Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BG0583

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-10-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
AWB 08/3580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening bij echtscheiding.

Onder “aanspraak heeft gemaakt of had kunnen maken op een recht op verevening” in artikel 2, tweede lid, van de Regeling dienen niet te worden begrepen personen waarbij geen pensioenverevening heeft plaatsgevonden omdat het te verevenen deel het drempelbedrag van artikel 3, derde lid, Wet VPS niet te boven ging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 3580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2008

in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor de eenmalige uitkering op basis van de "Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening bij echtscheiding" (hierna: de Regeling) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 december 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 februari 2008, aangevuld bij brieven van 21 mei 2008 en 3 juli 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 augustus 2008. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.S. van der Nes.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is op 24 november 1955 gehuwd. Eiseres heeft twee kinderen gekregen. Vanaf 24 november 1975 zijn eiseres en haar echtgenoot van tafel en bed gescheiden, en op 29 maart 1977 is hun huwelijk ontbonden. Op 26 november 2007 heeft eiseres verzocht om een eenmalige uitkering op grond van de Regeling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres aanspraak heeft kunnen maken op een deel van het pensioen van haar ex-partner middels de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wet VPS). Eiseres is namelijk langer dan 18 jaar gehuwd is geweest en tijdens het huwelijk had zij met haar ex-partner een minderjarig kind. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

2.2 Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij heeft aangevoerd dat het besluit onrechtvaardig is, omdat zij aan alle voorwaarden van de Regeling voldoet en slechts wordt uitgesloten omdat zij kinderen heeft gekregen en te lang gehuwd is geweest, waardoor zij aanspraak had kunnen maken op de Wet VPS. Zij kan echter geen aanspraak maken op een recht op grond van de Wet VPS omdat haar ex-partner te weinig pensioen heeft opgebouwd. Ook doet zij een beroep op bijzondere omstandigheden. Zij leeft sinds haar scheiding op bijstandsniveau en heeft gezondheidsklachten.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.3 Ingevolge het eerste lid van artikel 2 van de Tijdelijke regeling heeft de persoon recht op een eenmalige tegemoetkoming:

a. die op 1 juli 2007 wordt aangemerkt als ongehuwde pensioengerechtigde in de zin van de Algemene Ouderdomswet;

b. die op 1 juli 2007 ingezetene is;

c. die over het kalenderjaar 2005 een verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, heeft dat minder bedraagt dan twaalf maal 110% van het bruto-ouderdomspensioen dat hoort bij het netto-ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, zesde lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet inclusief de netto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van die wet zoals dat geldt op 1 juli 2005;

d. wiens huwelijk ten minste 6 jaren heeft geduurd; en

e. van wie het huwelijk, bedoeld in onderdeel d, geëindigd is door scheiding waarvan het tijdstip gelegen is voor 27 november 1981.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op de persoon die aanspraak heeft gemaakt of had kunnen maken op een recht op verevening op grond van artikel 12, tweede en derde lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

2.4 Ingevolge het eerste lid van artikel 12 van de Wet VPS is deze wet niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. In het tweede lid is bepaald dat deze wet niettemin van overeenkomstige toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren van de echtgenoten te zamen of van één van hen, en met dien verstande dat het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten worden uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is voor zover reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had opgebouwd. Het derde lid van artikel 12 van de Wet VPS bepaalt dat een recht op verevening op grond van het tweede lid slechts ontstaat indien binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet een mededeling bij het pensioenfonds wordt gedaan.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een persoon is als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Regeling en dat zij om die reden geen recht heeft op een eenmalige tegemoetkoming. Overigens voldoet eiseres aan de in artikel 2, eerste lid, van de Regeling opgenomen voorwaarden.

2.6 Eiseres heeft een brief overgelegd van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie (verder: het bedrijfspensioenfonds) van 31 maart 1995 waarin het volgende is opgenomen:

"Wij ontvingen uw aanvraagformulier, d.d. 15 maart 1995, waarin u verzoekt om uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van uw ex-echtgenoot op grond van artikel 12 lid 2 van de Wet pensioenverevening bij scheiding.

In de Wet pensioenverevening bij scheiding is bepaald dat om voor verevening in aanmerking te komen, het aan u toekomende deel meer dan f 616,86 per jaar dient te bedragen. Beneden dit bedrag heeft u geen recht op verevening.

Uw ex-echtgenoot heeft tijdens uw huwelijk een jaarlijks pensioen van in ons pensioenfonds opgebouwd dat lager is dan f 2.467,44. Het aan u toekomende deel hiervan (een kwart) is dus lager dan f 616,86. Daarom kunt u aan de nieuwe wet geen recht op uitbetaling van het pensioen van uw ex-echtgenoot ontlenen. Wij kunnen derhalve niet aan uw verzoek voldoen."

