nu de feiten en omstandigheden in deze zaak er onvoldoende op duiden dat verdachte op het slachtoffer is toe gestapt met het idee hem van het leven te beroven.

Ook de poging moord (feit 3) is niet bewezen nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat de steekpartij met voorbedachten rade is uitgevoerd. Uit het dossier, met name uit de beschrijving van de videobeelden en na het zien van de desbetreffende beelden, is de rechtbank niet gebleken van een bedaard nadenken, voorafgaand aan de uitvoering. Het pakken van het mes voorafgaande aan de vechtpartij lijkt eerder een impulsieve daad te zijn geweest. Ook de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging doodslag acht de rechtbank niet bewezen. Eerder lijkt sprake te zijn van een poging tot zware mishandeling.

Bewezen is poging tot doodslag, gelet op het vrijwel tegelijkertijd aanvallen en verwonden van het slachtoffer met een stukgeslagen fles en een geprepareerd mes. De foto's van de fles en het mes tonen duidelijk aan dat dodelijke verwondingen hadden kunnen zijn toegebracht.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies in de Pro Justitia rapportages en maakt deze tot de hare. Gelet op de ernst van de feiten, de documentatie van verdachte, de conclusies van de deskundigen dat er een verhoogd gevaar voor recidive bestaat eist de algemene veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710892-07

Uitspraakdatum: 8 oktober 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, HvB Zwaag, te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging onder feit 1 primair van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

Primair:

hij op of omstreeks 23 mei 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

(terwijl hij, verdachte, zich in zijn cel bevond)

- een (ketjap)fles kapot heeft geslagen en/of gebroken en/of

- (het handvat van) een mes met plastic en/of tape heeft omwikkeld en/of (vervolgens)

- met voornoemd(e) (gebroken) fles en/of (geprepareerd) mes op zoek is gegaan naar die [slachtoffer] en/of naar die [slachtoffer] heeft gevraagd en/of

- die [slachtoffer] met voornoemde (gebroken) fles in de richting van de halsslagader, althans het bovenlichaam heeft gestoken/geslagen en/of

- die [slachtoffer] met voornoemde (geprepareerd) mes in de richting van de halsslagader, althans het bovenlichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of

- met voornoemd (geprepareerd) mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 mei 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- die [slachtoffer] met een stuk glas in de (linker)schouder heeft gestoken/geslagen en/of

- met een stuk glas stekende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] met een mes in de (linker)schouder heeft gestoken en/of

- met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2007 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (onder het roepen van "weg!, weg!") met een mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] gemaakt;

3.

(parketnummer 710176-08)

hij op of omstreeks 04 juli 2007 te Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- zich naar de recreatieruimte van unit 6 heeft begeven en/of

- (aldaar) die [slachtoffer 3] (nauwgezet) in de gaten heeft gehouden en/of

- (vervolgens) de bewaardersruimte heeft betreden en/of (aldaar) een mes uit de besteklade heeft gepakt en/of meegenomen en/of

- (vervolgens) zich uit die bewaardersruimte heeft begeven en/of

- zich weer naar die recreatieruimte heeft begeven en/of

- (aldaar) direct en/of in een snelle beweging op die [slachtoffer 3] is afgelopen en/of

- met dat mes (een of meer) stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 3],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen de poging tot moord, hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is slechts sprake van voorbedachte rade op de dood indien de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen/genomen besluit die persoon te doden, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daar rekenschap van heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank duiden de feiten en omstandigheden in deze zaak er onvoldoende op dat verdachte op het slachtoffer is toe gestapt met het idee hem van het leven te beroven.

Verdachte heeft verklaard dat hij verhaal wilde halen bij het latere slachtoffer. Van de aanwezigheid van het mes in zijn broekzak was hij zich bij het verlaten van zijn cel niet bewust. Met de eerder uit woede kapotgeslagen fles heeft verdachte zijn argumenten kracht bij willen zetten.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd. Verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen in het dossier, dat de steekpartij met voorbedachten rade is uitgevoerd.

