Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG0923

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
144108-08-854
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de rechtbank is van oordeel dat in dit geval in beginsel de verplichting tot betaling van de partnerbijdrage dient te worden beëindigd. De redelijkheid en billijkheid brengt mee dat voor de man uitzicht op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting komt. Nu de vrouw door de beëindiging van de partnerbijdrage op een aanzienlijk lager inkomen wordt teruggeworpen en de man zijn draagkracht niet ter discussie heeft gesteld, zal de rechtbank de vrouw echter nog gedurende een periode van twee jaar in de gelegenheid stellen om zich voor te bereiden op de beëindiging van de partnerbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 144108/08-854

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 22 juli 2008

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. E.M. van Hemert,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.A.W. Eskens te Arnhem,

procureur mr. M. Stokvis.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 3 maart 2008, ingekomen op 4 maart 2008;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 22 april 2008.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2008 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Van Hemert en de vrouw door mr. Eskens. Mr. van Hemert heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1974 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 1992 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het echtscheidings(tussen)vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 30 mei 1991.

2.2 Bij voormeld vonnis is bepaald dat de man voorlopig voor het levensonderhoud van de vrouw zal betalen ? 800 per maand, met ingang van de dag waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot het moment waarop definitief op de alimentatievordering van de vrouw zal zijn beslist.

2.3 Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 30 november 1993 is het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 6 augustus 1992 bekrachtigd voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw tot 1 april 1993, is dat vonnis voor het overige vernietigd en is, in zoverre opnieuw rechtdoende in hoger beroep, de man veroordeeld om over de periode met ingang van 1 april 1993 aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen ? 1.400 per maand, welke bijdrage voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

2.4 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2008 € 897,21 bruto per maand. De man betaalt € 665,44 bruto per maand. Hij heeft de wettelijke indexering naar zijn zeggen vanaf 1 januari 1997 niet toegepast. Volgens de vrouw heeft de man de wettelijke indexering vanaf 1 januari 1996 niet toepast.

3 Beoordeling

3.1 De man verzoekt onder verwijzing naar artikel II lid 2 van de Wet Limitering Alimentatie van 28 april 1994 (hierna: WLA) het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 30 november 1993 te wijzigen en de partnerbijdrage met ingang van 1 maart 2008, subsidiair met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, definitief te beëindigen. De man voert daartoe aan dat zijn alimentatieverplichting langer dan vijftien jaren heeft geduurd.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw vanaf het moment dat de dochter het ouderlijk huis heeft verlaten pogingen heeft kunnen ondernemen om voor een groter deel in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft zich onvoldoende ingespannen om na 15 jaar in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft zich drie maal moeten herscholen. Hij heeft naast zijn 50-urige werkweek in de avonduren cursussen gevolgd. De vrouw was op de hoogte van de limitering van de partnerbijdrage door publicaties in de media. De man heeft nu een nieuw gezin, waartoe kinderen van 13 en 15 jaar behoren. De man kan de partnerbijdrage nu nog betalen, maar over een jaar wordt zijn uitkering beëindigd.

3.2 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de beëindiging van de verplichting om de partnerbijdrage te voldoen van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Zij verzoekt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen.

De vrouw voert aan dat zij in de huwelijkse periode geen kans heeft gezien om een carrière op te bouwen. Het huwelijk stond geheel in dienst van de carrière van de man. Er was sprake van een klassiek rollenpatroon tijdens het huwelijk. De vrouw heeft een niet in te lopen achterstand op de arbeidsmarkt. Partijen hebben tien jaar in het buitenland gewoond. De vrouw komt uit [land]. Zij is [baan]. Door een taalachterstand krijgt de vrouw geen werk als [baan]. De vrouw was - ook na de echtscheiding - met de zorg en opvoeding van de dochter belast. Haar gemiddelde maandinkomen bedraagt, inclusief de partnerbijdrage, € 1.000 netto. Bij stopzetting van de partnerbijdrage zal zij haar woning dienen te verkopen, hetgeen tevens de verkoop van de werkruimte inhoudt. Voorts heeft de vrouw onvolledige AOW-rechten opgebouwd, heeft zij geen pensioen opgebouwd en heeft zij geen enkele sociale zekerheid. De man heeft de vrouw er nimmer op gewezen dat met betaling van de partnerbijdrage zou worden gestopt. De vrouw hoopt dat zij met haar studie [naam studie] een baan in het onderwijs zal kunnen verkrijgen. De vrouw is nu 58 jaar en haar kansen op de arbeidsmarkt zijn beperkt.

