Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF8940

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-05-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
06/2029, 06/2031 en 06/2033
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Nu in september 1999 een kto wordt uitgebouwd, moet er van uit worden gegaan dat in de voorgaande periode een kto aanwezig is geweest. Er is onvoldoende om te concluderen dat na deze datum een kto in de auto aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/7.20 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2029, 2031 en 2033

Uitspraakdatum: 12 mei 2008

Uitspraak in het geding tussen:

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan eiser is voor het jaar 1998 een navorderings¬aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 1.823 en een boete van 50% van het nagevorderde bedrag.

1.2. Aan eiser is voor het jaar 1999 een navorderings¬aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 1.780 en een boete van 50% van het nagevorderde bedrag.

1.3. Aan eiser is voor het jaar 2000 een navorderings¬aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 28 en een boete van 50% van het nagevorderde bedrag.

1.4. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar ingediend. Verweerder heeft in de bestreden uitspraken de navorderingsaanslagen gehandhaafd maar de boetes verminderd tot 25% van het nagevorderde bedrag.

1.5. Eiser is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

1.6. Bij het onderzoek ter zitting van 18 april 2008 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eiser, tot bijstand vergezeld van zijn gemachtigde A, alsmede verweerder, tot bijstand vergezeld van B.

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. Ter zitting zijn de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder nummers AWB 06/2030, 06/2032 en 06/2034 t/m 06/2038 gelijktijdig behandeld.

2. Feiten

2.1. Eiser is taxichauffeur te Z. Voor zijn onderneming beschikt hij in het onderhavige jaar over een Ford Scorpio ’98 met kenteken AA-BB-00 (hierna: de auto). In het kader van de werkzaamheden als taxichauffeur is aan eiser het taxinummer [taxinummer 0] toegekend.

In de onderhavige jaren deelt eiser de auto met C die samen met eiser afwisselend taxidiensten rijdt.

2.2. Bij eiser is in het najaar van 2003 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport is, voor zover hier van belang, onder punt 3.2 vermeld:

Uit aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken AA-BB-00 een kilometertelleronderbreker is ingebouwd. Als de kilometertelleronderbreker tijdens het rijden is ingeschakeld blijven de kilometerteller, de snelheidsmeter en de dagteller normaal doorlopen. Pas na afloop van het gebruik van de onderbreker springt de kilometerstand terug naar de beginstand bij het inschakelen van de onderbreker. (…).

Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd.

2.3. In diverse door verweerder overgelegde processen-verbaal van de Rijksverkeersinspectie wordt door taxichauffeurs verklaard dat een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) in hun taxi is ingebouwd en dat dit bij 90 % van de Z taxi’s het geval is.

2.4. Tot de gedingstukken behoren kopieën van bladzijden uit de bedrijfsagenda van Taxameter inbouw- en reparatiebedrijf D (hierna: D).

Op de bladzijde van dinsdag 14 september 1999 staat - voor zover hier van belang - vermeld:

“[taxinummer 0] uitb div scorpio ‘98”

op de regel erboven staat vermeld:

“[cijfercombinatie 1] [merk] 06[nummer]”

en tussen beide afspraken in staat vermeld:

“inb”

2.5. In de door verweerder overgelegde processen-verbaal van FIOD vestiging Q en regiopolitie [regio] in verband met onderzoek naar mogelijke fraude binnen de taxibranche is door de eigenaar en medewerkers van het bedrijf dat zich bezighield met het inbouwen van taxameters onder meer verklaard:

“De omzet van de kilometertelleronderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of

diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometertelleronderbrekers kochten zich

niet bekend wilde maken of wilde worden...

(...)

Door (...) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometer¬onder¬brekers per week ingebouwd. Zeker weten doe ik dit niet. Het kunnen er ook meer geweest zijn. In ieder geval minder dan zeven zullen het er in ieder geval niet geweest zijn.

(…)

Uit het onderzoek ingesteld naar de administratie, zoals afsprakenagenda’s en facturen, van (---) over de jaren 1999 en 2000 is naar voren gekomen dat een afspraak voor de inbouw van een kilometertelleronderbreker in de afsprakenagenda van (---) werd geboekt onder de term “diverse”. In een later stadium werd de inbouw van kilometertelleronderbrekers veelal met geel gearceerd. Omdat men bang was dat dit op zou vallen, zijn er na verloop van tijd ook andere afspraken met geel gearceerd.

