Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG1791

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
364663 CV EXPL 07-10517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Vordering tot schadevergoeding. Beroep op verjaring verworpen. De kantonerchter is van oordeel dat stuiting van de verjaring kan geschieden op de wijze als vermeld in artikel 3:317 lid 1 BW, nu het een vordering tot nakoming van een verbintenis in de zin van dat artikel betreft. Er is sprake van een kennelijk onredelijk ontslag omdat de werkgever door geen vergoeding toe te kennen, in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de belangen van de werknemer. Het beroep van de werkgever op financieel onvermogen wordt verworpen, nu de werkgever voor een andere werknemer wel een mogelijkheid heeft gevonden om deze werknemer in financieel opzicht bij te staan. Toegewezen wordt een vergoeding van €30.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 210
AR-Updates.nl 2008-0685
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 364663/CV EXPL 07-10517

datum uitspraak: 6 augustus 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde Juridische Dienst CNV Hout en Bouw

tegen

de besloten vennootschap

Timmer- en Onderhoudsbedrijf Vreeken B.V.

te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde partij

hierna te noemen Vreeken

gemachtigde mr. N. Jansen

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken:

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 11 juni 2008 uitgesproken tussenvonnis en de daarin genoemde stukken,

- de akte uitlating producties van [eiser].

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [eiser], geboren op 23 juni 1957, is op 22 juni 1998 bij Vreeken in dienst getreden.

b. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de CAO voor het bouwbedrijf van toepassing.

c. Bij verzoek van 30 mei 2006 heeft Vreeken aan het CWI toestemming verzocht voor ontslag van [eiser] om bedrijfseconomische redenen.

d. [eiser] heeft tegen die ontslagaanvraag verweer gevoerd.

e. Bij brief van 13 juli 2006 heeft het CWI aan Vreeken nadere inlichtingen en nadere onderbouwing gevraagd.

f. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het CWI aan Vreeken toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen.

g. Vreeken heeft de arbeidsovereenkomst met [eiser] bij brief van 8 augustus 2006 per

18 november 2006 opgezegd.

h. Het laatstelijk door [eiser] genoten salaris bedroeg €3.612,96 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.

i. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] -onder meer- het volgende aan Vreeken geschreven:

“(…)

Gelet op de op dit moment voorhanden zijnde gegeven is de heer [eiser] van mening dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag (…).

Gelet op het bovenstaande ben ik voornemens een gerechtelijke procedure op te starten teneinde herstel van het dienstverband te vorderen dan wel een schadevergoeding te verkrijgen.

(…)

Aangezien u per 17 november 2006 de arbeidsovereenkomst hebt beëindigd en ik voornemens ben schadevergoeding te vorderen wegens de kennelijk onredelijke opzegging stuit ik hierbij uitdrukkelijk de hiervoor geldende verjaringstermijn.”

j. Bij brief van 26 juli 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] vervolgens -onder meer- het volgende aan Vreeken geschreven:

“(…)

Op dit moment ben ik doende de dagvaarding op te stellen waarbij ik mij op het standpunt zal stellen dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

(…)

Voor de laatste maal verzoek ik u, en voorzover nodig sommeer ik u, de vergoeding ter hoogte van €46.823,96 over te maken (…).

Aangezien u per 17 november 2006 de arbeidsovereenkomst hebt beëindigd en ik voornemens ben schadevergoeding te vorderen wegens de kennelijk onredelijke opzegging, welke verjaringstermijn ik reeds bij schrijven van 1 maart 2007 heb gestuit, stuit ik hierbij uitdrukkelijk wederom de hiervoor geldende verjaringstermijn.”

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: Vreeken zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen €46.823,96 bruto wegens schadevergoeding ex artikel 7:681 BW dan wel een andere vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 november 2007, dan wel een andere ingangsdatum dor de kantonrechter in goede justitie te bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. subsidiair: Vreeken zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen €46.823,96 bruto wegens schadevergoeding ex artikel 7:611 BW dan wel een andere vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 november 2007, dan wel een andere ingangsdatum dor de kantonrechter in goede justitie te bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Vreeken zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten in deze stellen op een bedrag conform de aanbevelingen, zijnde €1.785,00;

IV. Vreeken zal veroordelen in de kosten van de procedure.

[eiser] heeft het volgende -samengevat- aan zijn vordering ten grond¬slag gelegd:

Vreeken heeft de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk op gezegd. De opzegging is gedaan onder opgave van een valse dan wel voorgewende reden.

