Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF8877

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/7809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling en terugvordering van fractie- en scholingsgelden.

Uitgaven voor kleding en afscheidscadeaus komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het restantbedrag over 2004 dat eiseres niet heeft besteed, kan als onverschuldigd betaald worden terugevorderd. Dat er in de Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, welke geldt voor 2004, niet is vermeld dat de raad onverschuldigd betaalde voorschotten terugvordert, betekent in beginsel niet dat niet kan worden teruggevorderd. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een concreet gelijk geval, zodat reeds hierom geen grond bestaat voor het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 7809

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2008

in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

de raad van de gemeente Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft verweerder de afrekeningen van de fracties aangaande de fractie- en scholingsgelden over het jaar 2005 en het eerste kwartaal van 2006 vastgesteld en daarbij bepaald dat het terug te betalen saldo van de fractie [naam fractie] € 11.913,95 bedraagt. Daarbij is onder meer de betalingstermijn vastgesteld op 4 weken, en is het college bij gebreke van betaling opgedragen tot invordering over te gaan.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief ontvangen op 15 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 10 oktober 2007, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is de tegemoetkoming van voornoemde fractie- en scholingsgelden in die zin vastgesteld dat de fractie [naam fractie] € 9.073,64 dient terug te betalen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 november 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 mei 2008, alwaar eiseres in persoon is verschenen vergezeld van [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.W. Baars en mr. B. Nijman, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Voor zover eiseres in haar beroepschrift de juistheid van de samenstelling van de commissie beroep- en bezwaarschriften in twijfel trekt, kan zij hierin niet worden gevolgd.

Verweerder heeft ten behoeve van het horen in bezwaar een adviescommissie ingevolge artikel 7:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingesteld. Ten behoeve van de uitvoering is hiertoe de Verordening op de behandeling van bezwaar- en beroepschriften vastgesteld. Het horen door drie commissieleden, zijnde raadsleden, is overeenkomstig hetgeen is bepaald in voornoemd artikellid alsmede eerdergenoemde verordening.

2.2 De rechtbank gaat er met partijen van uit dat het bestreden besluit zowel de vaststelling van de fractie- en scholingsgelden over het jaar 2005 en het eerste kwartaal van 2006 betreft, alsook de gehandhaafde terugvordering van hetgeen overeenkomstig die vaststelling dient te worden terugbetaald.

2.3 Voorts volgt uit hetgeen eiseres in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, zoals door haar ter zitting bevestigd, dat enkel nog in geschil is een bedrag van

€ 5871,90, bestaande uit:

- de uitgave in 2005 voor kleding ter waarde van € 259,65;

- de uitgaven gedaan na het eerste kwartaal van 2006 voor afscheidscadeaus ten

behoeve van wethouders ter waarde van € 113, 24;

- het niet bestede restantbedrag van 2004 ter grootte van € 5.499,01 (€ 4.690,73 aan

fractiegelden en € 808,28 aan scholingsgelden).

2.4 Ingevolge artikel 27, eerste lid, en artikel 28, eerste lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, wethouders, commissieleden en fractieassistentie welke gold van 18 maart 2004 tot en met 31 december 2005 (hierna: de Verordening) wordt aan elke fractie in de gemeenteraad een tegemoetkoming gegeven in kosten verbonden aan de fractieassistentie, respectievelijk aan het bijwonen door raadsleden van cursussen en congressen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Verordening - voor zover hier van belang - kan de fractie een deel van de tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 27 en 28 over een jaar reserveren voor besteding in een volgend jaar.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Verordening worden tegemoetkomingen die op de datum van de raadsverkiezingen nog niet zijn besteed binnen drie maanden na deze datum door de fractie aan de gemeenteraad terugbetaald.

2.5 Bovengenoemde artikelen zijn in de Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, wethouders, commissieleden en fractieassistentie welke gold van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2006 nagenoeg gelijkluidend. In deze Verordening zijn - voor zover hier van belang - de volgende artikelen toegevoegd:

Ingevolge artikel 27a, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening mag de tegemoetkoming niet gebruikt worden voor giften, leningen en voorschotten.

Ingevolge artikel 30a van de Verordening vordert de raad onverschuldigd betaalde voorschotten terug, of verrekent deze met toekomstige voorschotten. Bij dit artikel is bepaald dat dit mede van toepassing is op de tegemoetkomingen over het jaar 2005.

2.6 In de toelichting op de Verordening is daarbij onder meer het navolgende gesteld. De vergoeding voor fractieassistentie en fractieleden is bedoeld als een bijdrage voor de onkosten die door fractieleden in verband met het raadslidmaatschap worden gemaakt en ter bevordering van het functioneren van hun fractie. Fracties wordt grotendeels de vrijheid gelaten wat betreft de inhoudelijke besteding van fractieondersteuning. Omdat het bij uitstek om politieke ondersteuning gaat is deze niet zeer gedetailleerd geregeld. Uiteraard is het de bedoeling dat de vergoedingen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt.