3.3 De rechtbank overweegt als volgt. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met:

a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

3.4 Ervan uitgaande dat de beëindiging van de onderhoudsplicht voor de vrouw ingrijpend is, dient de vraag te worden beantwoord of de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

De rechtbank neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.

De vrouw heeft een gymnasiumopleiding gevolgd. Zij heeft ten tijde van het tienjarig verblijf van partijen in het buitenland als secretaresse gewerkt en werkzaamheden verricht in een ziekenhuis. De vrouw heeft van 1984 tot 1986 een deeltijdopleiding tot [baan] gevolgd. Vanaf 1986 tot heden heeft de vrouw een eigen [naam praktijk]. De gemiddelde winst uit de onderneming van de vrouw over de jaren 2004 tot en met 2006 bedraagt € 4.590 per jaar. Aan de vrouw is bij de beëindiging van het huwelijk de helft van het ouderdomspensioen van de man toegekend. Ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand was de vrouw 42 jaar. Zij had toen de zorg voor de minderjarige dochter van partijen, [naam kind], die destijds 12 jaar oud was. De vrouw beschikt over een eerstegraads onderwijsbevoegdheid. Zij is van 1992 tot 1996 als [baan] aan de Hogeschool voor de Kunsten te [plaats] verbonden geweest. De dochter heeft het ouderlijk huis in augustus 1998, op 18-jarige leeftijd, verlaten. Van 1998 tot 2002 is de vrouw als freelance docente verbonden geweest aan de Stichting [naam]. De vrouw volgt sinds 2000 in deeltijd [naam studie] aan de [naam universiteit]. Naar verwachting zal de vrouw deze studie in juni 2008 afronden.

3.5 De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarbij heeft de rechtbank alle relevante omstandigheden van het geval, zowel aan de zijde van de man als de vrouw, in aanmerking genomen en in onderling verband gewogen Zoals hiervoor vermeld heeft de vrouw ten tijde van het huwelijk een opleiding tot docente gevolgd, heeft zij buitenshuis uiteenlopende werkzaamheden verricht en heeft zij een eigen [naam praktijk] opgezet. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 42 jaar en had zij de dagelijkse zorg voor de twaalfjarige, schoolgaande dochter. Na de echtscheiding heeft zij werkzaamheden verricht als docente en heeft zij haar [naam praktijk] voortgezet. Daarom kan niet worden gezegd dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk en de opvoeding van de dochter zodanig is aangetast, dat er voor haar ten tijde van de ontbinding van het huwelijk en in de periode nadien geen of nauwelijks meer mogelijkheden waren om aan het arbeidsproces deel te nemen. Van de vrouw had - mede gelet op het feit dat voor haar voorzienbaar was dat er op enig moment om beëindiging van de partnerbijdrage zou worden gevraagd - mogen worden verwacht dat zij, op het moment dat bleek dat haar [naam praktijk] bij voortduring onvoldoende inkomsten genereerde, had gesolliciteerd naar andere functies (al dan niet buiten de sector waarin zij al werkzaam was), teneinde in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Voorts is van belang dat aan de vrouw een deel van het ouderdomspensioen van de man is toegekend.Dat de man thans een ander gezin moet onderhouden wordt door de rechtbank in haar afweging betrokken. Nu de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd en zich op het standpunt heeft gesteld dat hij op dit moment nog partneralimentatie kan betalen, acht de rechtbank de huidige financiële situatie van de man niet in de weg staan aan een gefaseerde afbouwregeling van de alimentatieplicht. Dat de man nog aangevoerd heeft dat zijn uitkering op termijn beëindigd zal worden, kan dit oordeel niet anders laten uitvallen.