De valse dan wel aangewende reden is daarin gelegen dat er geen sprake is van bedrijfsbeëin-diging. Dit blijkt uit het feit dat Vreeken niet is opgehouden te bestaan, dan wel uit het feit dat de activiteiten van Vreeken zijn overgenomen door Bouwbedrijf L.H. Mulckhuyse B.V. (hier-na: Mulckhuyse).

Voorts is het ontslag kennelijk onredelijk op grond van het gegeven dat voor [eiser] geen enkele voorziening is getroffen, gelet op de ernstige gevolgen die het ontslag voor hem heeft in relatie tot de belangen van Vreeken.

Bij ontslag had [eiser] de leeftijd van 49 jaar en was hij 8 jaar in dienst bij Vreeken.

Op het moment van einde van het dienstverband had [eiser] nog geen uitzicht op een andere baan. [eiser] heeft financieel nadeel ondervonden als gevolg van verlies van inkomen, ter-wijl Vreeken niet direct belang had bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Er was immers nog voldoende werk. Verder is van belang dat een andere werknemer wel in dienst mocht blij-ven en nog steeds salaris betaald krijgt, terwijl hij geen werkzaamheden verricht. Blijkbaar is er voor die andere werknemer wel een regeling getroffen. Ook dit maakt de opzegging van de overeenkomst met [eiser] kennelijk onredelijk.

[eiser] heeft daarom recht op een vergoeding ex artikel 7:681 BW ten bedrage van €46.823,96.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft Vreeken [eiser] genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven. [eiser] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €1.785,00. Vreeken dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan [eiser] te voldoen.

Het verweer

Vreeken betwist de vordering en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Verjaring

De arbeidsovereenkomst is op 18 november 2006 geëindigd. De eis is ingesteld op

8 november 2007. Vaststaat dat de verjaring niet is gestuit op grond van artikel 3:316 BW. De verjaring is evenmin gestuit op grond van artikel 3:317 lid 2 BW. De schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 3:317 lid 2 BW is verzonden op 1 maart 2007, maar niet binnen zes maanden gevolgd door het instellen van een eis. Als gevolg daarvan is de verjaring van de rechtsvordering niet gestuit. De brief van 26 juli 2007 van [eiser] heeft gelet op de tekst van artikel 3:317 lid 2 BW geen rechtsgevolg.

Staking van de bedrijfsactiviteiten

Op 29 december 2003 zijn de aandelen in Vreeken overgegaan naar Koolhuyse B.V. (hierna: Koolhuyse). Sinds die aandelentransactie is Vreeken een dochteronderneming van Koolhuyse en een zusteronderneming van Mulckhuyse. Deze drie vennootschappen behoren tot één concern, maar zijn drie afzonderlijke vennootschappen.

Mulckhuyse en Vreeken zijn vanaf 2004 gaan samenwerken op verschillende onderdelen. Deze samenwerking heeft niet geleid tot één onderneming, omdat de beide ondernemingen dat niet hebben beoogd, zij elk aparte rechtspersoonlijkheid bezitten en zij beide op belangrijke onderdelen opereren als afzonderlijke ondernemingen.

Per 5 juli 2004 heeft Vreeken haar activiteiten ter besparing van kosten verplaatst naar de vestiging van Mulckhuyse en Koolhuyse.

Ondanks de maatregelen om de kosten te reduceren is Vreeken er niet in geslaagd haar financiële positie te verbeteren. Dit heeft ermee te maken dat de prijzen onder druk zijn komen te staan in de bouwnijverheid en dat Vreeken na het vertrek van de bedrijfsleider geen goede vervanger kon vinden om de boel vlot te trekken. Vreeken heeft zich genoodzaakt gezien de bedrijfsactiviteiten te stoppen.

Het feit dat Vreeken nog steeds staat ingeschreven in het Handelsregister, brengt niet met zich dat de bedrijfsactiviteiten niet zouden zijn gestaakt.

