Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BF1613

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
19-09-2008
Zaaknummer
140551 / HA ZA 07-1366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partijen sluiten een samenwerkingsovereenkomst ter zake de oprichting en exploitatie van een biodieselfabriek. Partijen strijden over de inhoud van die samenwerkingsovereenkomst en de gevolgen van de (tussentijdse) beëindiging van die overeenkomst. De rechtbank stelt de inhoud van de overeenkomst vast aan de hand van notulen van door partijen gehouden overleg over de samenwerking en nadien tussen partijen gevoerde correspondentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis van 27 augustus 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 140551 / HA ZA 07-1366 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORPORATE INVESTMENT GROUP B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

2. [A],

wonende te [p],

eisers,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. F.M.W. van Tol te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOMA INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.G. MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Haarlem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CIG BIODIESEL B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

4. de naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao

VECHTZICHT N.V.,

gevestigd te Curaçao,

gedaagden,

procureur mr. P. Ingwersen,

advocaat mr. F.C. Struiksma te 's Gravenhage,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 144624 / HA ZA 08-414 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CIG BIODIESEL BV,

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres,

procureur mr. P. Ingwersen,

advocaat mr. F.C. Struiksma te 's Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORPORATE INVESTMENT GROUP BV,

gevestigd te Alkmaar,

2. [A],

wonende te [p],

gedaagden,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. F.M.W. van Tol te Utrecht.

Partijen zullen hierna CIG c.s. (dan wel afzonderlijk CIG en [A]), Moma c.s. (dan wel afzonderlijk Moma, Vechtzicht, M.G. Management en CIG Biodiesel) genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 140551 en in de zaak 144624

1.1. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 140551 blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 maart 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2008.

1.2. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 144624 blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van de rechtbank te Alkmaar van 16 januari 2008

- de rolbeslissing van 14 maart 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2008.

1.3. Op de rol van 26 maart 2008 zijn beide procedures gevoegd.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is statutair bestuurder van CIG. [B] (hierna: [B]) is statutair bestuurder van Moma en M.G. Management. Vechtzicht wordt (indirect) bestuurd door [C] (hierna: [C]).

2.2. CIG, Moma en Vechtzicht hebben in 2006 (mondeling) een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten ten behoeve van de bouw en exploitatie van een biodieselfabriek in Oostenrijk (hierna: het project).

2.3. Partijen hebben in het kader van voornoemde samenwerking opdracht gegeven aan Loyens & Loeff (Notarissen) tot het opstellen van een (concept) aandeelhoudersovereenkomst inzake (de voorgenomen oprichting van) CIG Biodiesel B.V. en een (concept) oprichtingsakte van deze vennootschap. Voornoemde overeenkomst is niet ondertekend. De oprichtingsakte is niet gebruikt.

2.4. Partijen hebben een prospectus uitgebracht met het oog op de financiering van het project. Het project zou volgens de prospectus voor een bedrag van 6 miljoen euro worden gefinancierd door uitgifte van obligaties.

2.5. [A] en [B] hebben “handelend als enige oprichter(s) van CIG Biodiesel B.V. i.o. (alsmede voor zich in privé)” een bankrekening geopend bij Rabobank Alkmaar-Heerhugowaard op 7 februari 2007 met als tenaamstelling CIG Biodiesel B.V. i.o. Derde investeerders in het project hebben bedragen naar deze rekening overgemaakt.

2.6. Op 4 mei 2007 zond [B] aan [A] een e-mail, waarin hij onder meer heeft geschreven:

“Zoals je bekend is hebben wij van alle besprekingen en beslissingen uitvoerige verslagen gemaakt en die zijn door alle aanwezigen (dus ook door jou) goedgekeurd. Het is reeds in verschillende vergaderingen aan de orde geweest dat jouw werkzaamheden na diverse besluiten hebben gefaald zowel bij de voorfinanciering als bij de plaatsing van obligaties.

(..)

