Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG1900

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-09-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
15/740406-08 (straf)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

handel in cocaine / bewijsoverweging periode

Meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte voor het medeplegen van handelin cocaine. Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar samen met zijn vriendin bezig gehouden met de handel in cocaine. Verdachte droeg zorg voor de inkoop, waarna zijn vriendin deze in hun woning versneed en verpakte in wikkels. Vervolgens verkochten beiden de wikkels cocaine aan verschillende personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740406-08

Uitspraakdatum: 4 september 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Haarlem,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 13 mei 2008 te Haarlem, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 december 2006 tot en met 13 mei 2008 te Haarlem, telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen. De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. In het navolgende zal, voorzover niet anders vermeld, worden volstaan met de vermelding van het onderwerp van het proces-verbaal en de vindplaats daarvan in het dossier. Indien en voorzover de verdediging het tenlastegelegde heeft betwist worden de redengevende feiten en omstandigheden uit dat proces-verbaal zakelijk weergegeven.

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 13 mei 2008 (dossierpagina 173-177) waarin zij – onder meer – heeft verklaard dat ze de handel in cocaïne tegen kerst 2006 weer heeft opgepakt;

• het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 14 mei 2008 (dossierpagina 178-180) waarin zij – onder meer – nogmaals heeft verklaard dat zij de handel in cocaïne tegen kerst 2006 weer heeft opgepakt;

• het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 26 mei 2008 (dossierpagina 186-189) waarin zij – onder meer – heeft verklaard over [de man], een klant van hen in 2006;

• het proces-verbaal testen verdovende middelen (dossierpagina 118-119);

3.3 Bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij 8 tot 9 maanden in cocaïne heeft gehandeld. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie echter meermalen verklaard dat zij samen met verdachte vanaf kerst 2006 in cocaïne heeft gehandeld. Voorts heeft zij verklaard dat een persoon genaamd [de man] een klant was in 2006. Op grond van deze verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 1 december tot en met 13 mei 2008 in cocaïne heeft gehandeld.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte contact zal onderhouden met de Brijder Verslavingszorg. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat de weegschaal, het horloge en het valse bankbiljet van € 200 moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de sleutelbos en de rode Nokia telefoon teruggegeven moeten worden aan verdachte.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Brijder Verslavingszorg, Verslavingsreclassering Arrondissement Haarlem, uitgebrachte rapport van 18 augustus 2008.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar samen met zijn vriendin, medeverdachte [medeverdachte], beziggehouden met de handel in cocaïne. Verdachte droeg zorg voor de inkoop van de cocaïne, waarna zijn vriendin deze in hun woning in Haarlem versneed en verpakte in wikkels. Vervolgens verkochten beide verdachten de wikkels cocaïne aan verschillende personen. Dit gebeurde ofwel bij verdachten thuis ofwel op diverse andere locaties eveneens in Haarlem, waarbij verdachte zorg droeg voor het vervoer en de aflevering van de cocaïne. Hiermee heeft verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan de verspreiding van en handel in cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Brijder Verslavingszorg gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een digitale weegschaal met sporen van wit poeder, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die weegschaal is voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen weegschaal is – nu de sporen en de geur van cocaïne er mogelijk nog aan zitten – in strijd met de wet.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een nagemaakt Cartier horloge en een vals bankbiljet van € 200, eveneens dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Het ongecontroleerde bezit van voormelde inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZES MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Brijder Verslavingszorg, zolang die instelling dat nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Onttrekt aan het verkeer:

– weegschaal (digitaal, met sporen van wit poeder)

– horloge (zilver, opschrift Cartier)

– vals biljet van € 200,--

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- sleutelbos

- telefoon (Nokia, rood)

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mrs. E.C.M. van Mierlo en. D.H. Steenmetser-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 september 2008.