Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF1964

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
138205/07-2826
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 138205/07-2826

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 22 juli 2008

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.C. Tijsterman,

advocaat mr. P. Tijsterman te Uithoorn.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de (tussen)beschikking van 8 januari 2008 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 28 januari 2008;

- de brief, met bijlagen van de advocaat van de man van 13 februari 2008;

- de dagbepalingsbeschikking van 13 maart 2008;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 11 juni 2008;

- de faxbrief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 18 juni 2008;

- de faxbrief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 juni 2008;

- de faxbrief, met bijlage, van de advocaat van de man van 23 juni 2008.

1.2 De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2008 in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden.

2 Verdere beoordeling

2.1 De behoefte van de minderjarigen is blijkens de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 2004 vastgesteld op in totaal € 1.028 (€ 343 per kind per maand) per maand. Het hof heeft bij de bepaling van de behoefte (welke door de rechtbank was vastgesteld op totaal € 545 gelet op het gezinsinkomen ten tijde van de samenleving) gedeeltelijk rekening gehouden met de door de vrouw opgevoerde oppaskosten, overblijfkosten en vervoerskosten in verband met de minderjarigen, aangezien deze kosten niet, althans onvoldoende in de gehanteerde standaardbedragen voor de kosten van kinderen zitten en niet te compenseren zijn met andere kosten.

2.2 Bij (tussen)beschikking van 8 januari 2008 heeft de rechtbank in de onderhavige procedure overwogen dat uit de beschikking van het gerechtshof blijkt dat € 200 aan oppaskosten, € 200 aan vervoerskosten van en naar de oppas en van en naar school en € 83 overblijfkosten zijn meegenomen bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen. De omstandigheid dat de minderjarigen inmiddels in [woonplaats] op school zitten en de vrouw daar woonachtig is, heeft volgens de rechtbank invloed op de vervoerskosten van en naar school die bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen door het gerechtshof zijn meegenomen. Tevens kan deze omstandigheid nopen tot herijking van de meegenomen oppas- en overblijfkosten. Teneinde te kunnen beoordelen of de extra kosten die het hof in de berekening van de behoefte van de minderjarigen heeft meegenomen nog worden gemaakt en of de door het hof vastgestelde behoefte thans nog voldoet aan de wettelijke maatstaven, heeft de rechtbank de vrouw bij voormelde tussenbeschikking verzocht om gegevens te overleggen betreffende haar financiële positie, alsmede specificaties van oppas-, overblijf- en vervoerskosten met betrekking tot de minderjarigen.

2.3 De man stelt dat de vrouw geen oppaskosten maakt. De vrouw betwist deze stelling en voert aan dat een oppas nodig is vanwege haar variabele werktijden. Zij stelt dat zij momenteel evenveel beroep doet op de oppas als ten tijde van de beschikking van het gerechtshof en dat de oppaskosten gemiddeld € 450 per maand bedragen. De rechtbank overweegt dat, nu de vrouw niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om specificaties van oppaskosten te overleggen, met deze kosten geen rekening zal worden gehouden. Aan de stelling van de vrouw dat zij geen stukken kan overleggen, aangezien de oppas ‘zwart’ wordt betaald, zal worden voorbijgegaan, nu zij ter onderbouwing van haar stelling dat zij oppaskosten maakt een overzicht met haar (variabele) werktijden, het aantal oppasuren en het uurtarief van de oppas had kunnen overleggen. De vrouw heeft weliswaar aangevoerd dat ten opzichte van de door het gerechtshof beoordeelde situatie zich geen wijzigingen hebben voorgedaan, echter de rechtbank is van oordeel dat nu de vrouw in de gelegenheid is gesteld haar oppaskosten inzichtelijk te maken, zij op die wijze aannemelijk had kunnen maken dat de situatie ongewijzigd is gebleven.

Voorts voert de man aan dat het gerechtshof rekening heeft gehouden met een bedrag van € 200 aan vervoerskosten, dat deze vervoerskosten verband houden met de door de vrouw gestelde reisafstand tussen [plaats] en [plaats] en dat deze kosten nu niet meer gemaakt worden. De vrouw stelt dat het gerechtshof bij het bepalen van de behoefte van de kinderen uitsluitend de kosten van het halen en brengen van de kinderen van en naar de oppas heeft meegewogen en dat de vervoerskosten in verband met de oppas nog steeds bestaan. Volgens de vrouw bedragen deze kosten € 250 per maand.

De rechtbank overweegt als volgt. Het gerechtshof heeft in zijn beschikking aannemelijk geacht dat de vrouw kosten maakt in verband met het halen en brengen van de minderjarigen van en naar de oppas en van en naar school. Aangezien de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheid dat de minderjarigen in [plaats] op school zitten en niet op een school bij hen in de buurt, een noodzakelijke keuze is geweest, heeft het hof slechts gedeeltelijk rekening gehouden met het door de vrouw opgevoerde bedrag aan vervoerskosten. Het hof heeft rekening gehouden met een bedrag van € 200 per maand. Aangezien uit de beschikking van het gerechtshof niet is op te maken of en, zo ja, in hoeverre het hof hierbij rekening heeft gehouden met enerzijds de kosten van vervoer van en naar school en anderzijds de kosten van vervoer van en naar de oppas en de vrouw in der onderhavige procedure geen enkele specificatie van vervoerskosten heeft overgelegd, zal de rechtbank met de vervoerskosten geen rekening houden.