Indien je dit laatste voorstel niet acceptabel acht, zijn wij zo vrij om in het kader van de met jou gemaakte afspraken, onder andere gemaakt in de vergadering van 19 oktober 2006, welke afspraken jij ook hebt geaccordeerd, de samenwerking te beëindigen. Bij beëindiging van de samenwerking zoals hiervoor weergegeven zullen wij jouw bevoegdheden bij de bank intrekken en de verdere ontwikkeling en financiële zaken van het Biodiesel project zelf verder afwikkelen.”

2.7. Op 10 mei 2007 heeft [A] aan [B] en [C] per e-mail meegedeeld:

“Ik de Rabobank ingelicht heb over het feit dat de BV zsm wordt overgenomen via Actus notarissen in HH Waard en dat Arnold het aanspreekpunt voor CIG Biodiesel zal zijn.

Tevens heb ik mijn pasje laten blokkeren en gezegd dat Arnold carte blanche heeft mbt de betalingen.”

2.8. Bij brief van Vechtzicht van 8 augustus 2007 heeft [C] (mede namens Moma en [B]) aan CIG en [A] onder meer geschreven:

“Uitgangspunt is dat in de vergadering van 19 oktober 2006 afspraken zijn gemaakt over de mogelijke opzet van een gezamenlijke onderneming gericht op de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een biodieselfabriek in Oostenrijk.

Die afspraken hielden onder meer in dat je, gelet op jouw kennis en ervaring op het gebied van financieringen, zou richten op te vergaren kapitaal, vooral door plaatsing van obligaties. (..)

In de door jou geaccordeerde Besluitenlijst is in dit kader bepaald:

Voorwaarde is voor [A] dat hij het benodigde eigenkapitaal bijeen brengt door middel van het plaatsen van obligaties, waarbij alle zaken zoals Brochure en Prospectus door hem worden verzorgd.

(..)

Wij beperken ons tot de vaststelling dat jou performance, zacht gezegd, ondermaats is geweest, en strijdig was met de door jou gewekte verwachtingen. Mede gelet daarop hebben wij ons inmiddels genoodzaakt gezien, zoals je weet, om een derde-plaatsingsbureau (Eurogroei) in te huren. Vanaf begin juni jl. is er feitelijk geen sprake meer van operationele samenwerking.

(..)

Hoe dan ook, nu jouw werkzaamheden niet hebben geleid tot de tijdige vergaring van het benodigde kapitaal bevestigen wij hiermee dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor deelneming in de beoogde onderneming. Daarmee is tevens de samenwerking met jou en Corporate Investment Group B.V. geëindigd.”

2.9. Op 9 augustus 2007 heeft [A] een bedrag van € 74.375,- van de Rabobank rekening van CIG Biodiesel B.V. i.o. overgemaakt naar een bankrekening van CIG.

2.10. Bij brief van 16 augustus 2007 schrijft Rabobank Nederland, afdeling Bijzonder Beheer, aan CIG Biodiesel B.V. i.o., [A] en [B] dat de bankrekening bij Rabobank Alkmaar-Heerhugowaard een aantal malen is geblokkeerd en gedeblokkeerd, dat CIG Biodiesel B.V. i.o. niet staat ingeschreven in het handelsregister, dat de onderlinge verstandhouding ernstig is verslechterd, dat obligatiehouders gelden op de rekening hebben gestort, dat die gelden onverwijld zijn doorgestort naar andere rekeningen en dat de bank gelet op die omstandigheden de relatie wenst op te zeggen.

2.11. Bij statutenwijziging van 17 september 2007 is de naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Poland Beheer B.V. (hierna: Poland) gewijzigd in CIG Biodiesel B.V. Per 24 september 2007 is M.G. Management benoemd tot bestuurder van die vennootschap.

3. Het geschil

in de zaak 140551

3.1. CIG c.s. vorderten (samengevat en na wijziging van eis)

a. een verklaring voor recht dat Moma en Vechtzicht wanprestatie hebben gepleegd, dan wel onrechtmatig hebben gehandeld door gelden van de Rabobank rekening van CIG Biodiesel B.V. i.o. over te maken naar rekeningen van Moma, Vechtzicht, EMS Beheer B.V. en Poland Beheer B.V. en op grond daarvan Moma c.s. te veroordelen tot nakoming van hetgeen partijen zijn overeengekomen,

b. veroordeling van Moma c.s. tot levering van aandelen in CIG Biodiesel B.V op straffe van een dwangsom,

c. veroordeling van Moma c.s. tot betaling van € 800.000,- vermeerderd met rente en kosten,

d. opheffing van door Moma c.s. ten laste van [A] en CIG gelegde beslagen,

e. veroordeling van Moma c.s. om de naam CIG uit de naam van CIG Biodiesel B.V. te verwijderen,

f. Moma c.s. te veroordelen om [A] en CIG te vrijwaren voor aanspraken van obligatiehouders van CIG Biodiesel B.V. (i.o.).