(…)

verklaart op 5 december 2000 over het boeken van afspraken met betrekking tot de inbouw van kilometertelleronderbrekers (pv-code V04/01): “Dit gebeurde onder andere onder de post diversen..”

en op 23 februari 2001 verklaart (---) hieromtrent (pv-code V04/04): “De omzet van de kilometerteller-onderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometeronderbrekers kochten zich niet bekend wilde maken of wilde worden...” en: “Uit de door u getoonde agenda’s is heel moeilijk vast te stellen wat betrekking heeft op de verzwegen omzet. Dit zou dan moeten gebeuren aan de hand van de uitgeschreven bonnen. Zoals al eerder heb verklaard is de omzet alleen te halen uit de administratie vermeld onder het hoofd Diversen...”

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of is gebleken dat de auto voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, van welk antwoord afhangt of verweerder de bijtelling wegens privé-gebruik van de auto terecht heeft toegepast. Voorts is in geschil of de boete terecht is opgelegd.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding alsmede naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat - indien het standpunt van de Inspecteur moet worden gevolgd dat terecht een correctie wegens privé-gebruik is toegepast - het belastbaar inkomen van eiser (na halvering van de aanvankelijk toegepaste bijtelling van 20% naar een bijtelling van 10% in verband met het gebruik van de auto door een tweede chauffeur) het belastbaar inkomen nader moet worden vastgesteld op fl. 11.026 voor het jaar 1998, fl. 11.893 voor het jaar 1999 en fl. 3.584 voor het jaar 2000.

3.4. Verweerder heeft ter zitting de toezegging gedaan dat, op het moment dat de met de onderhavige navorderingsaanslagen samenhangende naheffingsaanslagen omzetbelasting, motorrijtuigbelasting en belasting van personenauto’s en motorrijwielen onherroepelijk zijn geworden, deze aanslagen alsnog ambtshalve in mindering worden gebracht op de belastbare inkomens van de desbetreffende jaren. Gemachtigde heeft vervolgens dit onderdeel van het beroep laten vallen.

3.5. Ter zitting heeft gemachtigde, na de toezegging van verweerder dat hij de desbetreffende navorderingsaanslagen op overeenkomstige wijze ambtshalve zal verminderen indien eiser ten aanzien van de onderhavige navorderingsaanslagen - in laatste ressort - geheel of gedeeltelijk in het gelijk zal worden gesteld, de volgende beroepen ingetrokken:

- wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen 1998, AWB 06/2030;

- wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen 1999, AWB 06/2032;

- premie Ziekenfondswet zelfstandigen 2000, AWB 06/2034.

In deze beroepen is geen griffierecht geheven.

3.6. Eiser concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraken, de navorderings¬aanslagen en de boetebeschikkingen, en subsidiair tot vermindering van de belastbare inkomens tot de bedragen als onder 3.3 omschreven.

Verweerder concludeert ter zitting tot vernietiging van de uitspraken en vermindering van de navorderingsaanslagen tot de bedragen als onder 3.3 omschreven en voorts (vanwege het tijdsverloop sedert de aankondiging van de boete) tot verdere vermindering van de boetes met 10% tot 22,5% van de nagevorderde bedragen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna de Wet IB 1964), voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“2. Bij het bepalen van winst uit onderneming worden de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot het bedrag van ten minste 20 percent van de catalogusprijs –met inbegrip van de omzetbelasting en vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen- van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming.

(...)

5. Het tweede tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.”

4.2. De rechtbank stelt voorop dat, indien eiser stelt dat de auto voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, de (zware) bewijslast daarvan op hem rust.

4.3. Verweerder heeft de kilometeradministratie van eiser verworpen, er van uitgaande dat in de auto een kto is aangebracht. De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.

Kilometertelleronderbreker

4.4. Na afweging van de verklaring van eiser tegen het door verweerder ingebrachte bewijs komt de rechtbank tot de conclusie dat het aan de stukken te ontlenen vermoeden dat een kto is ingebouwd, door eiser onvoldoende is weersproken.

De omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid zijn de volgende:

- Zoals onder 2.3. beschreven hebben taxichauffeurs verklaard dat in en omstreeks 1997 op ruime schaal kto’s zijn ingebouwd in taxi’s die in Z rijden. Uit de onder 2.6. vermelde door de eigenaar en medewerkers van het taxameterinbouw¬bedrijf afgelegde verklaringen blijkt dat het vanaf 1997 tot de gebruikelijke werkzaamheden van D behoorde om naast taxameters kto’s in te bouwen en deze werkzaamheden in de agenda en de administratie te noteren onder de aanduiding ‘Diversen’.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 20 februari 2008 waarin eveneens wordt geoordeeld de aanduiding ‘diversen’ in de werkplaatsagenda van D het vermoeden rechtvaardigt dat in de auto van eiser een kto moet worden ingebouwd.

- De vermelding in de agenda van D van de op dinsdag 14 september 1999 te verrichten werkzaamheden:

“[taxinummer 0] uitb div scorpio ‘98”

Anders dan verweerder is de rechtbank niet van oordeel dat de vermelding ‘inb’ noodzakelijkerwijs ziet op het inbouwen van een kto in de auto. Deze vermelding, geplaatst tussen twee afspraken in, kan evenzeer zien op het inbouwen van een apparaat in een personenauto die is aangeduid met de cijfercombinatie [cijfercombinatie 1].

Echter, de rechtbank is wel met verweerder van oordeel dat de aantekening ‘div’ in de agenda van D ziet op het uitbouwen van een kto uit de auto van eiser.

4.5. Nu er in september 1999 een kto wordt uitgebouwd, moet er (gelijk verweerder stelt) er van uit worden gegaan dat in de voorgaande periode, zijnde het jaar 1998 en het jaar 1999 tot 14 september 1999, een kto in de auto aanwezig is geweest.

De rechtbank acht - gelet op het inbouwen van een kto en de met deze inbouw gepaard gaande kosten ten tijde van de aankoop van de onderhavige auto en ingebruikname als taxi - het voorts aannemelijk en gaat er van uit dat de kto na inbouw is gebruikt om een deel van de door de auto verreden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren.

4.6. Eiser heeft zijn omzet verantwoord op basis van zijn aantekeningen op de door hem per rit bijgehouden rittenkaarten. Op de rittenkaart staan vermeld de diverse ritten met de daarbij gerealiseerde omzet, alsmede de begin- en eindstand van de kilometerteller van de auto.

Een dergelijke wijze van administreren van de verreden kilometers is reeds daarom onvoldoende voor het leveren van bewijs dat de auto in 1998 en 1999 niet of voor minder dan 1000 kilometer is gebruikt voor privé-doeleinden, nu aan de stand van de kilometerteller geen waarde kan worden gehecht door de manipulatie met de kto.

De stelling van verweerder dat de stand van kilometerteller niet of slechts beperkt is aan te sluiten op registratie door derden, zoals garagebedrijven, kan dan ook onbesproken blijven.

4.7. Anders dan verweerder meent, kan er niet van worden uitgegaan dat na 14 september 1999 eveneens een kto in de auto aanwezig is geweest. Een aantekening in de agenda van D na 14 september 1999 (zoals de aantekening onder 2.4 beschreven) ontbreekt. Evenmin heeft verweerder anderszins aannemelijk gemaakt dat op andere wijze of bij een ander bedrijf een kto is ingebouwd.

De enkele omstandigheid dat in het onderhavige jaar zich een overeenkomstig foutenpatroon voordoet als in voorgaande jaren, is onvoldoende om te concluderen tot de aanwezigheid van een kto in de auto.

Alsdan gaat de rechtbank er van uit vanaf 14 september 1999 in de auto geen kto aanwezig is geweest.

Nullen taxameter

4.8. Ten aanzien van de stelling van verweerder, dat eiser door het dagelijks nullen van de taxameter en aldus met het niet bewaren van een deel van zijn administratie (in het bijzonder de gegevens zoals vastgelegd door de taxameter) niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), overweegt de rechtbank als volgt.

4.9. In artikel 52 van de AWR is ten aanzien van het bijhouden en bewaren van een administratie bepaald:

1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken.

2. Administratieplichtigen zijn:

a.lichamen;

b.natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen;

(...)

3. Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.

4. Administratieplichtigen zijn verplicht de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

5. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

6. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

4.10. De in de auto ingebouwde taxameter registreert de gedurende een taxirit verreden kilometers en de aan de klant in rekening te brengen prijs. Deze registratie is van buitenaf op de taxameter zichtbaar, hetgeen de klant de gelegenheid geeft de in rekening gebrachte prijs te controleren. De registratie door de taxameter wordt door eiser gebruikt voor het noteren op de rittenkaart van de gemaakte ritten en de daarbij gerealiseerde omzet.