3.6 Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat in dit geval in beginsel de verplichting tot betaling van de partnerbijdrage dient te worden beëindigd. De redelijkheid en billijkheid brengt mee dat voor de man uitzicht op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting komt. Nu de vrouw door de beëindiging van de partnerbijdrage op een aanzienlijk lager inkomen wordt teruggeworpen en de man zijn draagkracht niet ter discussie heeft gesteld, zal de rechtbank de vrouw echter nog gedurende een periode van twee jaar in de gelegenheid stellen om zich voor te bereiden op de beëindiging van de partnerbijdrage. Aldus heeft de vrouw nog enige tijd om na afronding van haar studie [naam studie] - welke studie volgens de vrouw haar positie op de arbeidsmarkt versterkt - te trachten een baan te vinden waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarom stelt de rechtbank de volgende gefaseerde afbouwregeling vast: de partnerbijdrage bedraagt met ingang van 1 maart 2008 tot 1 maart 2009 € 400 per maand en met ingang van 1 maart 2009 tot 1 maart 2010 € 250 per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering. De onderhoudsverplichting van de man wordt met ingang van 1 maart 2010 beëindigd. Na ommekomst van deze termijn is geen verlenging mogelijk. De rechtbank zal als hierna vermeld beslissen.

3.7 Voorts verzoekt de man de tot op heden ontstane achterstand in zijn betalingsverplichting - in verband met de omstandigheid dat de man met instemming van de vrouw de wettelijke indexering vanaf 1 januari 1997 niet langer heeft toegepast - kwijt te schelden, althans voor het verleden de door de man aan de vrouw betaalde partnerbijdrage vast te stellen op het bedrag dat door de man is voldaan. De man verzoekt om dit verzoek aldus te lezen dat de rechtbank wordt verzocht voor recht te verklaren dat de vrouw op en na 1 januari 1997 afstand heeft gedaan van het recht op de wettelijke indexering, zodat de door de man aan de vrouw verschuldigde aanvullende partnerbijdrage sedertdien € 665,44 bruto per maand bedraagt, althans (subsidiair) voor recht te verklaren dat de vrouw in redelijkheid niet langer een aanspraak op de wettelijke indexering over de afgelopen vijf jaar toekomt, althans (meer subsidiair) voor het verleden de door de man aan de vrouw verschuldigde partnerbijdrage vast te stellen op het bedrag dat door de man is voldaan.

3.8 De man legt aan dit verzoek ten grondslag dat hij aanvankelijk gedurende drie jaar de wettelijke indexering heeft toegepast, dat partijen hebben afgesproken om met ingang van 1 januari 1997 de wettelijke indexering niet langer toe te passen, dat de vrouw hiervan gedurende tien jaar geen punt heeft maakt en dat de vrouw bij brief van 3 december 2006 heeft bevestigd dat zij bewust geen (verdere) aanspraak heeft gemaakt op het recht van indexering. Het door de vrouw in deze brief gemaakte voorbehoud ten aanzien van het te gelde maken van het recht op indexering heeft geen vervolg gekregen. Bij schrijven van de advocaat van de vrouw van 19 maart 2008 wordt voor de eerste maal aanspraak gemaakt op de wettelijke indexering over de afgelopen vijf jaar. Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw op en na 1 januari 1997 bewust afstand gedaan van het recht op wettelijke indexering.

3.9 De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dit verzoek. Van enige instemming van de vrouw is geen sprake. De vrouw heeft in haar brief van 12 maart 2006 laten weten dat zij zich het recht voorbehoudt om de niet betaalde indexering alsnog op te eisen. De vrouw heeft derhalve nimmer afstand gedaan.

3.10 De rechtbank overweegt dat de man – tegenover betwisting door de vrouw – niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen hebben afgesproken om met ingang van 1 januari 1997 de wettelijke indexering niet langer toe te passen. Nu enkel tijdsverloop onvoldoende grond vormt om aan te nemen dat de vrouw van haar, van rechtswege ontstane, recht op indexering afstand zou hebben gedaan, zal dit verzoek van de man worden afgewezen.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van het hierboven genoemde arrest van het gerechtshof te Arnhem van 30 november 1993 dat de man met ingang van 1 maart 2008 als volgt telkens bij vooruitbetaling zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:

- met ingang van 1 maart 2008 tot 1 maart 2009: € 400 per maand;

- met ingang van 1 maart 2009 tot 1 maart 2010: € 250 per maand.

4.2 Bepaalt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 maart 2010 zal zijn beëindigd.

4.3 Bepaalt dat na ommekomst van deze termijn geen verdere verlenging meer mogelijk is.

4.4 Bepaalt dat op de hiervoor met ingang van 1 maart 2008 en 1 maart 2009 vastgestelde bijdragen de wettelijke indexering niet van toepassing is.

4.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Meulman, griffier, op 22 juli 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.