3.2. Moma c.s. voerteren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 144624

3.3. CIG Biodiesel vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van CIG c.s. tot betaling van EUR 74.375,- vermeerderd met rente en kosten.

Voorts vordert CIG Biodiesel een verklaring voor recht dat CIG c.s. toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst, alsmede veroordeling in de kosten van de procedure.

3.4. CIG c.s. voerten verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de zaken 140551 en 144624

partijen en ontvankelijkheid

4.1. Bij de beoordeling in beide zaken staat voorop dat – zoals partijen ter comparitie hebben verklaard – de natuurlijke personen [A], [B] en [C] in het kader van de samenwerking met betrekking tot het project, (in ieder geval in hun onderlinge verhouding) steeds hebben gehandeld namens de vennootschappen waarvan zij (indirect) bestuurder waren (te weten CIG, Moma en Vechtzicht). Dit blijkt overigens mede uit de sub 2.3 genoemde conceptaandeelhoudersovereenkomst: de samenwerking betrof uitsluitend de betrokken vennootschappen. Hieruit volgt dat de genoemde natuurlijke personen met hun handelingen niet zichzelf, maar hun respectieve vennootschappen hebben verbonden en zij ook niet zelf rechten uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst hebben verkregen, maar dat alleen genoemde vennootschappen enige aanspraak kan toekomen. Dit is slechts anders als sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van genoemde natuurlijke personen in hun hoedanigheid van bestuurders van die vennootschappen. Dat is echter gesteld noch gebleken.

4.2. Het voorgaande brengt mee dat [A] in de zaak met rolnummer 140551 niet in zijn vordering kan worden ontvangen anders dan ter zake de opheffing van het onder hem privé gelegde beslag en dat de vordering van CIG Biodiesel in de zaak met rolnummer 144624, voor zover die vordering is gericht tegen [A], dient te worden afgewezen.

inhoud overeenkomst

4.3. Partijen twisten over de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst. CIG Biodiesel en Moma c.s. hebben als meest verstrekkend standpunt aangevoerd dat Moma en Vechtzicht de samenwerking met CIG zijn aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat CIG uiterlijk 31 maart 2007 (welke datum later in overleg is verlengd tot 31 mei 2007) de benodigde financiering van het project door middel van uitgifte van obligaties ad 6 miljoen euro zou hebben gerealiseerd en dat hij anders niet zou deelnemen in het aandelenkapitaal van de (toen nog) op te richten vennootschap CIG Biodiesel. Zij beroepen zich daarbij op de “besluitenlijst vergadering gehouden op 19 oktober 2006”, waarin – voor zover thans van belang – het volgende is vermeld:

“Vechtzicht N.V. vertegenwoordigd door [C] heeft in 2005 van zijn relatie [D] een offerte ontvangen waarbij Winkelman & Partners aan [E] een deelname bij de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een Biodieselfabriek in Wenen offreert. [C] heeft met [B] van Moma Investment B.V. op deze offerte verder aktie ondernomen en voor de financiering volgens Zwitsers model (0% financiering) [D], en plaatsing van het benodigde eigen kapitaal [A] gevraagd om door middel van hun inbreng, de mogelijkheid geboden om deel te nemen in het aandelenkapitaal onder bepaalde voorwaarden ieder voor ¼.

Voorwaarde is voor [A] dat hij het benodigde kapitaal bijeen brengt door middel van het plaatsen van obligaties, waarbij alle zaken zoals Brochure en Prospektus door hem worden verzorgd.

Voorwaarde voor [D] is dat hij het vreemde vermogen nl. de zg. 0 financiering voor dit object afgesloten krijgt waarbij hij alle aktiviteiten ter verkrijging van deze financiering dient te verrichten.

