Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG0865

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
147264-08-2157
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Man wil geen omgangsregeling met dochter. Berekening kinderalimentatie / stiefkind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

voorlopige voorzieningen

zaak-/rekestnr.: 147264/08-2157

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 juli 2008

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te Purmerend,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur: mr. I.M. Sinnige,

-- tegen --

[naam man],

wonende te Purmerend,

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. C.W.M. Neefjes.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 18 juni 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift van de vrouw;

- de faxbrief, met bijlagen, van de procureur van de man van 27 juni 2008;

- de faxbrief, met bijlage, van de procureur van de vrouw van 30 juni 2008;

- de brief, met bijlagen, van de procureur van de man van 4 juli 2008;

- de faxbrief van de procureur van de vrouw van 7 juli 2008;

en het verhandelde ter terechtzitting op 1 juli 2008 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

2 Beoordeling

Toevertrouwing minderjarigen

2.1 Nu de man tegen de verzochte voorlopige voorziening met betrekking tot de toevertrouwing van het minderjarige kind van partijen, [naam kind], geboren op [datum] 2007 te [plaats], geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek in zoverre worden toegewezen, aangezien dit de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt.

2.2 De vrouw verzoekt voorts om toevertrouwing aan haar van de minderjarige [naam kind 2], geboren op [datum] 1996 te [plaats]. Ingevolge artikel 822 lid 1 onder c Rv kan de rechter bij beschikking voor de duur van het geding bepalen aan wie van de echtgenoten ieder minderjarige kind van de echtgenoten tezamen zal worden toevertrouwd. Nu [naam kind 2] geen kind van de echtgenoten tezamen is en de opsomming in artikel 822 Rv als limitatief is aan te merken, zal het verzoek van de vrouw in zoverre worden afgewezen.

Omgang

2.3 De vrouw verzoekt om vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [naam kind], waarbij omgang plaatsvindt een weekeinde per veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagmiddag, althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De man verzet zich tegen toewijzing van dit verzoek.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [naam kind]. Gezag houdt voor een ouder onder meer de verplichting in zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. De man heeft daarom niet alleen recht op omgang met [naam kind], maar tevens de verplichting haar te verzorgen en op te voeden. De vaststelling van een omgangsregeling kan worden gezien als een invulling van de zorgplicht van de man. Zoals de rechtbank ter zitting heeft benadrukt staat de omstandigheid dat de man op dit moment sterke negatieve gevoelens ten aanzien van de vrouw koestert er niet zonder meer aan in de weg dat te eniger tijd een omgangsregeling tussen hem en [naam kind] zal (kunnen) worden vastgesteld. Aangezien de man zich ter zitting zeer negatief heeft uitgelaten over de vrouw - hij heeft aangegeven dat hij zich misleid voelt met betrekking tot de beweegredenen van de vrouw tot het aangaan van het huwelijk en de geboorte van [naam kind] - acht de rechtbank het evenwel in het kader van de voorlopige voorzieningen niet in het belang van de minderjarige om een omgangsregeling als door de vrouw verzocht vast te stellen. Het verzoek zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

Kinder- en partnerbijdrage

2.5 De vrouw verzoekt om toekenning van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam kind] en [naam kind 2] van € 500 per maand per kind. Voorts verzoekt zij om toekenning van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.343 per maand. De man voert verweer tegen toewijzing van dit verzoek. Hij betwist de behoefte van de vrouw en stelt dat, gelet op de korte duur van het huwelijk, de behoefte van de vrouw niet moet worden berekend op basis van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan.

2.6 Met betrekking tot het verzoek om vaststelling van een kinderbijdrage ten behoeve van [naam kind 2] overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1:395 BW is een stiefouder alleen verplicht gedurende zijn huwelijk levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot. Indien de samenwoning tussen stiefouder enerzijds en echtgenoot en kind(eren) anderzijds feitelijk wordt verbroken betekent dit het einde van de onderhoudsplicht. In het kader van de voorlopige voorzieningen kan dan geen onderhoudsbijdrage meer aan de stiefouder worden opgelegd.

Weliswaar is [naam kind 2] een stiefkind van de man en heeft zij in elk geval tot de datum dat de man het gezin verliet behoord tot het (uit de man, de vrouw, [naam kind] en [naam kind 2] bestaande) gezin van de man, maar, nu de samenwoning tussen partijen feitelijk is verbroken en naar het zich laat aanzien definitief verbroken is en [naam kind 2] bij de vrouw is gebleven, kan niet worden gezegd dat zij nog tot het gezin van de man behoort en dient het verzoek in zoverre te worden afgewezen.