2.7 Uit het vorenstaande volgt waarvoor de fractie- en scholingsgelden dienen te worden aangewend, en dat niet bestede gelden dienen te worden terugbetaald. Daarbij bestaat de mogelijkheid niet bestede gelden door te schuiven. Eiseres was hiermee bekend, dan wel behoorde dat te zijn. Gelet hierop kan eiseres niet worden gevolgd in haar betoog dat de fractievergoeding stilzwijgend werd aangemerkt als een aanvulling op het inkomen (de wedde) van een raadslid, onder meer omdat dat inkomen in geen verhouding staat tot het verrichtte werk. Evenmin kan zij daarom worden gevolgd in haar standpunt dat verkeerde besteding van gelden niet mogelijk is gelet op de vrijheid die het ontbreken van een gedetailleerde regeling in de tot dan geldende verordening op dit punt met zich meebrengt.

2.8 Niet valt in te zien dat kosten voor kleding, ook al wordt deze kleding gedragen bij een gelegenheid waar eiseres in haar hoedanigheid als raadslid aanwezig was, op grond van het vorenstaande voor vergoeding in aanmerking komen.

De afscheidscadeaus voor wethouders zien op 2006, toen gold de Verordening zoals vastgesteld voor het eerste kwartaal van 2006. In artikel 27a van die Verordening staan giften expliciet opgenomen als niet toegestane bestedingen. Reeds hierom komen deze uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking.

2.9 Eiseres betoogt voorts dat verweerder ten onrechte de door haar niet bestede gelden voor 2004 van haar terugvordert. Zij stelt dat 2004 was afgehandeld omdat er voor dat jaar in de Verordening geen terugvorderingsregeling was opgenomen, en verweerder haar bij brief van 1 november 2005 heeft medegedeeld dat haar uitgaven over 2004 conform de Verordening zijn.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de brief van 1 november 2005 niet anders worden geconcludeerd dan dat de declaraties van eiseres over 2004 akkoord zijn bevonden. Gelet op de tekst van artikel 29 van de Verordening, waarin de mogelijkheid is opgenomen voor het reserveren van niet bestede gelden voor het volgende jaar en de uiteindelijke terugbetalingsverplichting aan het eind van een raadsperiode, is bezwaarlijk vol te houden dat eerdergenoemde brief als afhandeling van 2004 kan worden gezien. De rechtbank stelt vast dat uit eerdergenoemde brief, gelezen in samenhang met de Verordening, volgt dat het restantbedrag over 2004 dat eiseres niet heeft besteed, althans waarvoor zij geen declaraties heeft ingediend, als onverschuldigd betaald door verweerder kan worden teruggevorderd.

Dat er in de Verordening welke geldt voor 2004 (anders dan in art 30a van de opvolgende Verordening) niet is vermeld dat de raad onverschuldigd betaalde voorschotten terugvordert, betekent in beginsel niet dat niet kan worden teruggevorderd.

Ingevolge artikel 4:21, eerste lid, Awb wordt onder subsidie verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuurorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuurorgaan geleverde goederen of diensten.

Ingevolge artikel 4:57 Awb kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

De rechtbank stelt vast dat uit artikel 4:57 Awb reeds een grondslag tot terugvordering voortvloeit.

Ook het feit dat er ten aanzien van de uitgaven voor 2004 geen accountantscontrole heeft plaatsgevonden maakt het vorenstaande niet anders. Gelet op het vorenstaande kan eiseres evenmin worden gevolgd in haar betoog dat verweerder ten onrechte artikel 30a van de Verordening met terugwerkende kracht heeft toegepast over 2005. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een onjuiste toepassing van de Verordening.

2.11 Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat zij, respectievelijk haar fractie, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere fracties. Zij voert daartoe, voor zover het betreft de uitgaven voor 2004, aan dat sprake is van ongelijke behandeling omdat er geen accountantscontrole heeft plaatsgevonden. Eiseres voert voorts, ten aanzien van de uitgaven voor 2005 en het eerste kwartaal van 2006, aan dat bij andere fracties uitgaven zijn geaccordeerd waarvan ernstig moet worden betwijfeld of deze uitgaven zijn gedaan ten behoeve van het doel waarvoor de vergoedingen zijn verstrekt. Ter zitting heeft eiseres haar beroep op het gelijkheidsbeginsel toegelicht.

2.12 Het enkele feit dat over 2004 geen accountantscontrole heeft plaatsgevonden en de verantwoording van de fracties is geaccepteerd, zoals ter zitting door verweerder is bevestigd, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor zover eiseres heeft beoogd te betogen dat bij andere fracties, gelet op het ontbreken van een accountantscontrole, ten onrechte bepaalde onkosten zijn geaccepteerd, terwijl zij met haar vergoeding juist op zeer prudente wijze is omgegaan, overweegt de rechtbank dat dit betoog te algemeen is om tot het door eiseres beoogde resultaat te leiden. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een concreet gelijk geval, zodat reeds hierom geen grond bestaat voor het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Ook overigens is daarvan niet gebleken. Voor zover eiseres de wijze waarop andere fracties zijn omgegaan met de fractievergoedingen ter discussie heeft gesteld overweegt de rechtbank dat die vergoedingen in deze procedure niet rechtstreeks ter beoordeling staan, en in zoverre in deze procedure geen rol spelen.

2.13 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. A.C. Loman, rechters, en op 7 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.