Indien aan de voorwaarde niet kan worden voldaan, zal de betreffende partij niet in het aandelenkapitaal deelnemen (..)”

Voorts verwijzen Moma c.s. naar de e-mail en brief die hierboven sub 2.6 en 2.8 zijn weergegeven en waarin aan deze afspraken wordt gerefereerd. Ook hebben Moma c.s. aangevoerd dat overeenkomstig deze afspraken reeds eerder de samenwerking met [D] is beëindigd.

4.4. CIG heeft de besluitenlijst/het verslag van 19 oktober 2006 betwist. Zij stelt dat dit verslag achteraf door [B] en [C] is opgesteld en dat zij dit stuk vóór de procedure niet heeft ontvangen. Uit de concept aandeelhoudersovereenkomst, de concept oprichtingsakte en de prospectus blijkt volgens CIG dat partijen hebben afgesproken dat CIG, Moma en Vechtzicht gelijk zouden delen in het aandelenkapitaal van de op te richten vennootschap CIG Biodiesel. Voorts beroept zij zich erop dat de besluitenlijst van 19 oktober 2006 niet door partijen is ondertekend.

4.5. De rechtbank oordeelt dat het betoog van CIG Biodiesel en Moma c.s. slaagt, omdat CIG de met dit betoog aangehaalde inhoud van de overeenkomst onvoldoende heeft betwist. Daartoe is het volgende redengevend.

Aan CIG moet worden toegegeven dat de “besluitenlijst” van 19 oktober 2006 niet door de betrokken partijen is ondertekend, hoewel dit verslag wel is opgesteld vanuit de veronderstelling dat dit zou gebeuren en eindigt met de zinsnede “Voor akkoord getekend door alle Initiatiefnemers”. Voorts is ter comparitie gebleken dat in het verslag van de vergadering ná de vergadering van 19 oktober 2006 niet is vermeld dat het verslag van 19 oktober 2006 is goedgekeurd. Desondanks schiet de betwisting van CIG van de door CIG Biodiesel en Moma c.s. gestelde voorwaardelijke deelname van CIG aan het project tekort, omdat Moma c.s. in hun e-mail van 4 mei 2006 (zie 2.6) en de opzeggingsbrief van 8 augustus 2006 (zie 2.8) uitvoerig en expliciet hebben gerefereerd aan deze afspraken en CIG hierop niet heeft gereageerd met de mededeling dat die weergave van de afspraken niet juist zou zijn. Dit ondanks dat (onder verwijzing naar de gestelde afspraken) in de e-mail van 4 mei 2006 beëindiging van de samenwerking in het vooruitzicht werd gesteld en de relatie in de brief van 8 augustus 2006 werd beëindigd, terwijl CIG op dat moment bovendien werd bijgestaan door haar raadsman mr. Giljam. CIG heeft noch in haar processtukken, noch desgevraagd ter comparitie enige uitleg of toelichting gegeven waarom zij genoemde e-mail en brief niet heeft weersproken, terwijl dat gelet op genoemde omstandigheden wel in de rede lag.

De omstandigheid dat in de concept aandeelhoudersovereenkomst is uitgegaan van gelijk delen in het aandelenkapitaal van CIG Biodiesel, kan niet tot een ander oordeel leiden, in de eerste plaats omdat die overeenkomst niet is ondertekend en voorts omdat niet kan worden uitgesloten dat die overeenkomst is opgesteld (en zou worden gesloten) zodra CIG aan de voorwaarde zou hebben voldaan.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat partijen zijn overeengekomen dat CIG pas zou delen in het aandelenkapitaal van CIG Biodiesel als zij zou hebben voldaan aan de (opschortende) voorwaarde om financiering van het project te realiseren voor een bedrag van 6 miljoen euro door middel van de uitgifte van obligaties. Nu CIG niet aan deze voorwaarde heeft voldaan – hetgeen zij ook niet betwist – kan de vordering tot levering van aandelen in CIG Biodiesel reeds om die reden niet slagen.