2.7 Aangenomen moet worden dat deze afwijzing van het bedrijfspensioenfonds berust op artikel 3, derde lid, van de Wet VPS. Artikel 3, derde lid, van deze wet bepaalt dat een pensioen niet wordt verevend, indien op het tijdstip van scheiding het deel van het pensioen, waarop recht op uitbetaling ontstaat, het in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet genoemde bedrag niet te boven gaat.

2.8 De rechtbank dient te beoordelen of eiseres, die is geconfronteerd met een afwijzing van haar verzoek om pensioenverevening, valt onder de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling bedoelde personen.

2.9 In de toelichting op de Regeling is over de bedoeling van de Regeling onder meer het volgende opgenomen:

"Met de onderhavige regeling wordt tegemoet gekomen aan de door de Tweede Kamer geuite wens een regeling te treffen voor een groep mensen, die gescheiden is voor 27 november 1981 en geen gebruik kan maken van de Wet pensioenverevening bij scheiding (...). De regeling strekt ertoe tegemoet te komen aan de gevoelens van onrecht als gevolg van het ontbreken van een recht op een deel van het opgebouwde pensioen van de ex-partner."

Met betrekking tot artikel 2, tweede lid van de Regeling merkt de toelichting op:

"Bijkomende voorwaarde is dat de persoenen die aanspraak hadden kunnen maken op een recht op verevening op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding geen aanspraak hebben op een eenmalige tegemoetkoming op basis van deze regeling."

2.10 In een bijlage bij een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 oktober 2006 heeft de Minister aangegeven op welke wijze vorm kan worden gegeven aan de door de Tweede Kamer gewenste regeling voor een regeling voor vrouwen die zijn gescheiden voor 27 november 1981 en die om die reden geen gebruik hebben kunnen maken van de Wet VPS. In deze bijlage merkt de Minister op: "Tenslotte ligt het voor de hand om personen, die onder het overgangsrecht vallen (artikel 12 Wet VPS) uit te sluiten van een regeling. Voor hen is de verevening van pensioenrechten afdoende geregeld."

Verder geeft de Minister aan dat er zich bij een regeling diverse neveneffecten kunnen voordoen. Een van de neveneffecten die de Minister noemt is: "Alleenstaande gepensioneerden wier ex-partner geen of een gering aanvullend pensioen heeft opgebouwd en die dus feitelijk geen pensioenschade heeft geleden, krijgen toch een compensatie."

2.11 Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van de Regeling alsmede uit de toelichting op de Regeling kan niet worden opgemaakt dat is stilgestaan bij de positie van een persoon die voor 27 november 1981 is gescheiden, die voldoet aan de voorwaarden van het overgangsrecht van artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS, maar die niet aanmerking komt voor pensioenverevening omdat het deel van het pensioen waar recht op bestaat ligt beneden het drempelbedrag van artikel 3, derde lid van die wet.

2.12 Nu de parlementaire geschiedenis en de toelichting geen directe aanknopingspunten bieden voor een uitleg van artikel 2, tweede lid, van de Regeling in een situatie als die van eiseres, dient de rechtbank deze bepaling uit te leggen met inachtneming van wat hiervoor onder 2.9 en 2.10 met betrekking tot de achtergrond van de Regeling is geciteerd. De vraag is of onder de woorden "aanspraak heeft gemaakt of had kunnen maken op een recht op verevening" als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling moet worden begrepen de situatie van eiseres waarin geen recht op verevening bestaat, omdat het te verevenen pensioen het drempelbedrag niet overschrijdt.