De mogelijkheid bestaat om op ieder gewenst moment, per rit dan wel dagelijks na afloop van een dienst, de door de taxameter geregistreerde gegevens (met behulp van een aan te sluiten printer) af te drukken op een papieren uitdraai. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van een dergelijke printer.

Op de rittenkaart vult eiser naast het voor iedere rit in rekening gebrachte bedrag en de daarbij behorende adresgegevens, ook de stand in van de kilometerteller bij aanvang van de dienst en bij het beëindigen van de dienst. Deze door eiser ingevulde rittenkaarten vormen vervolgens (na totalisering van de daggegevens) de basis van de door eiser, in zijn resultaten¬rekening en bij de belastingaangifte, verantwoorde omzet.

De taxameter voorziet in de mogelijkheid, door het eenvoudigweg indrukken van een knop op de meter, de tot dan toe zichtbaar geregistreerde gegevens te wissen. Dit wordt ook wel aangeduid als het ‘nullen’ van de taxameter, de stand van de meter staat dan weer op ‘nul’. Door het nullen worden de (van buitenaf zichtbaar) geregistreerde gegevens verwijderd.

4.11. Naast het standaard van buitenaf zichtbaar registreren van de verreden kilometers en de in rekening gebrachte rittenprijs, bestaat de mogelijkheid (zo heeft verweerder onweersproken gesteld, onder verwijzing naar de bij het verweerschrift gevoegde kopieën van gebruiksaanwijzingen van diverse merken taxameters) om de door de taxameter geregistreerde gegevens op te laten slaan in een achterliggend intern geheugen.

De mogelijkheid bestaat om de in het intern geheugen opgeslagen gegevens (die ook na het dagelijks nullen bewaard zijn gebleven) af te lezen dan wel (met behulp van een aan te sluiten printer) af te drukken op een papieren uitdraai.

Het registreren van de gegevens op het intern geheugen moet door de gebruiker apart worden ingesteld op de taxameter. Van deze mogelijkheid is - zo begrijpt de rechtbank - geen gebruik gemaakt.

Indien aldus de gegevens van de taxameter in het intern geheugen worden bewaard, voorziet de taxameter nog in de mogelijkheid om deze intern vastgelegde gegevens te wissen. Voor dit wissen is een apart uit te voeren handeling nodig die in het navolgende door de rechtbank zal worden aangeduid als ‘dubbelnullen’, daarbij wordt niet alleen de van buitenaf zichtbare registratie gewist maar worden tevens de intern vastgelegde gegevens gewist.

4.12. Het nullen van de taxameter is te vergelijken met het indrukken van een ‘dagteller’ zoals die wel is aangebracht bij een kilometerteller in een personenauto (een aparte kilome¬terteller die meeloopt met de standaard kilometerteller en door het indrukken van een knop kan worden teruggezet tot nul opdat op eenvoudige wijze de verreden kilometers per dag of per rit kunnen worden afgelezen).

Het dubbelnullen is dan te vergelijken met geheel tot nul terugbrengen van de standaard kilometerteller, een handeling waartoe de normale gebruiker van een personenauto niet in staat is.

Eiser heeft dagelijks na afloop van de dienst de taxameter werd genuld. Eiser heeft verklaard, niets te hebben geweten van het bijhouden van gegevens op het intern geheugen en nimmer is overgegaan tot dubbelnullen.

4.13. Voor een taxionderneming vervult de taxameter dezelfde rol als een kassa in een winkel. Op de taxameter wordt de aan de klant in de rekening te brengen prijs weergegeven die vervolgens door de chauffeur wordt vastgelegd op een rittenkaart.

De ritprijs wordt op mechanische wijze, zonder enig ingrijpen door de chauffeur, op de (verzegelde) taxameter vastgelegd en kan tevens door de cliënt worden afgelezen (die aldus de hem in rekening gebrachte prijs kan controleren) zodat er sprake is van een registratie met een hoog betrouwbaarheidsgehalte.

De taxameter kan desgewenst, zo heeft verweerder onweersproken verklaard, aangesloten worden op een printer, waarmee de klant desgewenst een bonnetje of uitdraai kan worden verstrekt, gelijk ook gebruikelijk is bij de kassa in een winkel.