4.7. Ook de vordering tot betaling van € 800.000,- (een derde van de aanloopkosten), kan niet slagen. CIG grondt ook dit deel van haar vordering op nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. Nu hierboven is beslist dat die overeenkomst is gesloten onder een opschortende voorwaarde waaraan CIG niet heeft voldaan, kan deze vordering reeds om die reden niet slagen, nog daargelaten de vraag of uit de samenwerkingsovereenkomst kan worden afgeleid dat CIG zonder meer aanspraak kan maken op € 800.000,-.

4.8. Het betoog van CIG dat Moma c.s. jegens haar wanprestatie hebben gepleegd dan wel onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij gelden van de Rabobank rekening van CIG Biodiesel B.V. i.o. hebben overgeboekt naar andere rekeningen, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer. De op grond daarvan door CIG ingestelde vordering tot nakoming kan immers niet worden toegewezen. Bij de gevorderde verklaring voor recht heeft CIG dus ook geen belang.

overboeking € 74.375,-

4.9. Biodiesel vordert van CIG (terug)betaling van het door CIG op 9 augustus 2006 van de Rabobank rekening van CIG Biodiesel B.V. i.o. naar haar eigen rekening overgeboekte bedrag van € 74.375,-. Deze vordering is toewijsbaar. Daartoe is van belang dat [A] (namens CIG), in een situatie dat er tussen partijen onenigheid bestond over de aanwending van het saldo op de Rabobank rekening, op 10 mei 2006 aan Moma en Vechtzicht heeft bericht dat hij zijn pasje had laten blokkeren en dat [B] (namens Moma) carte blanche zou hebben met betrekking tot de betalingen. Onder die omstandigheden stond het CIG in haar verhouding tot Moma en Vechtzicht niet langer vrij om over het saldo van die rekening te beschikken en mochten Moma en Vechtzicht erop vertrouwen dat CIG dat (zonder hun instemming dan wel zonder nadere afspraken) niet zou doen. Dit temeer omdat – zoals CIG niet heeft weersproken – van samenwerking sinds juni 2006 feitelijk al geen sprake meer was.

Voor de gewraakte betaling bestond bovendien geen grondslag. CIG heeft weliswaar aangevoerd dat zij tot dan toe reeds behoorlijk wat werkzaamheden had gedaan en een bedrag had voorgeschoten voor het oprichten van een Luxemburgse vennootschap, maar tussen partijen is niet in geschil dat in de aanloopfase van het project alleen kosten zouden worden vergoed (en geen beloning voor inspanningen zou worden betaald), terwijl CIG de door haar gestelde kosten op geen enkele manier heeft onderbouwd. Daar komt bij dat zij op de volgens haar stellingen verzonden factuur heeft vermeld “vanwege de voor u verrichtte en met name nog te verrichten werkzaamheden”, hetgeen haar stelling over gemaakte kosten ondergraaft. Ook op dit punt schiet de betwisting van CIG dus tekort, zodat haar verweer faalt.

Ook de over genoemd bedrag gevorderde rente – de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW vanaf 9 augustus 2007 – zal worden toegewezen, nu dit niet is betwist.

wanprestatie CIG

4.10. Ter comparitie heeft de advocaat van CIG Biodiesel desgevraagd verklaard dat CIG Biodiesel zich primair op het standpunt stelt dat CIG deelnam in de samenwerking onder de hierboven beschreven opschortende voorwaarde en, subsidiair, voor zover van zo’n voorwaarde geen sprake zou zijn, op CIG een inspanningsverbintenis rustte, waaraan zij niet heeft voldaan.

4.11. De door CIG Biodiesel gevorderde verklaring voor recht dat CIG jegens haar toerekenbaar is tekort geschoten ziet, blijkens haar eis, op op CIG rustende resultaatsverbintenissen met betrekking tot het vergaren van fondsen voor het project. Uit de hiervoor genoemde opmerkingen van de advocaat van CIG Biodiesel begrijpt de rechtbank dat zij zich niet (langer) beroept op de schending van resultaatsverbintenissen door CIG. De gevorderde verklaring voor recht wegens schending door CIG van haar resultaatsverbintenissen, zal dus worden afgewezen. Bovendien kan aan de schending van inspanningsverplichtingen van CIG niet worden toegekomen, nu dit betoog een subsidiair karakter heeft en het primaire betoog van CIG Biodiesel – dat CIG werkte onder opschortende voorwaarde – is gehonoreerd.

