Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF2108

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
07/2986
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Liggeld woonschepen. De indirecte kosten kunnen niet door middel van het heffen van liggeld worden verhaald. Het in de Verordening opgenomen tarief is daardoor meer dan kostendekkend en komt daarmee in strijd met artikel 229b, lid 1, Gemeentewet. De Verordening moet op het punt van het tarief onverbindend worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1451 met annotatie van Redactie
V-N 2009/8.33 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2986

Uitspraakdatum: 26 augustus 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag liggeld woonschepen opgelegd ten bedrage van € 247,90 (verder: de aanslag).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 maart 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 27 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 2 mei 2007, beroep ingesteld.

1.3. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen A, B en C. De zaak is gelijktijdig behandeld met die geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/847, betreffende de aan eiser opgelegde aanslag in de belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten. Eiser heeft ter zitting ter adstructie van zijn standpunt enkele berekeningen overgelegd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

1.5. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 22 november 2007 het onderzoek in de onderhavige zaak heropend, de verdere behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer en bepaald dat een nadere zitting zal plaatsvinden.

1.6. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008. Eiser is daar wederom in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen D, C en E. Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiser.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is eigenaar van een woonboot gelegen in de openbare wateren van de gemeente Zaanstad.

2.2. Ingevolge artikel 2 van de Zaanse Verordening op de heffing en invordering van liggelden voor woonschepen 2006 (hierna: de Verordening) wordt onder de naam “liggeld voor woonschepen” een recht geheven voor het hebben van een ligplaats voor een woonschip op een openbare plaats. In artikel 4 van de Verordening is bepaald dat het recht per vierkante meter ingenomen wateroppervlakte met een woonschip en toebehoren € 1,68 per jaar bedraagt. Over het tarief wordt 19% btw geheven.

2.3. In de begroting voor Nautisch Beheer voor het jaar 2006 is voor de post ‘Woonschepen Algemeen’ een bedrag van € 19.433 aan geraamde lasten vermeld. De geraamde baten voor ‘Woonschepen Zaandam’ zijn in de begroting op € 22.600 gesteld.

2.4. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag liggeld voor woonschepen opgelegd van € 247,90, berekend naar een tarief van € 1,9992 (inclusief btw) per vierkante meter ingenomen wateroppervlakte.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Partijen zijn in geschil over het antwoord op de vraag of verweerder met het door hem gehanteerde tarief voor liggelden voor woonschepen in strijd komt met het bepaalde in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet, welke vraag door eiser bevestigend wordt beantwoord en door verweerder in ontkennende zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In het verweerschrift neemt verweerder het standpunt in dat de woonboot van eiser

73 m² wateroppervlakte in gebruik neemt in plaats van 124m² en vermindert hij de aanslag tot een bedrag van € 145,94. Het beroep is derhalve reeds in zoverre gegrond.

4.2. Artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet luidt als volgt:

“In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.”

4.3. De gemeente Zaanstad heeft geen aparte begroting voor het liggeld voor woonschepen. De begrote baten en lasten voor woonschepen vormen een onderdeel van de begroting voor Nautisch Beheer. Het Nautisch Beheer wordt uitgevoerd door de afdeling Havens en Vaarwegen. Wanneer uitsluitend wordt uitgegaan van de onder de benaming woonschepen (algemeen/Zaandam) begrote baten, overtreffen deze de begrote lasten. Verweerder maakt onderscheid tussen directe kosten en indirecte kosten. Blijkens het overzicht dat verweerder bij zijn brief van 25 april 2008 aan de rechtbank heeft gevoegd, worden onder de directe kosten onder meer verstaan de kosten die samenhangen met de jaarlijkse controle op de ligplaatsen en de volledigheid en/of juistheid van de ligplaatsen. Onder de indirecte kosten rekent verweerder de kosten van toezicht dat mede ten behoeve van woonschepen wordt uitgeoefend. In de begroting is voor toezicht havens en kaden een bedrag van € 922.000 opgenomen. Verweerder meent dat een deel daarvan, € 4.610 (0,5%), moet worden toegerekend aan woonschepen. Het percentage is – naar verweerder ter zitting heeft toegelicht – gebaseerd op de verhouding tussen het aantal woonschepen en het totaal aantal schepen dat gebruik maakt van de wateren van de gemeente. Aldus bedragen de begrote lasten € 24.043 (€ 19.433 + € 4.610) en is er in de visie van verweerder geen sprake van een meer dan kostendekkend tarief.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat de kostendekkendheid van het gehanteerde tarief moet worden beoordeeld voor het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Anders dan eiser meent, is niet van belang of de werkelijk gemaakte kosten en de werkelijk ontvangen baten lager, dan wel hoger zijn.