Alsdan is de taxameter, naar het oordeel van de rechtbank, aan te merken als een tot de administratie van eiser behorende gegevensdrager in de zin van artikel 52 van de AWR. Eiser is op grond van artikel 52, lid 4 en lid 6 van de AWR gehouden deze gegevensdrager (inclusief de daarop vastgelegde gegevens) gedurende zeven jaar en zodanig te bewaren dat controle door de belastingdienst binnen een redelijke termijn mogelijk is.

4.14. Eiser heeft er niet voor gekozen om een printer aan te schaffen, waarmee na iedere rit of dagelijks of (na het standaard door eiser dagelijks nullen, maar dan met behulp van het interne geheugen) een periodieke uitdraai per maand of per jaar had kunnen worden gemaakt waarna de uitdraai toegevoegd had kunnen worden aan de administratie.

Eiser heeft evenmin de door de taxameter geregistreerde gegevens overgebracht op een andere gegevensdrager zoals bedoeld in artikel 52, lid 5 van de AWR.

4.15. Door het dagelijks nullen door eiser van de taxameter is de primaire registratie van verreden kilometers en in rekening gebrachte omzet zoals vast¬gelegd door de taxameter, op geen enkele wijze bewaard is gebleven.

4.16. Door te nullen (waarvan de noodzaak naar het oordeel van de rechtbank niet aanneme¬lijk is gemaakt) en voorts iedere andere vastlegging van de primaire gegevens achterwege te laten door geen uitdraai te maken met behulp van een printer, heeft eiser niet voldaan op de op hem rustende verplichting om de automatisch door de taxameter gegenereerde gegevens te bewaren.

Zulks klemt te meer nu de taxameter, gelet op het gebruik bij het afrekenen met de klant en het belang van de verreden kilometers en in rekening gebrachte ritprijs, en bij gebreke van iedere andere vastlegging van deze primaire gegevens, in een taxi een centrale en cruciale plaats inneemt.

De rechtbank benadrukt in dit verband dat het bij de registratie door de taxameter gaat om het vastleggen van de primaire gegevens, in tegenstelling tot de door eiser ingevulde ritten¬kaart. Op de rittenkaart worden slechts de eerder door de taxameter geregistreerde primaire gegevens met een aparte door eiser uit te voeren handeling op een andere gegevens¬drager genoteerd. Door het nullen van de taxameter is iedere mogelijkheid om de primaire registratie van de taxameter aan te sluiten bij de door eiser ingevulde rittenkaarten (een secundaire registratie) en eventueel de kilometeradministratie, geheel komen te vervallen.

4.17. Nu niet is voldaan aan de verplichtingen zoals geformuleerd in artikel 52 van de AWR zal de rechtbank overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

De rechtbank acht in dit verband van belang dat het in dezen niet gaat om het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 47 van de AWR en de op eiser rustende bewijslast ten aanzien van feitelijke omstandigheden (Hoge Raad van 3 februari 2006, BNB 2006/205) maar om de administratiever¬plichting van artikel 52 van de AWR en de mogelijkheid van verweerder om deze administratie te controleren en desgewenst aan deze administratie informatie te ontlenen.

4.18. De omstandigheden dat de taxameter de verreden kilometers (mede) registreert ten behoeve van de bescherming van de consument (die aldus de gevraagde ritprijs zelf kan controleren) en overigens voldaan is aan de eisen ingevolge de Taxiverordening en het Besluit chauffeursvergunningen, doen aan dit oordeel niet af. Dat in deze verordening en dit besluit een minder vergaande bewaarplicht is opgenomen, staat aan de plicht voor eiser tot het nakomen van het gestelde in artikel 52 van de AWR, niet in de weg.

4.19. Gelet op het bovenstaande rust op eiser de bewijslast om te doen blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is.

4.20. Eiser heeft, bij gebreke van een sluitende en betrouwbare kilometeradministratie, naar het oordeel van de rechtbank voor de onderhavige jaren (meer in het bijzonder voor het jaar 2000) niet voldaan aan de op hem rustende zware bewijslast om te doen blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is.

De enkele omstandigheid dat eiser, die de auto moest delen met een andere chauffeur (zij reden samen afwisselend vijf dagdiensten en vier nachtdiensten per week op de auto) slechts in beperkte mate de mogelijkheid had om in de resterende uren van de week in privé van de auto gebruik te maken, is daartoe onvoldoende. Na uitvoering van bedoelde dag- en nachtdiensten is privé gebruik weliswaar in beperkte mate mogelijk maar bepaald niet onmogelijk, nog afgezien van extra dagen tijdens ziekte en verlof van de mede-chauffeur.