Uit het dossier, met name uit de beschrijving van de videobeelden en na het zien van de desbetreffende beelden, is de rechtbank niet gebleken van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Het pakken van een mes voorafgaand aan de vechtpartij lijkt eerder een impulsieve daad te zijn geweest dan een daad van kalm overleg.

Ook de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag acht de rechtbank niet bewezen.

Verdachte heeft het slachtoffer twee keer bovenhands gestompt met naar later blijkt een mes in zijn hand.

De rechtbank heeft in het dossier geen foto’s of beschrijving van het mes aangetroffen.

Ook is niet beschreven op welke wijze verdachte het mes in zijn hand droeg.

De medische informatie over de gevolgen voor het slachtoffer [slachtoffer 3] (twee rode schrammen op de rug) geeft geen aanwijzing voor de vaststelling dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven.

Eerder lijkt sprake te zijn van een poging tot zware mishandeling.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair impliciet tenlastegelegde feit alsmede feit 2 heeft begaan, in dier voege dat:

1.

Primair :

hij op 23 mei 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer] met een gebroken fles in de richting van het bovenlichaam heeft geslagen en

- die [slachtoffer] met een geprepareerd mes in de richting van het bovenlichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 23 mei 2007 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend onder het roepen van "weg!, weg!" met een mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1 primair en 2:

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 9 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 23 mei 2007 was hij gedetineerd in PI Haarlem, in het gebouw De Vest. Een medegedetineerde, genaamd [verdachte], kwam naar aangever lopen. Aangever stond tussen cel 129 en 128 en de trap in. [verdachte] vroeg wat zijn probleem was en aangever vroeg wat het probleem van [verdachte] was. Aangever zag dat [verdachte] zijn linkerarm omhoog bracht en in de richting van zijn gezicht kwam. Aangever kon zich wegdraaien en de arm/hand van [verdachte] raakte hem boven op zijn linkerschouder. Aangever hoorde een hoop glasgerinkel en besefte dat [verdachte] hem met een gebroken fles in zijn gezicht wilde raken. Deze fles brak verder stuk op zijn schouder. Hij zag dat [verdachte] in zijn andere hand een mes vasthield. [verdachte] kwam op hem af en wilde bovenhands het mes in zijn schouder planten. Aangever kon dit gedeeltelijk ontwijken. [verdachte] raakte hem met het mes op zijn linkerschouder, ongeveer op dezelfde plek als waar hij hem met de fles had geraakt. Aangever liep naar achteren en riep dat [verdachte] een mes had. Hij pakte een stoel om [verdachte] af te weren. [verdachte] pakte ook een stoel en heeft deze naar aangever gegooid. [verdachte] is hierna overmeesterd door het personeel van de P.I.;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (dossierpagina 42 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Aangever is bewaker in de PI Haarlem. Op 23 mei 2007 omstreeks 10.45 uur was er luchten. Aangever stond bij de trap en had een goed overzicht over de afdeling. Gedetineerde [verdachte] liep op een gegeven moment richting gedetineerde [slachtoffer] en aangever hoorde dat hij begon te praten over wasgoed. Kort hierop zag hij dat [verdachte] een slaande beweging maakte naar [slachtoffer]. [verdachte] raakte [slachtoffer] op zijn linkerschouder. Aangever dacht dat het een vuistslag was, maar later hoorde hij dat [slachtoffer] geraakt was met de hals van een kapotgeslagen ketjapfles. Kort hierop zag hij dat [verdachte] met zijn andere hand een slaande beweging maakte in de richting van [slachtoffer]. [verdachte] hield iets glimmends vast en aangever zag dat dit een mes betrof. Aangever zag dat [verdachte] snel wegliep. Aangever is in de richting van [verdachte] gelopen om hem te overmeesteren. Hij benaderde hem aan de achterzijde en was hem genaderd tot nog minder dan een meter. Op dit moment keerde [verdachte] zich om. Vervolgens heeft [verdachte] tot twee maal toe een stekende beweging met het mes in zijn richting gemaakt. Hij hoorde [verdachte] hierbij ook zeggen ‘weg, weg’. [verdachte] was door het dolle heen. Andere collega’s kwamen erbij en hebben [verdachte] overmeesterd;