De door [eiser] bedoelde werknemer van Vreeken zou per 1 augustus 2006 met vervroegd pensioen gaan. Deze werknemer bleek echter onvoldoende pensioenrechten te hebben opgebouwd. Om die reden verricht deze werknemer geen arbeid meer, maar ontvangt hij nog wel steeds salaris tot het moment waarop hij voldoende pensioenrechten zal hebben opgebouwd.

Geen voorziening

Gelet op de gunstige economische situatie in 2006 in het algemeen en meer specifiek in de regio, alsmede de ervaring van [eiser], bestond bij Vreeken de verwachting dat [eiser] snel een andere baan zou vinden. Bovendien liet de financiële positie van Vreeken een vergoeding niet toe.

Goed werkgeverschap

De arbeidsovereenkomst is niet opgezegd onder opgave van een valse of voorgewende reden, zodat Vreeken niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Evenmin heeft Vreeken onrechtmatig gehandeld door [eiser] geen voorziening aan te bieden.

Voorts is Vreeken niet tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

Anders dan ten aanzien van artikel 7:681 lid 1 BW geldt, dient [eiser] zijn schade wel te stellen en te bewijzen. [eiser] heeft volstrekt onvoldoende over zijn schade gesteld.

De beoordeling van het geschil

1. Het meest verstrekkende verweer van Vreeken is het door haar gedane beroep op verjaring van de vordering van [eiser]. De kantonrechter zal daar dus eerst op ingaan.

2. Gelet op de wederzijdse standpunten moet de vraag worden beantwoord of de verjaring op grond van het bepaalde bij artikel 3: 317 lid 1 BW is gestuit, dan wel of die stuiting moet plaatsvinden op de wijze als voorgeschreven in het tweede lid van artikel

3:317 BW.

3. Anders dan Vreeken is de kantonrechter van oordeel dat de stuiting van de onderhavige vordering kan geschieden op de wijze als vermeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

De onderhavige vordering tot schadevergoeding is immers een vordering tot nakoming van een verbintenis in de zin van dat artikel.

4. Bij brief van 1 maart 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] de verjaringstermijn van zes maanden gestuit. Deze brief is een schriftelijke mededeling waarin namens [eiser] ondubbelzinnig het recht op nakoming wordt voorbehouden. Het was voor Vreeken daarom vanaf dat moment duidelijk dat zij er rekening mee moest houden in een procedure te worden betrokken en dat zij daarom de beschikking moest houden over haar gegevens en bewijsmateriaal. Deze stuiting bracht met zich dat op 2 maart 2007 een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen.

5. Deze onder 4. genoemde nieuwe verjaringstermijn is vervolgens gestuit bij brief van

26 juli 2007 van de gemachtigde van [eiser]. Wat onder 4. is gezegd met betrekking tot de brief van 1 maart 2007 geldt mutatis mutandis voor de brief van 26 juli 2007. Dit brengt met zich dat op 27 juli 2007 een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen.

6. Aangezien [eiser] vervolgens Vreeken op 8 november 2007 heeft gedagvaard, heeft hij dit gedaan binnen de nieuwe verjaringstermijn van zes maanden die op 27 juli 2007 is gaan lopen en dus tijdig.

7. Op grond van het vorenstaande verwerpt de kantonrechter het door Vreeken gedane beroep op verjaring.

8. [eiser] baseert zijn stelling dat sprake is van een valse of voorgewende reden op de volgende feiten en/of omstandigheden:

a. Het bedrijf van Vreeken staat nog steeds ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

b. Niet alle werknemers van Vreeken zijn ontslagen. Eén van de werknemers van Vreeken is nog steeds werkzaam voor Vreeken en wordt door haar ook uitbetaald.

c. Mulckhuyse en Vreeken zijn dermate met elkaar verweven (geweest) dat er in feite sprake was van een en dezelfde onderneming. Voor het geval de bedrijfsactiviteiten door Vreeken daadwerkelijk zijn gestaakt, is Vreeken doelbewust leeggetrokken door Mulckhuyse. De bestaande opdrachten van Vreeken zijn door Mulckhuyse uitgevoerd en er is bewust geen personeel meer aangetrokken door Vreeken. Wel zijn vacatures geplaatst voor timmerlieden ten behoeve van Mulckhuyse.