opheffing beslagen

4.12. Gelet op de hierboven sub 4.9 gegeven beslissing heeft CIG Biodiesel (dan wel Moma c.s.) terecht beslag gelegd onder CIG, zodat de vordering van CIG tot opheffing van dat beslag moet worden afgewezen. De vordering van [A] tot opheffing van de ten laste van hem gelegde beslagen zal echter worden toegewezen, aangezien de vorderingen van CIG Biodiesel voor zover tegen hem gericht zullen worden afgewezen, om de redenen die hierboven sub 4.1 en 4.2 zijn gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding de door [A] gevorderde dwangsommen op te leggen.

gebruik naam CIG

4.13. CIG vordert verwijdering van (de afkorting van) haar naam uit de naam CIG Biodiesel en een veroordeling om die naam niet meer te gebruiken voor het project. Zoals Moma c.s. terecht hebben aangevoerd, heeft CIG voor dit deel van haar vordering geen juridische of feitelijke grondslag gesteld. De enkele omstandigheid dat de (afkorting van de) naam van CIG overeenstemt met een deel van de naam van CIG Biodiesel B.V. is onvoldoende om deze vordering te kunnen toewijzen. Nu CIG haar vordering ook ter comparitie niet nader heeft toegelicht, zal deze worden afgewezen.

vrijwaring

4.14. De door CIG c.s. gevorderde vrijwaring van aanspraken van obligatiehouders en andere (rechts)personen waarmee in de periode van mei 2006 zaken zijn gedaan in naam van CIG Biodiesel B.V. i.o. zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang, omdat is gesteld noch gebleken dat thans sprake is van enige vordering ter zake jegens CIG c.s. of dat met zo’n vordering redelijkerwijs rekening moet worden gehouden.

kosten

4.15. CIG Biodiesel vordert CIG te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op en EUR 894,- voor salaris procureur (1 rekest x EUR 894,-). De kosten van betekening van de beslagstukken worden buiten beschouwing gelaten, nu deze stukken niet in het geding zijn gebracht.

4.16. CIG zal in de zaak met rolnummer 140551 als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Moma c.s. worden begroot op:

- vast recht 4.732,00

- salaris procureur 5.160,00 (2 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 9.892,00

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van [A] ten gunste van Moma c.s., omdat Moma c.s. door deelname van [A] in dit geding geen (extra) kosten heeft gemaakt.

4.17. CIG zal in de zaak met rolnummer 144624 als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van CIG Biodiesel op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 70,85

- kosten beslag (zie 4.15) 894,00

- vast recht 1.635,00

- salaris procureur 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894)

Totaal EUR 4.387,85

Voor een kostenveroordeling van CIG Biodiesel ten gunste van [A] ziet de rechtbank geen aanleiding, aangezien [A] dezelfde advocaat had als CIG en dus geen afzonderlijke kosten heeft gemaakt.

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak met nummer 140551

5.1. verklaart [A] niet ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover die niet zien op de opheffing van de ten laste van hem gelegde beslagen,

5.2. veroordeelt Moma c.s. de beslagen die gelegd zijn door CIG Biodiesel B.V. i.o., althans waartoe Moma en Vechtzicht gezamenlijk opdracht hebben gegeven, op de rekening(en) van [A] bij de Postbank, alsmede op de woning van [A] te [p] aan het adres [a 1] aldaar, op te doen heffen, door binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis te zorgen dat deze beslagen worden doorgehaald,

5.3. veroordeelt CIG in de proceskosten, aan de zijde van Moma c.s. tot op heden begroot op EUR 9.892,-,

5.4. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak met nummer 144624

5.6. veroordeelt CIG om aan CIG Biodiesel te betalen een bedrag van EUR 74.375,00 (vierenzeventig duizenddriehonderdvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 9 augustus 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.7. veroordeelt CIG in de proceskosten, aan de zijde van CIG Biodiesel tot op heden begroot op EUR 4.387,-,

5.8. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse, S. Sicking en N.E. Kwak en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?