Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF7049

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
AWB 08/4385, 08/4387, 08/4388, 08/4389
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Wijziging tenaamstelling motorrijtuigen. Eiseres voldoet niet meer aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling BPM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 08/4385, 08/4387, 08/4388 en 08/4389

Uitspraakdatum: 20 augustus 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd

te Z, eiseres,

gemachtigde: mr. E. Bos te Amsterdam,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 22 april 2005 op de bezwaren van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) onder nummers 001, 002, 003 en 004.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2008.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, mr. E. Bos. Namens verweerder is verschenen mr. R.A.A. van ‘t Hoff.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met nummer AWB 08/4388 gegrond;

- vernietigt de bij voornoemd beroep horende uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag met nummer 003 tot € 5.298;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Gronden

1. Eiseres heeft bij brieven van 26 mei 2005, ontvangen bij de rechtbank op 30 mei 2005 beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers AWB 05/2194, 05/2195, 05/2196 en 05/2198. Bij uitspraken van 5 september 2005 heeft de rechtbank de beroepen van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Na daartegen aangetekend verzet heeft de rechtbank op 9 december 2005 de verzetten ongegrond verklaard. Daarop heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Op 21 december 2007 heeft de Hoge Raad de beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd, de verzetten gegrond verklaard en verstaan dat de uitspraken waartegen het verzet is gedaan vervallen en dat de rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond. De beroepen zijn vervolgens geregistreerd onder nummers AWB 08/4385, 08/4387, 08/4388 en 08/4389.

2. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd.

Met betrekking tot het motorrijtuig met het kenteken NN-NN-01 stelt verweerder dat door de wijziging van de tenaamstelling op 13 november 2001, terwijl de driejaarstermijn op 27 april 2001 was begonnen, niet langer aan de voorwaarden werd voldaan zodat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk geworden was.

Met betrekking tot het motorrijtuig met het kenteken NN-NN-02 stelt verweerder dat door de wijziging van de tenaamstelling op 16 augustus 2001, terwijl de driejaarstermijn op 6 april 2000 was begonnen, niet langer aan de voorwaarden werd voldaan zodat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk geworden was voor de laatste twee termijnjaren.

Met betrekking tot het motorrijtuig met het kenteken NN-NN-03 stelt verweerder dat door de wijziging van de tenaamstelling op 15 mei 2001, terwijl de driejaarstermijn op 3 maart 2000 was begonnen, niet langer aan de voorwaarden werd voldaan zodat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk geworden was.

Met betrekking tot het motorrijtuig met het kenteken NN-NN-04 stelt verweerder dat door de wijziging van de tenaamstelling op 23 januari 2001, terwijl de driejaarstermijn op 18 september 2000 was begonnen, niet langer aan de voorwaarden werd voldaan zodat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk geworden was.

3. In een fax van 14 augustus 2008 heeft verweerder aangegeven dat de naheffingsaanslag voor het motorrijtuig met het kenteken NN-NN-03 dient te worden verminderd tot € 5.298, omdat ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling het eerste termijnjaar volledig was verstreken en niet is gebleken dat in dat jaar niet aan de voorwaarden is voldaan.

Eiseres stelt dat zij vennoot was in een vennootschap onder firma in welk verband een taxibedrijf werd geëxploiteerd. Op grond van latere eisen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat werden de kentekens van de taxi’s die in firmaverband werden gebruikt en op naam van eiseres stonden op naam van de firma gesteld, welke omstandigheid niet als een vervreemding dient te worden aangemerkt noch als een wijziging in het gebruik doch als een bevestiging van het gebruik als taxi. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting gepreciseerd dat hij een beroep doet op doel en strekking van de teruggaafregeling voor taxi’s, nu de betrokken motorrijtuigen alle gedurende de volle termijn van drie jaar als taxi zijn gebruikt.

4. Artikel 1, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) bepaalt dat onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ een belasting wordt geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s.

Artikel 5 van de Wet BPM bepaalt dat de belasting voor een geregistreerde personenauto wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.

Artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM bepaalt dat een teruggaaf van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer geldige vergunning, dan wel vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten. Artikel 16, vierde lid, van de Wet BPM bepaalt dat de teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

De staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit van 6 juli 2000, gewijzigd op 27 juli 2001 (nr. CPP2001/2033M, hierna: het Besluit), goedgekeurd dat onder de hierna genoemde voorwaarden en beperkingen de teruggaaf in één keer wordt verleend.

a. De personenauto dient:

- in het kentekenregister op naam van de aanvrager te zijn gesteld;

- bestemd te zijn om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer (WP);

- blijkens een verklaring van de RDW gerechtigd te zijn tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxikentekenplaten.

b. Bij de aanvraag genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM, dienen de hierna genoemde bescheiden te worden overgelegd.