• de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik was opgefokt in verband met het wasgoed. Ik heb een ketjapfles kapot gegooid in mijn cel. Later mocht ik luchten en had de flessenhals van de kapot gegooide ketjapfles bij mij. Ik had ook een mes bij mij. Ik had dat mes een of twee dagen eerder omwikkeld met plakband;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 8 mei 2008, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: Collega [slachtoffer 2] liep eerst achter [verdachte] aan, toen draaide [verdachte] zich naar hem toe en stopte [slachtoffer 2] en deed een stapje achteruit. Getuige zag dat [verdachte] met zijn rug naar hem stond tegenover zijn collega [slachtoffer 2]. Getuige zag [slachtoffer 2] in het gezicht. Hij hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “Stop daarmee”. Hij hoorde [verdachte] iets zeggen van: “Weg, weg”. Pas later, toen getuige [verdachte] beet wilde pakken aan zijn arm, zag hij dat [verdachte] een mes had;

• een schriftelijk stuk, zijnde medische gegevens betreffende [slachtoffer] (dossierpagina 15), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

De heer is door een medegedetineerde aangevallen met mes. Nu wond aan linkerschouder. Oppervlakkige snijwond te zien, niet bloederig.

3.3 Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte stelt zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat verdachte een kapot gemaakte fles heeft gegooid en dat er sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar niet van voorbedachten rade dan wel de opzet om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De rechtbank is zoals reeds onder 3.1 opgemerkt met de raadsman van oordeel dat er geen sprake is van een poging tot moord.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelet op het vrijwel tegelijkertijd aanvallen en verwonden van het slachtoffer [verdachte] met een stukgeslagen fles en een geprepareerd mes, zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De foto’s van de fles en het mes tonen duidelijk dat dodelijke verwondingen hadden kunnen zijn toegebracht.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1: Poging tot doodslag;

Ten aanzien van feit 2: Bedreiging met zware mishandeling.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie vordert tevens de maatregel terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de hals van een kapotte fles ketjap en een bestekmes met plakband om het handvat worden verbeurd verklaard.

Hoofdstraf en maatregel

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het door gezondheidszorg- en forensisch psycholoog D. Breuker uitgebrachte Pro Justitia rapport van 20 juni 2008, van het door psychiater F.B. van der Wurff uitgebrachte Pro Justitia rapport van 27 juni 2008 en het vanwege de Brijder Verslavingsreclassering uitgebrachte maatregelrapport van 16 september 2008 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte was opgefokt na aanleiding van een incident met zijn wasgoed in de penitentiaire inrichting te Haarlem. Hij was boos op een medegedetineerde die het wasgoed had verzorgd. Verdachte heeft in zijn boosheid een flesje ketjap in zijn cel tegen de muur kapot gegooid. Wanneer het tijd is om te luchten neemt verdachte de hals van de kapotte fles mee in zijn hand. Bovendien heeft hij een geprepareerd mes bij zich. Vervolgens ziet hij de medegedetineerde die het wasgoed had verzorgd en gaat naar hem toe. Hij heeft deze medegedetineerde met de hals van de kapotte ketjapfles geslagen in de richting van het bovenlichaam en hij heeft het mes gestoken in de richting van het bovenlichaam van de medegedetineerde. Even later heeft verdachte een bewaarder van de penitentiaire inrichting bedreigd door met een mes stekende bewegingen naar deze bewaarder te maken en te roepen “weg, weg”. Naast de angst en het leed die dergelijke feiten toebrengen aan slachtoffers, vormen dergelijke feiten tevens een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid daar het misdrijven zijn met een agressief en gewelddadig karakter waarvan derden ongewild getuige kunnen zijn.

De rechtbank stelt vast dat de bovenomschreven feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Ook op zijn documentatie staan veroordelingen voor geweldsmisdrijven.