2.7 Bij het bepalen van de behoefte aan de gevraagde kinderbijdrage ten behoeve van [naam kind] neemt de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het uiteengaan van partijen als uitgangspunt. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de ten tijde van de samenleving van partijen aan de onderneming van de man ([naam bedrijf] (eenmanszaak)), ten behoeve van de huishouding onttrokken bedragen. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij € 3.000 per maand aan de onderneming heeft onttrokken en de vrouw ten tijde van het huwelijk geen inkomen had, gaat de rechtbank in het kader van de voorlopige voorziening uit van voornoemd bedrag als netto besteedbaar gezinsinkomen.

2.8 Aangezien de ten tijde van het uiteengaan van partijen werkelijk gemaakte kosten van de kinderen mede verband houden met het aantal tot het gezin behorende kinderen, zal bij de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [naam kind] rekening worden gehouden met het feit dat twee kinderen, [naam kind] en [naam kind 2], van het gezin deel uitmaakten. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [naam kind] dient, gelet op de gebruikelijke normen, te worden gesteld op € 335 per maand. Bij het vaststellen van de hoogte van ieders aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat beide ouders naar verhouding van hun draagkracht in deze kosten dienen te voorzien. Gelet op het feit dat de vrouw geen inkomen heeft, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van [naam kind], voor zover de draagkracht van de man dat toelaat, geheel voor zijn rekening dienen te komen.

2.9 De rechtbank relateert de behoefte van de vrouw aan het hiervoor vermelde netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk (€ 3.000). De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van de voorlopige voorzieningen, gelet op de door de man gestelde korte duur van het huwelijk en de door de hem gestelde oneigenlijke beweegredenen van de vrouw, van een ander uitgangspunt uit te gaan. Op het netto besteedbaar gezinsinkomen komen de kosten van de minderjarige van in totaal € 335 per maand in mindering. Dan resteert € 2.665 per maand ter besteding voor de man en de vrouw. Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten meebrengt, acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de vrouw op 60% van het resterende bedrag te bepalen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.600 netto per maand. De door de vrouw verzochte bijdrage overstijgt haar behoefte niet.

2.10 De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de man in staat is om de gevraagde bijdrage van € 500 per maand aan kinderbijdrage en € 1.343 per maand aan partnerbijdrage te voldoen. Bij de beoordeling van de draagkracht is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man het gemiddelde van de winst uit de onderneming van de man over de jaren 2006 (€ 67.529) en 2007 (€ 81.991) en de te verwachten winst over het jaar 2008. De te verwachten winst uit onderneming over het jaar 2008 (€ 64.508) is berekend op grond van de werkelijke winst over het eerste kwartaal van 2008. Het bedrijfsresultaat over voormelde jaren bedraagt gemiddeld € 71.342.

De rechtbank houdt voorts op jaarbasis rekening met de volgende bijtellingen of aftrekposten:

- de zelfstandigenaftrek van € 4.412;

- de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 15.456;

- de bijtelling eigen-woningforfait van € 1.500.

Verder rekent de rechtbank met de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Bovendien worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- de hypotheekrente na aftrek van te realiseren fiscaal voordeel;

- de aan de hypotheek gekoppelde aflossing/premie levensverzekering van € 248;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95;

- de op aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet van € 133 per maand;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 120, waarvan € 54 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm en een verplicht eigen risico van € 150 per jaar;

- de door de man aan zijn ex-partner betaalde alimentatie, inclusief aflossing, van € 500 per maand.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening gehouden met de door de man opgevoerde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 350 per maand, aangezien de man - tegenover de betwisting door de vrouw - niet heeft aangetoond dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van 60.

2.11 Op grond van bovenstaande gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met fiscale effecten acht de rechtbank de man in staat tot betaling van de hierna te vermelden bijdragen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Bepaalt dat de minderjarige [naam]:

- [naam kind], geboren op [datum] 2007 te [plaats],

aan de vrouw wordt toevertrouwd, met bevel tot afgifte van dit kind indien zij niet reeds in de macht van de vrouw mocht zijn.

3.2 Bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige op € 335 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3 Bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 1.040 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 Wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 15 juli 2008, in tegenwoordigheid van mr. L. Meulman als griffier.