I Een kopie van de delen I en II van het bewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de personenauto (hierna: kentekenbewijs).

II Een door de RDW ingevolge de WP afgegeven verklaring dat de personenauto voldoet aan de technische voorwaarden voor het genoemde vervoer. Als op deel I van het kentekenbewijs de aantekening 'taxi' is geplaatst, kan overlegging van deze verklaring achterwege blijven.

III Een door de Rijksverkeersinspectie (RVI) ingevolge de WP afgegeven vergunning voor het verrichten van vervoer zoals genoemd in punt 3, onderdeel a, van dit besluit. Indien de vergunninghouder niet degene is op wiens naam het kenteken is gesteld, dient een gezamenlijke verklaring te worden overgelegd waaruit blijkt dat de taxi wordt gebruikt in het kader van de onderneming van de vergunninghouder.

IV Een door de RDW ingevolge de Wegenverkeerswet 1994 afgegeven verklaring dat de personenauto gerechtigd is tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxikentekenplaten.

V Een verklaring van de aanvrager dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel zal worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de WP.

c. Het verzoek om teruggaaf van belasting in één keer dient te zijn ingediend binnen dertien weken na de datum van afgifte van de RDW-verklaring dat de personenauto is gerechtigd tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxikentekenplaten.

De teruggaaf is voorwaardelijk en wordt jaarlijks voor een derde deel onvoorwaardelijk indien dat gehele jaar is voldaan aan de in onderdeel a genoemde vereisten en de personenauto gedurende dat jaar geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de WP. Indien blijkt dat niet aan deze vereisten wordt of is voldaan, is de belasting over de jaren dat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk is geworden alsnog verschuldigd.

5. Eiseres heeft voor de betrokken motorrijtuigen gebruik gemaakt van de regeling die is vervat in het Besluit. Tussen partijen is niet in geschil dat de tenaamstelling van de betrokken motorrijtuigen tijdens de driejaarsperiode is gewijzigd. Tussen partijen is enkel in geschil of deze wijziging tot gevolg heeft, dat niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor de teruggaaf. De rechtbank stelt voorop dat nu eiseres ervoor heeft gekozen een beroep te doen op de voor haar gunstigere regeling in het Besluit, zij ook gebonden is aan de voorwaarden die daarin zijn gesteld. Het Besluit bepaalt in duidelijke bewoordingen dat een van de voorwaarden is dat de personenauto in het kentekenregister op naam van de aanvrager dient te zijn gesteld, hetgeen impliceert dat de tenaamstelling niet mag worden gewijzigd. Indien dit wel gebeurt, is het deel van de teruggaaf dat nog niet onvoorwaardelijk geworden is, verschuldigd. Het is, gelet op de gebruikte terminologie, niet relevant dat het kenteken is overgeschreven naar een gelieerde houder, te weten een vennootschap onder firma waarvan eiseres een der firmanten is. De Wet BPM kent immers, anders dan bepaalde andere heffingswetten, niet het begrip ‘fiscale eenheid’. Iedere wijziging van de tenaamstelling heeft derhalve gevolgen voor de teruggaven die op basis van het Besluit zijn verleend. Het beroep van eiseres op doel en strekking van de teruggaafregeling faalt, gelet op de duidelijke bewoordingen van het Besluit.

6. De stelling van de gemachtigde van eiseres, dat de wijziging van de tenaamstelling in artikel 16 van de Wet BPM niet als grond voor naheffing wordt genoemd en dat de voorwaarde in het Besluit om deze reden onverbindend is, faalt, omdat de teruggaven volgens het wettelijke systeem achteraf worden verleend. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat een achteraf gevraagde teruggaaf niet wordt verleend indien de tenaamstelling tussentijds is gewijzigd.

7. De rechtbank wijst ten overvloede op het na de naheffingsperiode ingevoerde artikel 16, achtste lid, van de Wet BPM, dat een doorschuifregeling bevat ingeval van wijziging van de tenaamstelling. Nog afgezien van het vereiste dat de voormalige en de nieuwe kentekenhouder een gezamenlijk verzoek bij de inspecteur moeten indienen om deze regeling op hen van toepassing te doen zijn, op welk verzoek de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, vormt de invoering van dit artikel een verdere aanwijzing dat de wetgever ten tijde van de naheffingsperiode niet heeft voorzien in de door eiseres bepleite doorschuifregeling.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd. Wel is aanleiding gevonden de naheffingsaanslag met nummer 003 tot € 5.298 te verminderen.

9. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen AWB 08/4385, 08/4387 en 08/4389 ongegrond. Gelet op punt 3. is het beroep AWB 08/4388 gegrond.

10. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van de beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.