2.13 De rechtbank beantwoordt de hiervoor onder 2.12 geformuleerde vraag ontkennend.

2.14 Vooropgesteld moet worden dat vast staat dat eiseres pensioenschade heeft geleden. Uit de onder 2.6 weergegeven brief van het pensioenfonds kan worden opgemaakt dat de ex-echtgenoot bij dit pensioenfonds pensioen had opgebouwd, maar dat dit pensioen te gering was om op grond van de Wet VPS te kunnen verevenen. Niet uitgesloten is dat het te verevenen deel beneden het drempelbedrag van artikel 3, derde lid Wet VPS bleef, omdat eiseres als 'overgangsrechtgeval' op grond van artikel 12, tweede lid, Wet VPS slechts aanspraak had op één vierde deel van het pensioen van haar ex-echtgenoot, waar voor scheidingen die na 27 november 1981 ofwel op basis van de jurisprudentie of wel op basis van de Wet VPS aanspraak bestaat op de helft van het pensioen van de ex-echtgenoot. Of dit in het geval van eiseres inderdaad aan de hand is geweest blijkt niet uit de brief van het pensioenfonds en valt nu niet meer na te gaan. Mocht het zo zijn dat geen pensioenverevening heeft plaatsgevonden omdat het drempelbedrag niet werd overschreden doordat eiseres slechts aanspraak had op één vierde deel van het pensioen van haar ex-echtgenoot en niet op de helft, dan zou het zeer wrang zijn dat zij niet in aanmerking zou komen voor de eenmalige tegemoetkoming. Dan zou haar immers een eenmalige tegemoetkoming worden onthouden omdat zij aanspraken heeft op grond van het overgangsrecht van de Wet VPS die echter niet tot uitbetaling zijn gekomen, omdat dit overgangsrecht haar slechts een gedeeltelijk recht op verevening geeft.

2.15 De tekst van artikel 3, derde lid, Wet VPS in combinatie met de tekst van artikel 2, tweede lid van de Regeling wijst erop dat een persoon waarbij met toepassing van artikel 3, derde lid, Wet VPS geen pensioenverevening heeft plaatsgevonden, niet valt onder het bereik van artikel 2, tweede lid van de Regeling. Artikel 3, derde lid, Wet VPS bepaalt immers dat een pensioen niet wordt verevend indien het deel van pensioen waarop recht op uitbetaling bestaat het drempelbedrag niet te boven gaat. Uit deze tekst volgt dat er bij toepassing van artikel 3, derde lid, Wet VPS geen recht is op verevening. In geval van toepassing van artikel 3, derde lid, Wet VPS is dus geen sprake van een persoon die "aanspraak heeft gemaakt of had kunnen maken op een recht op verevening" als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling. Indien het pensioen niet is verevend op grond van artikel 3, derde lid Wet VPS, heeft er geen recht op verevening bestaan.

2.16 Ook de totstandkoming en de achtergrond van de Regeling wijzen erop dat een persoon waarbij met toepassing van artikel 3, derde lid, Wet VPS geen pensioenverevening heeft plaatsgevonden, niet valt onder het bereik van artikel 2, tweede lid van de Regeling. Volgens de onder 2.9 weergegeven toelichting op de Regeling strekt de regeling ertoe tegemoet te komen aan de gevoelens van onrecht als gevolg van het ontbreken van een recht op een deel van het opgebouwde pensioen van de ex-partner. Van dit laatste is in het geval van eiseres sprake. Het staat vast dat zij geen recht heeft op een deel van het door haar ex-partner opgebouwde pensioen. Zo bezien beantwoordt de situatie van eiseres aan de strekking van de Regeling.

2.17 Uit hetgeen is weergegeven onder 2.10 blijkt dat de Minister zich heeft gerealiseerd dat de Regeling dermate grofmazig is dat ook personen die geen pensioenschade hebben geleden toch aanspraak kunnen hebben op een eenmalige tegemoetkoming. Dat is een terechte constatering van de Minister want personen waarvan de ex-partner in het geheel geen pensioen heeft opgebouwd, komen, als zij aan de overige voorwaarden voldoen, in aanmerking voor een eenmalige uitkering. Niet aangenomen mag worden dat een wetgever die zich hiervan bewust was, de bedoeling kan hebben gehad een zodanige regeling te treffen dat personen waarvan vaststaat dat zij wél pensioenschade hebben geleden, níet in aanmerking komen voor een eenmalige uitkering. Een dergelijke uitkomst kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Aangenomen moet dan ook worden dat het de bedoeling is geweest aan de woorden "aanspraak heeft gemaakt of had kunnen maken op een recht op verevening" in artikel 2, tweede lid, van de Regeling een strikte betekenis toe te kennen in die zin dat daar niet onder worden begrepen personen waarbij geen pensioenverevening heeft plaatsgevonden omdat het te verevenen deel het drempelbedrag van artikel 3, derde lid, Wet VPS niet te boven ging.

2.18 De conclusie is dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling niet in aanmerking komt voor een eenmalige tegemoetkoming. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat niet in geschil is dat eiseres overigens aan de voorwaarden voor een eenmalige tegemoetkoming voldoet, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat verweerder eiseres een eenmalige tegemoetkoming toekent alsmede dat deze beslissing in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verweerder zal worden opgedragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 7 februari 2008;

3.3 herroept het besluit van 6 december 2007 en bepaalt dat verweerder aan eiseres een eenmalige tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening toekent;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 gelast dat de Sociale Verzekeringsbank het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, en op 13 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.