9. Het feit dat Vreeken nog steeds staat ingeschreven in het Handelsregister brengt niet met zich dat geconcludeerd moet worden dat de bedrijfsactiviteiten van Vreeken niet zijn gestaakt. Dit geldt temeer nu uit die inschrijving blijkt dat de bedrijfsomschrijving is: ‘Beheer van eigen vermogen’ en niet -kort gezegd- de exploitatie van een timmer- en onderhoudsbedrijf, zoals in de eerdere bedrijfsomschrijving tot uitdrukking kwam.

10. Onvoldoende is gebleken dat de werknemer die thans nog salaris ontvangt daar ook daadwerkelijk arbeid voor verricht. Tegenover het gemotiveerde verweer van Vreeken en de uitleg die zij geeft over de aan deze werknemer verrichte betalingen, is onvoldoende komen vast te staan dat deze werknemer wel in dienst van Vreeken arbeid verricht. Deze omstandigheid kan daarom niet de conclusie rechtvaardigen dat Vreeken haar bedrijfsactiviteiten nog steeds voortzet.

11. Aan [eiser] moet worden toegegeven dat Vreeken in ieder geval de schijn tegen heeft. Er is mogelijk sprake van een verwevenheid met Mulckhuyse in die zin dat geconcludeerd zou kunnen worden dat de bedrijfsactiviteiten van Vreeken onder de vlag van Mulckhuyse worden voortgezet, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat Vreeken zelf haar bedrijfsactiviteiten niet zou hebben gestaakt.

12. Wat er verder ook zij van de staking of voortzetting van de bedrijfsactiviteiten, de kantonrechter is op grond van het vorenstaande in ieder geval van oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag omdat Vreeken, door aan [eiser] geen vergoeding toe te kennen, in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de belangen van [eiser]. Vreeken heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt laat staan aangetoond, dat een functie voor [eiser] niet beschikbaar was binnen Mulckhuyse. Gelet op de onderlinge band tussen de vennootschappen had van Vreeken mogen worden verwacht dat zij zich had ingespannen om te bezien of er voor [eiser] bij Mulckhuyse mogelijkheden waren of in ieder geval, als die mogelijkheden er niet zouden zijn, [eiser] een vergoeding aan te bieden om de gevolgen van de opzegging enigszins te verzachten. Nu zij dat onvoldoende heeft gedaan, acht de kantonrechter het ontslag kennelijk onredelijk.

13. De kantonrechter is niet overtuigd van de stelling van Vreeken dat zij financieel niet in staat zou zijn een vergoeding te betalen. Nu Vreeken voor de boven genoemde werknemer wel een mogelijkheid heeft gevonden om deze werknemer in financieel opzicht bij te staan bij de aanvulling van diens pensioenvoorziening, had het voor de hand gelegen ook voor [eiser] een voorziening te treffen. Alle omstandigheden tegen elkaar afwegende is de kantonrechter van oordeel dat aan [eiser] wegens de kennelijk onredelijke opzegging een vergoeding toekomt van €30.000,00.

14. De primaire vordering zal op grond van het vorenstaande worden toegewezen onder toekenning aan [eiser] van de genoemde vergoeding van €30.000,00.

15. [eiser] heeft €1.785,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, waarbij hij stelt dat hij daadwerkelijk kosten heeft moeten maken. Er is voldoende inzicht gegeven in de omvang van de buitengerechtelijke verrichtingen, zodat ook dit onderdeel van de vordering voor toewijzing vatbaar is. Er bestaat aanleiding om het toe te wijzen bedrag te relateren aan het bedrag van de toegekende vergoeding, één en ander overeenkomstig de staffel van het rapport Voorwerk II. Daarom zal €1.190,00 worden toegewezen.

16. Vreeken zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Vreeken om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan [eiser] te betalen €30.000,00 bruto, te ver¬meerderen met de wette¬lijke rente berekend vanaf 8 november 2007 tot aan de dag der alge¬hele voldoening.

Veroordeelt Vreeken voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan [eiser] te betalen €1.190,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten.

Veroordeelt Vreeken in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op €283,31 aan verschotten en €1.400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.