4.5. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening op het punt van de toerekening van de directe kosten. Bij de beoordeling van de vraag of de indirecte kosten van toezicht door middel van het door verweerder gehanteerde tarief kunnen worden verhaald is van belang of deze in enig verband staan met het innemen van een ligplaats in de gemeente Zaanstad.

Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat het verschil tussen het toezicht havens en kaden en de jaarlijkse controle van de ligplaatsen van woonschepen – van dat laatste zijn de kosten reeds onder de directe kosten voor woonschepen begrepen – met name is gelegen in de frequentie. Het toezicht havens en kaden gebeurt, in tegenstelling tot de jaarlijkse controle, dagelijks. Verder heeft verweerder toegelicht dat het toezicht havens en kaden er onder meer op is gericht om te zien of woonschepen goed liggen en niet in de weg liggen doordat zij zijn losgeraakt. Daarnaast houdt het toezicht ook een soort politietaak in, bijvoorbeeld bij calamiteiten of klachten van omwonenden. Het betreft een algemene toezichthoudende taak voor de havens en zeeschepen en ook de woonschepen vallen daar onder, aldus verweerder.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat tussen de algemeen toezichthoudende taak, voor zover die specifiek betrekking heeft op woonschepen, en de controle waarvan de kosten reeds in de directe kosten zijn begrepen te weinig onderscheid zit om de daarmee gemoeide extra kosten door middel van het heffen van liggeld te verhalen. Dat het algemene toezicht dagelijks wordt uitgevoerd en de controle jaarlijks, is daarvoor onvoldoende, nog daargelaten of het aan de woonschepen toegerekende deel van 0,5% overeenkomt met de omvang van dat toezicht op de ligplaats van woonschepen. Voor zover de algemeen toezichthoudende taak ertoe moet bijdragen dat de gemeentelijke voorschriften voor het gebruik van vaarwegen en andere wateren worden nageleefd, staat deze functie in een te ver verwijderd verband tot het innemen van een ligplaats om de daarvoor te maken kosten door middel van het heffen van liggeld te kunnen verhalen. Deze indirecte kosten kunnen daarom niet worden gerekend tot de kosten die in enig verband staan met het innemen van een ligplaats en kunnen dan ook niet door middel van het heffen van liggeld worden verhaald. Hiervan uitgaande zijn de begrote baten hoger dan de begrote lasten. Het in de Verordening opgenomen tarief is dan meer dan kostendekkend en komt daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet.

4.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Verordening op het punt van het tarief onverbindend moet worden verklaard en de bestreden aanslag niet in stand kan blijven. Het beroep is ook om deze reden gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte werkelijke kosten bestaande uit een – niet nader aangegeven – vergoeding voor de uren die hij aan deze procedure heeft besteed. De rechtbank wijst dit verzoek af. Deze door eiser gevraagde werkelijke kostenvergoeding kan alleen worden toegekend als sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Dat eiser tijd heeft moeten besteden aan de procedure en de in verband met de aanslag tot hem gerichte betalingsverzoeken en aanmaningen is geen bijzondere omstandigheid waardoor voor de proceskostenvergoeding zou moeten worden afgeweken van de forfaitaire bedragen die uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) volgen. De rechtbank zal aldus een proceskostenveroordeling uitspreken met inachtneming van het bepaalde in het Besluit. Eiser komt in aanmerking voor vergoeding van verletkosten en reiskosten. Op grond van artikel 1, onderdeel d, juncto artikel 2, onderdeel d van het Besluit worden de verletkosten begroot op een bedrag van € 74,80 (2 x 2 uur x uurloontarief van € 18,70). De reiskosten, per openbaar vervoer 2e klasse, stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 19 (2 x € 9,50).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de aanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 93,80, en wijst de gemeente Zaanstad aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- wijst af het anders of meer gevorderde;

- gelast dat de gemeente Zaanstad het door eiser betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L.F. Roseval, voorzitter, mr. G.W.J. Harten en mr. J.L. Bruinsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Kuik, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.