Boete

4.21. Nu eiser in de jaren 1998 en 1999 met behulp van een kto de kilometerteller van de auto heeft gemanipuleerd als gevolg waarvan verreden (privé)kilometers niet zijn verantwoord in de administratie en daarmee niet zijn verwerkt in zijn aangifte zodat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven, is de rechtbank van oordeel dat eiser opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan hetgeen in beginsel een boete van 50% rechtvaardigt.

Na bezwaar heeft verweerder de boete verminderd tot 25% van het nagevorderde bedrag, in verband met tegelijkertijd voor samenhangende navorderings- en naheffingsaanslagen opgelegde boetes. Wat er verder zij van de onderbouwing van deze vermindering door verweerder (anders dan bij cumulatie van verzuimboetes bij het bijvoorbeeld niet indienen van een aangiftebiljet, is er bij bedoelde navorderings- en naheffingsaanslagen wel degelijk sprake van verschillende beboetbare feiten), van de resterende boete kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het totaal van de boeten onevenredig is aan het totaal van de gedragingen.

De rechtbank acht voor de jaren 1998 en 1999 de resterende boete van 25% dan ook in beginsel passend en geboden. Echter, gelet op het tijdsverloop tussen het aankondigen van de boete en de uitspraak van deze rechtbank, dient een verdere verlaging te worden toegepast (overeenkomstig het ter zitting door de Inspecteur nader ingenomen standpunt) met 10% tot een boete van 22,5% van het over 1998 en 1999 nagevorderde bedrag.

4.22. Voor het jaar 2000 gaat de rechtbank er niet van uit, zoals hiervoor is overwogen, dat in de auto een kto is ingebouwd. De door verweerder opgelegde navorderingsaanslag over 2000 blijft desondanks in stand nu eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewaarplicht en alsdan niet kan voldoen aan de op hem rustende bewijslast om te doen blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is.

Echter, ten aanzien van de boete bij de navorderingsaanslag 2000 kan de rechtbank de Inspecteur in haar primaire stelling (dat sprake is van opzet) noch in haar subsidiaire stelling (dat sprake is van grove schuld) volgen.

Weliswaar heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van het door hem gestelde beperkte privé gebruik van de auto (eenvoudigweg omdat hij onvoldoende aantekening heeft gehouden van de door hem gereden privé kilometers) maar dit is volstrekt onvoldoende om te concluderen tot opzet, inhoudende dat eiser willens en wetens onjuiste aangifte heeft gedaan dan wel de aanmerkelijke kans daartoe heeft aanvaard.

Evenmin is sprake van grove schuld. Weliswaar is sprake van een gebrekkige registratie van de door hem gereden privé kilometers (een registratie waartoe eiser overigens niet gehouden was, maar door hem slechts bijgehouden om de correctie autokostenforfait te voorkomen) maar dit is onvoldoende om te concluderen dat eiser dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is betaald.

Verweerder heeft niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast, de boete (met een omvang van € 15) dient voor het jaar 2000 te vervallen.

Conclusie

Het beroep van eiser is in zoverre gegrond, dat overeenkomstig het nader ingenomen standpunt van verweerder:

- de navorderingsaanslag 1998 moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 11.026 en de boete dient te worden verminderd tot 22,5% van de nagevorderde bedrag.

- de navorderingsaanslag 1999 moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 11.893 en de boete dient te worden verminderd tot 22,5% van de nagevorderde bedrag.

- de navorderingsaanslag 2000 moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 3.584 en de boete dient te vervallen.

5. Proceskosten

Eisers proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 966 voor de beroepsfase (indie¬nen beroepschrift en verschijnen ter zitting: 2 punten maal € 322 maal wegingsfactor 1 maal factor 1,5 vanwege samenhangende zaken).

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vermindert de navorderingsaanslag over het jaar 1998 tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 11.026 en vermindert de boete tot 22,5% van het nagevorderde bedrag;

-vermindert de navorderingsaanslag over het jaar 1999 tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 11.893 vermindert de boete tot 22,5% van het nagevorderde bedrag;

-vermindert de navorderingsaanslag over het jaar 2000 tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 3.584 en vernietigt de boete;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) vergoedt het door eiser betaalde griffierecht van drie maal € 37.

Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door dr mr A.M. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van mr L.H.W. Verdegaal, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.