De man stelt voorts dat de overblijf- en opvangkosten, die door het hof zijn gesteld op € 83 per maand, door de verandering van school niet meer aan de orde zijn. De vrouw voert aan dat, net als vóór de verandering van school, de minderjarigen dagelijks op school overblijven als gevolg van het feit dat de vrouw een eigen inkomen genereert met een fulltime baan.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft een aan de ouders/verzorgers gerichte brief van de overblijf van augustus/september 2007 overgelegd, waaruit blijkt dat het abonnement voor de overblijf van de minderjarigen € 480 bedraagt. De rechtbank zal op basis daarvan rekening houden met een bedrag van € 40 per maand.

De kosten voor de minderjarigen komen daarmee op een bedrag van (€ 545 + wettelijke indexering = ) € 578 per maand, vermeerderd met € 40 aan bijzondere kosten, en bedragen in totaal € 618 per maand, oftewel € 206 per kind per maand.

2.4 Bij het vaststellen van de hoogte van ieders aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat beide ouders naar verhouding van hun draagkracht in deze kosten dienen te voorzien. Voor de draagkrachtvergelijking van de ouders worden beiden als alleenstaande gezien en wordt het daarmee corresponderende draagkrachtpercentage van 60% gehanteerd.

Aan de zijde van de man wordt uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de door de man overgelegde salarisstrook van de maand januari 2008, waaruit blijkt dat zijn inkomen € 2.883 bruto per maand bedraagt;

- de vakantietoeslag van 8%;

- de tantième, per maand te stellen op € 240;

- de ingehouden pensioen- en werknemerspremies;

- de fiscale bijtelling inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- de kale woninghuur van € 740;

- de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 90, waarvan € 54 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, alsmede een verplicht eigen risico van € 13.

Overeenkomstig de meest recente afspraken van de alimentatiewerkgroep zal geen rekening worden gehouden met een premie voor een begrafenisverzekering.

Met betrekking tot het door de man opgevoerde bedrag van € 113 betreffende het Spaarplan Spaarbeleg en het bedrag van € 45 betreffende het Koersplan wordt verwezen naar hetgeen het gerechtshof hieromtrent heeft overwogen. Deze kosten zullen daarom niet worden meegenomen.

De man heeft een bedrag van € 140 aan omgangskosten opgevoerd. De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen omgangskosten moeten worden meegenomen, aangezien sinds eind maart van dit jaar geen omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt. De man stelt dat weliswaar sinds eind april 2008 geen sprake meer is van omgang, maar dat bij de bepaling van de omgangskosten moet worden uitgegaan van de beschikking waarin een omgangsregeling is neergelegd. Nu de vrouw niet heeft bestreden dat er sprake is van een in een beschikking neergelegde omgangsregeling, zal de rechtbank die regeling bij de berekening van de omgangskosten tot uitgangspunt nemen en de omgangskosten begroten op een bedrag van € 115 per maand. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat eerst sinds korte tijd de omgangsregeling niet nageleefd wordt en niet aannemelijk is geworden dat de man zal berusten in de aldus ontstane situatie.

2.5 Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- het inkomen van de vrouw blijkens de jaaropgave 2007 van € 37.794 bruto op jaarbasis, inclusief de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie Zorgverzekeringswet van € 1.991;

- de bijtelling eigen-woningforfait van € 1.199 op jaarbasis;

- de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 4.093 op jaarbasis.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de alleenstaande-ouderkorting;

- de aanvullende alleenstaande-ouderkorting;

- de combinatiekorting;

- de aanvullende combinatiekorting;

Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de vrouw in aanmerking genomen:

- de hypotheekrente na aftrek van te realiseren fiscaal voordeel;

- de aan de hypotheek gekoppelde aflossing/premie levensverzekering van € 162;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95;

- de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 113, waarvan € 54 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, alsmede een verplicht eigen risico van € 13;

- de overblijfkosten van € 40.

2.6 Uitgaande van bovenstaande gegevens heeft de rechtbank een draagkrachtvergelijking gemaakt. De rechtbank stelt het aandeel van de man op € 85 per kind per maand en het aandeel van de vrouw op € 121 per kind per maand. Op grond van voormelde gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de fiscale effecten, wordt de man in staat geacht tot betaling van een kinderbijdrage van € 85 per kind per maand. De rechtbank zal in die zin beslissen.

2.7 De man heeft verzocht de ingangsdatum van de (gewijzigde) kinderbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. Nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd zal dit verzoek worden toegewezen.

2.8 De vrouw heeft verzocht om de man in de proceskosten te veroordelen, aangezien de onderhavige procedure nodeloos wordt gevoerd. De rechtbank acht, gelet op de te geven beslissing, een compensatie van de proceskosten aangewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 2004 dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1997 te [plaats];

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1997 te [plaats];

- [naam kind 3], geboren op [datum] 1999 te [plaats],

telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 85 per kind per maand, met ingang van 23 augustus 2007.

3.2 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdragen jaarlijks van rechtswege worden gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

3.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

3.5 Bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Meulman, griffier, op 22 juli 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.