Uit voormeld rapport van de gezondheidszorg- en forensisch psycholoog D. Breuker komt naar voren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en tevens van antisociale trekken. De persoonlijkheidsproblematiek is ernstig en van grote invloed op het alledaagse functioneren van verdachte, als ook op het plegen van de ten laste gelegde feiten. De psycholoog adviseert om verdachte ten aanzien van het plegen van de feiten als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De zeer ernstige feiten en geweld komen voort uit een ernstige narcistische persoonlijkheidspathologie. Verdachte heeft hier beperkt zicht op en beschikt over een gebrekkige impulsregulatie. Behandeling is noodzakelijk om betrokkene te leren meer grip te hebben op zijn eigen agressie en impulsen. Verdachte geeft echter blijk van een wisselende en geringe behandelmotivatie. Gezien de ernst van de feiten en stoornis met een grote kans op geweldsrecidive, wordt geadviseerd om verdachte behandeling op te leggen in het kader van TBS met dwangverpleging.

Uit voormeld rapport van psychiater F.B. van der Wurff komt naar voren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en vooral narcistische kenmerken. Verdachte is iemand die door de beperkingen voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis in situaties van al dan niet vermeende krenking en boosheid tot interpretaties van gedragingen van anderen kan komen die hij als bijzonder nadelig voor hemzelf interpreteert. Verdachte verliest in dergelijke situaties de controle over zijn agressie. De psychiater adviseert om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde, indien bewezen geacht.

Het gebrek aan zinvolle en adequate dagbesteding en het ontbreken van een stevig sociaal netwerk kan verdachte makkelijk in risicovolle situaties brengen, waarin een groot beroep op zijn probleemoplossende vaardigheden wordt gedaan, vaardigheden waarin hij juist tekortschiet. Dit kan hem gemakkelijk in situaties brengen met al dan niet vermeende krenkingen, boosheid en impulsieve agressie. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat indien verdachte niet behandeld en begeleid wordt.

De psychiater geeft de rechtbank, alles afwegende, in overweging verdachte, gegeven de stoornis, de mate van toerekening en de risicotaxatie, een TBS met bevel tot verpleging op te leggen.

Uit voormeld rapport van de Brijder Verslavingsreclassering komt naar voren dat, gelet op de onderzoeken die zijn gedaan door Pro Justitia rapporteurs, zij in overweging geven geen maatregel TBS met voorwaarden of toezicht in een andere strafmodaliteit op te leggen.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies in de Pro Justitia rapportages van de deskundigen voornoemd en maakt deze tot de hare. Ook het advies van de deskundigen zal de rechtbank volgen.

In aanmerking genomen de ernst van de onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, de documentatie van verdachte en de conclusie van de deskundigen dat er verhoogd gevaar voor recidive bestaat, eist de algemene veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank zal derhalve dienovereenkomstig gelasten.

Op grond van het voren overwogene is de rechtbank voorts van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank heeft voor de mate van toerekenbaarheid en bij het bepalen van de strafmaat laten meewegen hetgeen omtrent de persoon van verdachte uit voormelde rapporten is gebleken.

De door verdachte gepleegde strafbare feiten en met name het onder feit 1 bewezen geachte zijn – zoals hier voor overwogen – ernstig. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de maatschappij meer gebaat is bij een snelle aanvang van de behandeling van verdachte. Om die reden en mede gelet op de wachtlijst voor plaatsing in een tbs-kliniek zal de rechtbank, de op te leggen gevangenisstraf in duur beperken.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de hals van een kapotte fles ketjap en een bestekmes met plakband om het handvat, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 37a, 37b, 45, 57, 285, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

ÉÉN (1) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Verklaart verbeurd:

1 1.00 FLS Fles

betreft de hals van een kapotte fles ketjap;

2 1.00 STK Mes Kl:zilver

bestekmes met plakband om handvat.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. van der Lelie, voorzitter,

mr. M.M.A. van den Boogaard en mr. E.A. Minderhoud, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers W. van den Bergh en M. Chrihi,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2008.

Mr. E.A. Minderhoud is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.